This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project
to make the world's books discoverablc onlinc.
It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject
to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books
are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover.
Marks, notations and other maiginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the
publisher to a library and fmally to you.
Usage guidelines
Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automatcd querying. We also ask that you:
+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for personal, non-commercial purposes.
+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of public domain materials for these purposes and may be able to help.
+ Maintain attributionTht GoogX'S "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find additional materials through Google Book Search. Please do not remove it.
+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any speciflc use of any speciflc book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite seveie.
About Google Book Search
Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web
at|http : //books . google . com/|
Dii is ccn digitale kopie van een boek dat al generaties lang op bibliotheek pi anken heeft gestaan, maar nu zorgvuldig is gescand door Google. Dat
doen we omdat we alle boeken ter wereld online beschikbaar willen maken.
Dit boek is na oud dat het auteursrecht erop is verlopen, zodat het boek nu deel uitmaakt van het publieke domein. Een boek dat tot het publieke
domein behoort, is een boek dat nooit onder het auteursrecht is gevallen, of waarvan de wettelijke auteursrecht termijn is verlopen. Het kan per land
verschillen of een boek tot het publieke domein behoort. Boeken in het publieke domein zijn een stem uit het verleden. Ze vormen een bron van
geschiedenis, cultuur en kennis die anders moeilijk te verkrijgen zou zijn.
Aantekeningen, opmerkingen en andere kanttekeningen die in het origineel stonden, worden weergegeven in dit bestand, als herinnering aan de
lange reis die het boek heeft gemaakt van uitgever naar bibliotheek, en uiteindelijk naar u.
Richtlijnen voor gebruik
Google werkt samen met bibliotheken om materiaal uit het publieke domein te digitaliseren, zodat het voor iedereen beschikbaar wordt. Boeken uit het publieke domein behoren toe aan het publiek; wij bewaren ze alleen. Dit is echter een kostbaar proces. Om deze dienst te kunnen blijven leveren, hebben we maatregelen genomen om misbruik door commerciële partijen te voorkomen, zoals het plaatsen van technische beperkingen op automadsch zoeken. Verder vragen we u het volgende:
+ Gebruik de bestanden alleen voor niei-commerciële doeleinden We hebben Zoeken naar boeken met Google ontworpen voor gebruik door individuen. We vragen u deze bestanden alleen te gebruiken voor persoonlijke en niet-commercicle doeleinden.
+ Voer geen geautomatiseerde zoekopdrachten uit Stuur geen geautomatiseerde zoekopdrachten naar het systeem van Google. Als u onderzoek doet naar computervertalingen, optische tekenherkenning of andere wetenschapsgebieden waarbij u toegang nodig heeft tot grote hoeveelhe- den tekst, kunt u contact met ons opnemen. We raden u aan hiervoor materiaal uit het publieke domein te gebruiken, en kunnen u misschien hiermee van dienst zijn.
+ Laat de eigendomsverklaring staan Het "watermerk" van Google dat u onder aan elk bestand ziet, dient om mensen informatie over hci project te geven, en ze te helpen extra materiaal te vinden met Zoeken naar boeken met Google. Verwijder dit watermerk niet.
+ Houd u aan de wet Wat u ook doet, houd er rekening mee dat u er zelf verantwoordelijk voor bent dat alles wat u doet legaal is. U kunt er niet van uitgaan dat wanneer een werk beschikbaar lijkt te zijn voor het publieke domein in de Verenigde Staten, het ook publiek domein is voor gebniikers in andere landen. Of er nog auteursrecht op een boek mst, verschilt per land. We kunnen u niet vertellen wat u in uw geval met een bepaald boek mag doen. Neem niet zomaar aan dat u een boek overal ter wereld op allerlei manieren kunt gebruiken, wanneer het eenmaal in Zoeken naar boeken met Google staat. De wettelijke aansprakelijkheid voor auteursrechten is behoorlijk streng.
Informatie over Zoeken naar boeken met Google
Het doel van Google is om alle informade wereldwijd toegankelijk en bruikbaar te maken. Zoeken naar boeken met Google helpt lezers boeken uit allerlei landen te ontdekken, en helpt auteurs en uitgevers om een nieuw leespubliek te bereiken. U kunt de volledige tekst van dit boek doorzoeken
op het web via|http: //books .google .coml
HET LEVEN EN DE WERKEN
VAN
PETRUS HOFSTEDE.
%•
Pktrï.s Hofstede.
_, . __ _' /oTt^^tfi iftn Zf/ti /y//'
7„. "hi »,ia^.^
HET LEVEN EN DE WERKEN
VAX
PETRUS HOFSTEDE.
PROEFSCHRIFT,
TER yiBKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN
DOCTOR IN DE GODGELEERDHEID
AAN DE RUKS-UNIYERSITEIT TE UTRECHT, NA MACIlTlGlNr; VAN DKN HKCTOR MAGNIFICUS
Dr. H. WEFEB8 BËTTINK,
HOOOLEERAAR IN DE FACULTEIT DER WI8- EN NATUURKUNDE,
VOLGENS DESLUIT VAN DEN SENAAT DER UNIVERSITEIT
TEGEN DE BEDENKINGEN VAN
DE FACULTEIT 1)£R (^ODei£L££UDU£lD
TE VERDEDIGEN
OP DINSDAG 7 NOVEMBER 1899,
DES NAMIDDAGS TE BV** UREN, DOOR
JAN PIETER DE BIE.
GEBOREN TE ROTTERDAM.
ROTTERDAM. D. A. DAAMEK. 1899.
6X
INHOUD.
Bladzijden.
INLEIDING XI-XIV
Hoofdstuk I. HoüBtede's leven en werken vóór het gesohil naar aanleiding van den Belisa- rius van Marmontel 1—174
§ 1. Hofstode'g afkomst, geboorte en jeugd tot zijne
inschrijying als student 1
g 2. Hofstede's verblijf aan de Academie te Gronin- gen. De Pseudo-Studiosus 5
§ 3. Hofstede's yerblijf aan de Academie te Franeker.
Zijn welkomstgroet aan Prof. P. Laan. ... 30
§ 4. Hofstede predikant te Anjum. Zijn protest tegen
Stinstra 36
§ 5. Hofstede predikant te Steenwijk. Zijne betrek- king tot de onlusten aldaar, na zijn vertrek ontstaan 48
§ 6. Hofstede predikant te Oost-Zaandam. Zijne kerk- rede bij gelegenheid van de verheffing van Willem IV tot de hoogste ambten dezer Landen. 52
§ 7. De eerste jaren van Hofstede*s verblijf te Rot- terdam. Zijne ,, Bloemen gestrooid op het graf van Willem Carel Hendrik Friso" 60
§ 8. Het geschil te Rotterdam over het recht der Overheid om predikanten te recommandeeren. Polemiek tusschen Hofstede en van der Groe naar aanleiding daarvan. Eene gewichtige ge- beurtenis in Hofstede'» loven 85
§ 9. Hofstede's gevoelen ten opzichte van het voor- genomen huwelgk van Carolina, Prinses van Oranje met den Lutherschen Prins van Nassau- Weilburg 116
§ 10. Het „Historisch Verhaal van het voorgevallene
in de berugte zaak van Do. G. T. de Cock." . 124
§ 11. Hofstede's „By zonderheden over de Heilige Schrift." en zijne daarbij gevoegde „Verhande- ling over het klein getal der egte Martelaars." 139
VIII
Bladzijden. Hoofdstuk II. Hofstede in hot geschil naar aan- leiding van den Bolisarius van Marmontel. 176—241 Hoofdstuk III. Hofstede's loven on werken na het geschil naar aanleiding van don Boli- sarius van Marmontel 243—508
§ 1. Belangrijko gobeurtcnii»8on in Hoftitode*8 lovon. Ëon blik op de vervulling van zijn predikambt te Rotterdam 245
§ 2. De invloed door Hofstede geoefend op do ont- zetting van den Hoogleeraar F. A. van der Marck. De „Zedige Aanmerkingen" togen het Zeatal Kerkelijke Redevoeringen van Prof. P. Chevallier 258
§ 3. Hofstede als apologeet voor f,de Waarheid en
Qodlykheid der Ëuangelische Verhalen." . . 274
§ 4. Hofstede tegen Jacobi en Barkey over de ver- klaring van het Hooglied 281
§ 5. Hofstede^» houding ten opziohto der verande- ring in Psalmberijming en Pstilmgczang ... 291
§ 6. Hofstede^s aandeel in hot geschil tusschen de „Nederlandsche Bibliotliock" en Prof. R. M. van Ooens 807
§ 7. Hofstede's arbeid in het belang der Oost-Indi- sche Kerkzaken 330
§ 8. Een conflict ten gevolge van het Eerste Deel "
van Hofstede's „Oost-Indische Kerkzaken" . . .'t<»7
§ 9. Hofstede als biograaf van Gerard Johan Nahuys. 381
§ 10. Hofstede's arbeid als lid van het Zoeuwsoh
Genootsühap der Wetenschappen te Ylissiugen. 398
§ 11. Het openbaar optreden van Hofstede inzonder- heid in 1783 en de gevolgen daarvan. Zijne „Staatkundige Aanmerkingen" naar aanleiding der „befaamde Leerrede" van F. A van dor Kemp. Zijne eerste „Apologie" 403
§ 12. Hofstede met Habbema tegen Le Sage ten Broek ton opziohto van de leer dor Hervormde Kerk aangiiande het borgtoehtelijk karakter van Chris- tus* lijden. Hofstede's „Tweede Apologie" . . 442
§ 13. De Brieven van Hendrik Brinxma. Hofstede's
antwoord op één van deze 459
§ 14. De „Nederlandsohe Bibliotheek" en haar einde. De „Vaderlandscho Bibliotheek" en hare critiek op Hofstede's Biddagsrede. Het „Vervolg der Vorige Apologiën" • . . 468
IX
BI ad zij don. § 15. Hofstede bij gelegenheid van het huwelijk van FrcMiericu Louit^tt Wilhelmina Prinses van Oranje en NoHsau met den Erfprins Carel George August, zoon van den Hertog van Brunswijk-Lunenburg. 402
§ 16. Hofstede'» laatste levensjaren. „De Historie dor oude en nieuwe Hernhutsche Öecte en van derzolver Qroudlogger N. L. Qraaf van Zinzeu-
dorf enz. Geschetst en beoordeeld" 406
BESLUIT 504
BIJLAGE A I-XX.XV
Geschriften van Hofstede III
Geschriften, op deugdelijke gronden aan Hofstede
toegekend VIII
Geschriften , bij de uitgave waarvan Hofstede waar- schijnlijk min of meer is betrokken geweest. . . IX Geschriften, aan Hofstede toegekend, waaromtrent
verdere gegevens ontbreken X
Geschriften, aan Hofstede toegekend, waarvan hij
echter of waarschijnlijk of zeker de schrijver niet is. X
Geschriften, naar aanleiding van en in verband met
Hofstede's werken en optreden verschenen ... XII
Verdere geschriften voor, tegen en in betrekking
tot Hofstede XXXIII
BIJLAGE B XXXVI- XLVI
Portretten van Petrus Hofstede XXXVI
Historie-, Spot- on Zinnoprentcn , waarop Ilofstedo
voorkomt XXXVI II
Prenten met dichtorlijko Bijschriften van P. Hofstede. XLVI
BIJLAGE C. Extract uit de Acta van den Kerkeraad
der Ned. Ger. Gem. te Kotterdom XLVII-XCIII
BIJLAGE D. Onuitgegeven brieven XCIV— CX
BIJLAGE E. Geslacht Hofstede.
Register van Persoonsnamen.
Stellingen.
Verbeteringen en Aanvullingen.
PORTRET EN PRENTEN.
Portret van P. Hofstede tegenover het titelblad.
Prent: «D'Orange Boom". . . Bijlagen tusschen p. XLVI en XLVII
Pront: „Gedenkwaardige uitzetting van Louis van
Brunswyk" Bijlagen tusschen p. XLVI en XLVII
INLEIDING.
Wie bij de bestudeering van de geschiedenis der Gerefor- meerde Eerk hier te lande het gebied der 17^e eeuw verlaten en dat der 18de betreden heeft, kan een gevoel van teleur- stelling niet onderdrukken. Het is een tijdperk van toene- mende verflauwing, waarin hij zich beweegt. Aanvankelijk ziet hij het strijdvuur van Voetianen en Coccejanen nog op- vlammen, en bemerkt hij, dat verschijnselen, die vroeger zijne aandacht boeiden, niet geheel zijn verdwenen, maar de gloed, welke te voren uitstraalde van de Kerk, is over het algemeen vervangen door eene lauwheid, die eer afstoot dan aantrekt. Hoe is in die periode het aantal belangwekkende theologen-gestalten , verschillend beoordeeld , maar aan wie nie- mand kracht zal ontzeggen , geslonken ! Veel onheilig twistvuur , ongetwijfeld, heeft de eeuw der Dordtsche Synode medegeno- men in haar graf, maar met dat onheilig ook veel van dat heilig vuur, dat louterend werkt en onmisbaar mag heeten ook in het leven der Kerk. Toch vertoont de 18^® eeuw en- kele trekken, die zij met hare voorgangster gemeen heeft. De aanvallen op de eenmaal vastgestelde en bekrachtigde Gerefor- meerde belijdenis blijven aanhouden, zij het onder andere vormen. Wèl geraken de verschillende richtingen, die van de belijdenis afweken, meerendeels op den achtergrond, doch niet zonder invloed achtei te laten. Hare tegenkanting tegen de Kerkleer vindt men terug bij hen, die bij voorkeur met den naam „Toleranten" zich tooien en het pleit opnemen voor wat zij de rechten van den vrijen mensch achten. Bevinden
XII
er zich onder hun aantal, die uit ernstig beginsel de ,, Tole- rantie" voorstaan , men ontvangt den indruk, dat hare aan- hangers voor een deel worden gevormd door dezulken, die slechts voor het onbelijnde, dat haar kenmerkt, sympathie koesteren. Hoc dit zij, dat de onverschilligheid ten opzichte der belijdenis en zelfs ten aanzien van den godsdienst in het algemeen in het tweede gedeelte der 18do eeuw hand over hand toeneemt, valt niet te ontkennen. Do zucht naar vrijheid, zich op verschillend gebied openbarend , staat bij niet weinigen met een verlangen naar bandeloosheid gelijk. Aan verzet tegen dit streven ontbreekt het intusschen niet geheel. Slagvaardige kampioenen binden tegen de „Tolerantie" den strijd, aan; waarschuwende stemmen verheffen zich tegen den tijdgeest. Met het oog hierop verdient voorzeker Petrus Hofstede, wiens leven en werken ik in de volgende bladzijden hoop te behandelen , te worden genoemd. Dien tijdgeest zag hij werk- zaam aan het ondermijnen der grondslagen niet slechts van de Kerk, maar ook van den Staat. Met name in het latere gedeelte zijns levens , gedurende de laatste dertig jaren der eeuw, was zijn optreden in dit opzicht van niet geringe bc- teekenis. In dien tijd zien wij hem ook betrokken in de twis- ten tusschen de zoogenaamde Oranjcklanten en Patriotten. Een theologisch geschil, in 1769 ontstaan, dat door hem werd gaande gemaakt en waarvan de leiding hoofdzakelijk bij hem berustte , wijzigde de kerkelijke gedragslijn , door hem te voren gevolgd. Het is vooral in verband hiermede wenschelijk, dat zijn leven en werken zuiver chronologisch worden behandeld. Het bearbeiden eener monographie, gewijd aan een' zoon der 18de eeuw, die bij de kerkelijke en staatkundige woelin- gen zijner dagen zich niet onbetuigd heeft gelaten , bezit eene aangename en eene min aangename zijde. Wat de eerste be- treft, het is eene loonende gedachte ook maar eenigszins te mogen medewerken tot juister beoordeeling van een' persoon, die het met velen zijner tijdgenooten gemeen heeft, dat hij verkeerd beoordeeld of in zijn beteekenis en invloed onder-
XIII
schat is. In het lot der impopulariteit, dat nu eenmaal der 18de eeuw schijnt beschoren , deelen ook sommigen harer kin- deren, die toch iets anders verdienen. Dit geldt buiten twijfel van Hofstede. In de geschiedbeschrijvingen van de Qerc- formeerde Kerk der Nederlanden heeft men niet kunnen na- laten , bij de behandeling van verschillende quaestiën , waarbij hij betrokken was, de aandacht op hem te vestigen, en ter- loops is ook nog in sommige andere werken, waar het ver- band hiertoe aanleiding gaf, zijn persoon ter sprake gebracht. Een tweetal zijner werken is besproken door Dr. J. Ilartog en door Dr: S. D. van Veen in hunne hierna ^) te noemen verhandelingen. Opzettelijk van Hofstede's persoon eene schets te leveren heeft Dr. J. van Vloten bedoeld in een niet juist door groote onpartijdigheid uitmuntend tijdschrift- artikel. Dit is ontegenzeggelijk weinig, waar het een^ persoon geldt , van wien niet ten onrechte beweerd is ^), dat de be- schrijving van al hetgeen op hom betrekking heeft, wel een boekdeel zou vullen. De poging, om den alzoo misdeelde in zijn leven en werken beter te doen kennen, moge derhalve veel aantrekkelijks hebben, zij brengt toch daarnevens iets mede, dat min aangenaam is. De stortvloed van pamfletten en schot- schriften, waarmede in de 18de eeuw ons vaderland over- stroomd is, vertoont ook thans nog zijne sporen in eene niet zelden ordelooze massa van dergelijke geschriften , hier en daar in openbare of particuliere bibliotheken aanwezig. Vaak deinsde men nog begrijpelijkerwijze terug voor de reuzentaak om die weinig aanlokkende erfenis van den Patriottentijd en de daar- aan voorafgaande jaren te ordenen. Toch , in die zee dient een sprong gewaagd, wanneer men van een' man als Hofstede een zooveel mogelijk getrouw beeld vormen wil. Maar juist
>) Zie hierna blz. Ö-* en 66»; blz. 136—147 van Dr. Hartogs ver- handeling is aan hot bedoelde werk van liefstede gewijd.
*) K. J. R. van Harderwijk Naamlijttf cfi Levetiahijzomlerheihn tier Predikanten^ die sedert de Kerkherrorwing in de Nederduitsche Hervormde en Waatsche Gemeente te Rotterdam tot op dezen tyd in dienst getce&it rytt. Rotterdam. MDGCOL^blz. 82.
XIV
dat nog ordolooze doet vreezen, dat eene enkele maal iets over het hoofd wordt gezien, wat toch niet van belang is ontbloot. Dat dan ook de lijst van uit de verstrooiing samen- gelezen geschriften, die op Hofstede betrekking hebben, zooals zij aan het eind van dit werk is opgenomen ^) , vol- strekt niet volledig zal zijn, het zij gereedelijk erkend. Men bedenke bovendien, dat verscheiden vlugschriften uit den be- doelden tijd, indien al niet geheel verdwenen, toch zeer zeld- zaam geworden zijn. Op verschillende wijze is gepoogd zooveel mogelijk gegevens te verzamelen, en naar volledigheid ge- tracht , ook bij de voorwetenschap , dat zij niet zou worden be- reikt. Aan zeer gewaardeerde voorlichting heeft het mij op mijn verzoek bij de bewerking van mijn onderwerp niet ontbroken. Zonder hier de namen op te sommen van allen , wien ik in dit opzicht dank schuldig ben en wier dienstvaardigheid, mij op eene of andere wijze betoond , ik met erkentelijkheid ge- denk , acht ik het een^ aangenamen plicht openlijk mijn' dank te betuigen aan mijn' hooggoschatten Promotor P r o f. D r. 8. D. van Veen, die niet alleen mijne aandacht op dit onderwerp vestigde, maar mij ook verder met raad en daad op de meest welwillende wijze terzijde stond. Voorts is het mij eene be- hoefte mijne dankbaarheid uit te spreken jegens don Heer G. van Rijn, Ambtenaar aan het Archief en Conservator van de Bibliotheek der gemeente Rotterdam, grondig kenner van den tijd der „Patriotten", voor zijne belangstelling in mijn' arbeid , waaraan ik meer dan één nuttigen wenk heb te danken , en voor zijne hulpvaardigheid, mij bewezen niet alleen bij het nasporen van sommige geschriften , maar in het bijzonder ook ten opzichte van de onder Bijlage B opgenomen beschrijving der portretten en prenten en van Hofstede 's particuliere correspondentie (Bijlage D). Alleen aan de welwillende voorlich- ting van verschillenden is het te danken, dat ik ten aanzien van sommige punten niet in het duister behoefde rond te tasten.
>) Bglage A.
HOOFDSTUK I.
Hof 8 teders leyen en werken Tóór het geschil naar aanleiding ran den Bellsarlas Tan Marmontel.
{
§ 1.
HofHtede^s afkomst, geboorte en Jeagd tot z^ne
insehrUTing: als stadent.
Aan (Ion inorj;i;oii vfin den 31«t^»i Moi 173G vorbrcidde zidi door do stad Groninj;en de droevige iTinrc, dat (ïou dor liordors en leeraars van d(» Oerefornio(ïrde Kerk dn ar tor plaatse in den vorifcen nacht was ontslapen. Hecht waren de banden geweest , die or tusschen den overledene en de Gtinioonte, die hij bijna zestien jaren had mogen dienen, bestonden, liet welsprekendst was dit wol gebleken nog geen jaar vóór zijn versoheiden, toon op haar groeten aandrang, gelijk ook op nitdrukkelijk verzoek der stedelijke Overheid*), door hem oone beroeping naar 's-Oraveuhage was afgewezen, niettegenstaande hij uit die stad van voorname en Godvruchtige zijden aansporingen had ontvangen, om de roepstem op te vcdgon *). D(^ Gro-
') rit de in druk vorsrhonon locrnMlo, bij dio «^o|o«;onhoid intpfO:*i)rok(»n, vornemeii wij hovoiidioii, dut do stodolijko roj;«»i»rin»( van Üronintfon om lu.'Hi in liaro oni^(>viii^ tt* hAunuivn oonpiiri^ besloten biid zijn tniktc- nuMit t<» vorhooj^on. (J o hun non Flof^ttodo, Hmiirtnnh' lutrrf-rrdf htj fivhyentheid run fftte lif roep int/ na ^-iJmvenhaye ^ t/rtiaan Uit 'J Kor. yfl'.'K /. Voor fit' Genitrnft' lutn Oroningen. (Ironin^cn, 1 T.'J"», S" blz. r>7). Andere jjO'^cbrifton (hm U leerreden zjjn onn niet vun bom in druk be- waard. (Vf^l. T. A. Homein Df Hernirmtit- Prvtiikitntm nin I>rt>ntht\ Aftlerf tlf Herrttnnintf tot in isr,]. Mtt Atinttt'h'n int/en. (ïron , isOl, blz. 188).
M Dczo en andere bijzonderheden omtrent den overledene worden ver- meld in do Boekzaal tier deietnie Wtreitl, .luly \TMu blz. 12«-13:i Ken d»nrbjj op((enomen ..GrafHehrifr" op hem van den vo|«^enden inhoud i^it^ teek«'iid Ij. Trip) ;^eeft ook van bijzondere wanrdeerin^ blijk:
..Hier rust Joanno^' lijk. des J[eilandts lievelin*;; Ken Hofstee voor (iodts volk, beplant door Jezus' handen; Daer 't Wysheits water Hop lanjjs welij^o Oostwaranden,
En 's Geestes liel'dednuw op speceryen hing.
1
ningsclie Geinec^nti^ kon dan ook na zijn' dood getuigen, dat zij een uitnemend prediker had verloren, wiens bezit haar niet zonder reden elders benijd was.
Die prediker was Joh an nes Hofstede, de vader van hem , wiens leven en werken het onderwerp der volgende bladzijden zullen uitmaken. Wat niet van dezen zoon kan worden getuij^d , scliijnt ons toe — voor zoover wij oordeelen kunnen — wM van den vader te gelden , dat nl. het mystiek element vooral bij hem aanwezig was.
Dit had hij vermoedelijk overgeërfd van zijn' vader Willem Hofstede), die lange jaren met vrucht de Gemeente te Beilen gediend had en van wien medegedeeld wordt, dat hij leefde bij Lodensteins werk „Zions Beschouwing" ) Deze Willem Hofstede was de schoonzoon van zijn' voorganger als predikant te Beilen Ds. J o h a n n e s B e e 1 1 s n y d e r , van wien ons menig geschrift is bewaard^), een man, «zoowel
Wiijir in de VrecVï'anmit zjjii zielcstippHii drufi; In 't zinnohtreolent looi' van zuivre Kn^^'leklanken; V;in OroningoiH üt»ni<»onf voor niildcn vru^t to dankiMi.
Ken Hof, ilanr 's leviMirthooni do luiiidol s t p «* i)r*slo<»j:."
') Doordat liet archief der (Tonieeiito Huilen in<lertjjd dot»r brand is vcrniel<i, zijn d«* pojjfinjjjon, in 'twork ^esridd om «^«»«j^i«v('n« te verzanudon nanjijaando den Nader van Wille ni IJ o fs t ed e, zonder ri^anltaat ijebie- ven. W i 1 1 e ni H. \h ner;^ens anders dan te Beilen predikant geweest (li;7S- 17JT); ook zijn huwelijk met eene predikantr>do(diter. aldaar gelmren, werrl te Beilen toesloten. Vóór zijne konnt in liie (Jemeente is ons dan uok niets van hem bekend.
') Y^l. de leerrede van Ds. M. (N»ek, pred. te Uroninj^en: D e ^i If f f' r f ti k' n f t/ f strrvetiiin Smi , /// Auii 1> e s // v r r f n 3/ o n ff Jff' f/ravfn (foor Drs U e e y e n II a n ff ^ Vofn'fffutcfd iti ffn Kerk-Hfdett Vit Dcutf'i'on. .1 f : :'>^ (>'. Hij (/cffyfnheid Vfiii fui smartfijk' flotf zufig afsterren fftn ff vu Ef'nr. ztrr Cifftrrd^ti rn <ifnfz((figf'u Iftfr J o fi n n n *• s H n f- stf(fe, in Lerni waanfifj en t/ffieni Pr^dikunit tv <w v f> n i n g e. n. Uit- ycsjJi'ok't'H ftp ffffi fitjvii JJiig run St/ii Kcnr. rrrtifffr. (ironin«jfen, 1T3J», 4" blz '2^. In «lezt» le(»rrede wordt de vader van J o hannes H i» f s t o d e voorts geprezen als „<'en getrouw Ilerdfr ^ en groot yi/V/</^r. uvtblinkende in yver door Leer ])egeorige te onder wy zen" (blz. 2.")).
M De lijst zijner geschriften is te vinden bij T. A. Romein, a. w. blz. HV. Hij was, <>v(Mials zijn schoonzoon na hem. uitsluitend aan de Gemeente ie Beilen verbonden (1Ü30--1G7Ö).
door den luister van zijn' Stam, als door zijn geleerdheid on Godsvrucht bekend'* ').
') Vgl. do Kraling iiina of Xedii/c Annmerkintjen orrr <h' Kniïitiffer Tiristschriftfu door aen (ienon(hchap run Lfffcrhenii/Dmars^ Verdeelt in Timalf Boeken. Derdo Rook. Libor Rjirissinnis. Rottonljim. M DCC.IiVIl, blz. 5'» — .">5 (aunni.), wjtar men lioveiulion om^y de voorvaderf*» van Potriis Ifol'stede eon uitsveidini^ aantreft, dU^ w:uirsoliijnlijk van zijne «»igeii hand afkomsti«< h (zio hierna hlz. 111'). Men beniorkt daaruit dan hoe zok«M'e fjuuiliotrotrt hom niet vreenul was. Met hoo^o ingenomenheid wordt ook aiin zjjn ovtM'^routvader J<»hanneH Beeltdnvder lierinnerd. ,,Zvn \Veh»er\\ji:irde'' - zoo heet het met het oo<j op laatstgenoemde ,,mogte reets sohryven in het jaar
16fi4, toen de meeste familien , die nu het hooft zoo trotscdi opsteken, nog onbekeut waren: «lat zt/n orerledtne Broeder en Zicat/ers (of umpien fH wanrdighedtn heidf in df Kerkt' fn in d*' Pofitie traren verheven gen't^est. Zio zyn (.)pdra^t voor het zalig af af er ren rmi den jongen zone Jtroheains'\ Uit een anileren Opdragt voor zijn Gekroondfti Stepha- }H4s blijkt ons, dat zijn Broeder Bury^emeester te Kampfn, een dor drie hoofdsteden van Overijssel ^ is gt»weest, en dat hij onder anderen tt»t een Zwager heeft gehad Bririio Wiakda , (ieheimen Haat van den Vorst van Oostrriesïant ^ en Amptman tot Lifr, Nog zien wij uit een derden Opdragt voor zijn ('athecismus^ dat twee zijner Zusters zjjn ge- trouwt geweest aiin de gebroeders OriMAE.M en Johax Bkut, gesproten uit een geslagt, nog heden ten dagen in de Wa f nehe Provinciën Aoor '/.v^xï. Outheit en Óooderen beroemt In volgende tijden h.'eft hot huis der Beeltsxyders Minislers ran Slaat ^ Raden ^ Serretarissf^n , (^onsuU en voorname Kooplieden ten nutte van het land hervoortgebracht , geljjk er nu ook mannen van dezelfden naam of in //o//<i;// en elders op het kussen zitten, of als mede-steunzels van de Amsteldamsche Beur» bekent zjjn. Onderwijlen hebbeu zig de Hofstede ft in de kerk beroemt gemaakt , en dezelve met hunne groote gaven reets een eeuw Iniig ge<lient. Eon Digter, die gewoon is ons zijne gediohten te communicveren ^ ditelt daarop, wan- neer hjj den Heer Petrus Hofstede (zoon van den Weleerwaarden, zeer geleerden en godvrugtigen JoH. Hofstede, die als Predikant to (ironingen gestorven is, na voor de beroepinge van V^rrt/^y/z/zayf: iiedankt te hebben, en die gehuuwt was a:in Maria AunRixu, van welke de heer KocK in zijn lijkrede over voornoemden JuH. Hofsteih: zegt. dat ze nit een Familie, gesproten is die als ven ond geslagt in het (iom/t be- kend is) bij zekere gelegen heit dus toejuigt:
Hufstedens stamhuis reets voor hondert juar beroemd Word heden nog met lof van ieder oen genoemd, lu Drenth , in Groningen en de Overijssel land«M : Bhei.TSNYDERs hadden daar 't regeerings roer in hiindeii. Voor lange pronkten zij , in Steden en in Staat , Als steunzels van het Landt, als I*vlaars van den Raad. Hofstedens blonken in Gods Kerk als Üonkerliohten -\ls Leeraars, die Gods volk door leer eii leven stirhten.
Omtrent <len persoon zijns vaders deelt Petrus II o fstedo sle(dits bij eene enkeh» gelegenheid iets mede. en wel in zijne Bijzonderheden orer de Heilige Schrift (II, blz. ;J2'2, \\2:i aanm. vgl. lU, blz. '20 2:^), waar Johannes Hofsti»de voorgesteld wordt in gepeinzen staande op het graf van Theodorus i B rakel te Makkum Zijn overgrootvader,
Een 011 ander moge volstaan , om ons te doen zien , dat Petrus Hofstede voortkwam uit een a<'htbaar geslacht, dat degelijke predikanten aan de Clereformeerde Kerk hier te lande geschonken had.
Ilgzelf werd den 16<l<*n April 1716 te Zuidlaren, de laatste standplaats zijns vaders vóór Groningen, geboren, als op één na het oudste der tien kinderen van J o h a n n e s Hofstede ' ).
Vier jaren later verhuisden zijne ouders naar Groningen.
Is van Petrus' jeugd vóór zijne inschrijving in het album academicum van Stad en Lande niets bijzonders bekend , een- maal student zijnde, deed hij reeds velen van zich spreken.
«J. Be(*l tsny der, op wioii hij. ;;«'ljjk on^ liiorvóór gohlekeii is, zidi 1mjz(»ii(1(t berocmdo. vi^riiifldt lijj iii latt.TO ,jan.>ii tio>(iunals nU <mmi' lutiii, du} rei'ds in lu't bo^iii dor vori^t; oou\v het Kvaiit^oliiiiij \orkuiidi]Lrd <mi hph»<»r<l hoeft, iMi \vi<MH u^rlcordlifid on (iodsvrn^^t noy; tot «li'ii dii}^ mui hod(Mi in zijn vaderhiud in d*« ji^rootstr zo*reiiiii»«f en achtinjif is (zio P. Hoi'Htedo (ntdt/ffhvtuir en ft'fsrhiiiih'UHdlf/f Vt-riiuttih-iièiy oiu-r ht-t hltin yrtal <i**r rf/tf inurtrlaara^ hlz. J»2).
*) Uit li«»t hnwfdijk vnn lautsti^rnoonido \v«Td«'n in hot lifohoid tion kin- «i«»r('n ^rbor<Mi l)ri«* va» d<'z«» zijn oj» j»'u«;;di<^iMi loottijd «:^<»storYiMi. Pet rus had no«j^ t^oxu^ znstor . liio, in 1714 «;<d>or«»n, «uuiiT was dan liijzoll*. (Vj^l. den j(rMK»aio*cis<dn'n staat d«*r taniilio 11 o i's tod e, Hijla<>:(>).
§2
Hofstede's verblijf aan de Aeademie te Groningen.
De Pseado-Studlosas.
liet lag voor de hand, dat de zestienjarige Petrus, die, gelijk dit met zeer vele predikantszonen in dien tijd het geval was, aan de theologische studie zich wijden zou, de Acade- mische lessen te. Groningen zou volgen. Den lOden September 1732 werd hij dan ook aldaar „gratis" als student in de philosophie ingeschreven onder het rectoraat van den bekenden Godgeleerde Anthonius Driessen, den slagvaardigen polc- micus, den warmen voorvechter der kerkelijke rechtzinnigheid. Het was niet onder bij uitstek gunstige omstandigheden, dat hij het studentenleven intrad.
liet wetenschappelijk peil aan de Hoogeschool te Groningen in de eerste helft der achttiende eeuw stond niet zeer hoog *). In de jaren, die de jeugdige Hofstede er doorbracht, was hut onderwijs in geschiedenis, logica, eloquentie, Grieksch en exegese des N. Testaments verdeeld tusschen de Hoog- lueraren Ross al en Offerhaus; de philosophie werd gedoceerd door den van on rechtzinnigheid verdachten ^) N. Engelhard, en door N.Tilburg, een' geleerde van bijbelsche overtuiging. Allicht heeft ook de beroemde jurist Barbeyrac,
*) Chr. Sepp Johannex Stitistra en zijn tijd, Keuo Bijdrage tot de (i^e^ohiedeni» der Kerk en School in do 18do eeuw. Amsterdam 1865, I, blz. 72.
») Dr. J. W. A. Jonckbloet Gedenkboek der Hoogeschool te Gro- tiinyen^ ter gelegenheid van haar vijfde halve eeiurfeeat, op last van den Senaat uitgegeven, Gi'oningen, 1864, 4" blz. 70.
wienö faam vele buitenlanders herwaarts trok, den student Hofstede inei»rmalen onder zijne toehoorders gehad.
Behalve Dr i essen waren I loogleeraren in de theologische faculteit: Otho Ver brugge, ,een verstandig en voorzichtig man"'), Voetiaan , Albertus Voget, in 173G vertrokken, behoorende „tot de mildere, vrijzinnigere Coccejanen" 2), Co r- n e 1 i s van (a) V e 1 z e n . , beslist Calvinist en zuiverheid in de leer op zeer hoogcn , misschien soms op wel wat te lioogen prijs stellende" '*), en eindelijk ,dc beroemde en veelwetende" *) Dan iel G er des, sedert het begin van 1736 als opvolger van Voget te Groningen werkzaam, een Godgeleerde, van wien getuigd is, dat hij gewoon was alles » onpartijdig" te toetsen aan de uitspraken der II. Sclirift "•).
Van deze mannen , die dus allesbehalve cén en hetzelfde standpunt innamen, moet Hofstede als student te Groningen onderwijs hebben genoten. Dat hij intusschen nog met iets anders dan met het genieten van onderwijs zich in dien tijd heeft beziggehouden , wijzen de Acta SrMiatus Academici aldaar uit. Tot viermaal toe vermelden deze zijn' naam in verband met ergerlijke baldadigheden ^''). Zou zijne toenmalige strijd-
') J. H. 1;'. ll(j(>rspiiik Ih UfHhfrUuulinni ni hnrc hrorfimnirn (uni de ffo(ff/t\sch(tol f e (h'ouintjvn ^ (/cdurcudr htf '^'tO-jariij h( staan dir Aka- dtmiv. Groningen 1JSH4. Kcrstc «^o(lo«^Uo, blz. U2.
-) Mem, blz. ïJ.i.
') l>r. S. ï). van Vmi Uif drie nairrn. Zrs Jahrfjaars-pttdicaticu^ f/ehoudrn door D a. ./. M a r f i h h s . /> /•. . i h ra h a in T r o tn m i a .s , /' r o f. C va)t Fcfztn, Ds. ^^. ('orstia.s^ J)s. M. A. Anisfiaff'fn Dr. S. D run Vren. Mtt ren aainniijsf van pvrdikanti n ff Gronlni/cn en korir ïcnnsurhdaen. (ironinjj:<'n 1SI>4, blz. 257. Dat v n 11 Vol zon a(.'htin<; on vri(?n(lst'Im[) toedroi;^ uiin J o lia n 11 os [\ u i's tedo, blijkt uit bet mvr waiir- «b'crcMui j;cdiolit, dat van zijne band uwdv aiditor do blz. *J' i^cMunMude lijk- rodo van Ds. M. Cock (a. w. blz. 41 — 44) is opjjfononion. Do ondürj*tellinjLj is zoker «;j?üürl(»ut'd , dat d«» gcnoomdo iloo^loeraar tmk mot INjt r u ^ II o f- }*todo, roedrt vóór deze student werd, van nabij zal zijn bekend j>:o woest.
*) Zoo noenid<? 11 of «t ede zelf later dezen zijn leenneest(.*r (/if/co/K/cr- heden orrr df Heiliije Schrift 1 , blz. 55).
5> A. Ypey Oeschiedctiis tan dr Kristiijkr Krrk in dr achttiendr vnnr. Agtöte Deel. Utreeht, 1807, blz. 170.
*) Den lUdeu blaart 17114 wordt Hofstede genoemd in verband met eene vechtpartij. Den 1'Ulen April 1735 in zake van mole^t en beschimping
vnardigheid eene profetie zijn geweest van hetgeen hem in zijn verder loven kenmerken zou ? In ieder geval selieen zij reeds in zijn' studententijd hem aangeboren. Maar nog op andere dan hand tas tel ij kc wijze openbaarde zij zieh toen. Wij denken hier aan liet geschrift, dat in een der jaren, waarin Hofstede student te Groningen was, anoniem, zelfs zonder opgave van jaartal en naam van den drukker, het licht zag onder den titel PseHih-Sfndiosiffi Hodternm . sivc Theoloyus (ïïronhujdnns Defcctui> cC* Bvfututus, Dat is: HcdandatKjficlto yaa/n'f((Kde)it of Groninfjcr Godsfjclecnh' ontdt'kt en iroderfcf/f. Door R, L, O, R. H, Snnciae Tlwohfjlae StHdiostaa, — Veler aandacht trok dit boekje tot zich; zoo druk werd het gelezen, dat het zelfs binnen zeer korten tijd op onwettige wijze te Amsterdam nagedrukt werd en in 1738 te Leeuwarden een .Tweede Efftc Druk^^ ervan verscheen, j,ri'rnivnrdert maf- een Vervohj vun renif/e Brieven en Gedichten , roor en ter/ens R, L. O. R, ^'. ^'. 7'. S, ()pi<teller der Naam- M uden t (/ei<clirecen ^ En met des Zelfs ]'rrdedigende Aanmerkingen en een Voorreden verrijkt,'^' — Er zijn drieërlei redenen, die ons nopen Hof- stede als den auteur van dit geruchtmakend boekje te noemen. Ten eerste het getuigenis van verschillende schrijvers uit vroegeren en lateren tijd. In de Kralingiana , een' bundel
\jni burjc^rs. l^i*n 27st<Mi Aju'il IT.'i.") wordt ]i ij ))cs(*huldi<;:d vnn hot \verp«Mi \un stHf^iicii lumr den ^vi^ilcm iKx^turiiuiir'. Kn op diHiizolt'den da«; klart;>;t oni zijner nifdestudonten ^ile injnria «^ihi facta p«'r 8tnd. ll(»fj»t(?de'\ Dezi? erkent hom tejj^en den i^rond »;e\v(»rpen, en jenever in het gezielit j,'e«lu\>d te hebhen, omdat hij hot v<'rzoeningrtborreltjo vau 11. niet wihle aeeepteeren. ..Studiosus Hofstede nurnivit «piod ipso (|uo<|ue projeeisset in terram Stud: Zyphart; Quod vero attinet potum qui dioitnr jenever (junipori) in os /vphardi impactum, fatebatur t'ac^tuin, (piia ohlatum ipsi [Mjculum |)ueifieum, non sine eonvi(rio, reirusaverat ah Hofstedio aoci- pere*', etc , etc.
\u de zaak van den naelitwaoht werd If. veroordeeld tot zes weken hiiisurrest^ ^om ^eduirende ^em: ses Aveeken in het publijk niet te mogen versohijnen , 't zij over daj;, H zij bij nagt". De mishandeling >an den ritudeiit Zyphart borokkeudo hem ecno boete van G zilveren ducatouneii, binnen 8 dagen te voldoen. Beide vonnissen zijn d. d. .'> Maji 1735.
Bovenstaande mededeelingen dank ik den Heer Mr. C. P. Fj. Rutgers, commies-ehartermr. aan het Rijks-arohief to Groningen , alwaar zich de Acta Senatus Academici bevinden.
8
geschriften, waarin Hofstede zelf op eene of andere wijze waarschijnlijk de hand lieeft gehad, wordt niet onduidelijk op hem als auteur van den Psnulo'Sfudioms gezinspeeld > ). Een zijner tegenstanders belooft later zich ook tot „de Gro- nlngcr Naamsf uden ten" te zullen wenden om een en ander aangaande Hofstede's levensgeschiedenis te vernemen^). In een tamelijk bekend schotschrift, getiteld T^oor Petrus Hofstede^) wordt ook onomwonden het auteurschap van den Pseudo'StHdiosuü aan Hofstede toegekend. De populaire Dr. Jan Sc harp, die dezen later zeer van nabij gekend heeft en met liem bevriend is geweest, noemt hem in eene hulde, aan zijne nagedachtenis gebracht: „van de jeugd af een vijand van alle Naamstudenteu'* *). Voorts spreekt ook de Utrechtsche Hoogleeraar Saxe het vermoeden uit, dat Hofstede de auteur van den Pseudo-StHduKSHs zal geweest zijn '). De kerkhisto- ricus Chr. Sepp verwijst in het exemplaar van den tweeden druk, uit zijne bibliotlieek afkomstig^'), naar de bedoelde woorden van Saxe, die liij uit(h'ukkel[jk vermeldt als volgens zijne meening „zeer gepast'' , op grond daarvan, dat Hofstede,
') Vj^l. liot iii 17ÖH vcrsrlHMien , Airtr^to Ho<'k" dor A'/v/Z/^/Z/V'^/a, biz. 71 : Th. van «lor (iiM)e, predikuiit (o Kraliiii^oii, om wipii:^ puloitiick met II o f- «todc zU'h hier Jilles howee^'t, wiirdt op s|Mjttond<^ wijze voorgesteld als het hoofd i;einM' gefingeerde Sociëteit, dir nnn Proponenten en I*rcdi- kanten Ner^idiillendr „dilhi'ile Vraai^stukk^n" (Idz. <>!•) ter heantwoordin;^^ voorIej;(i;en zou. Voor de ,, Kamer v.ni Gronin;»<'n' — (de Soeiëteit is in Cladsen of KamiM's v<Mdeeld) — zou voor het eerste hall jaar do vraag luiden: „Of er hoop van behoudenis is voor den sehrjjver van den ^/;v*- m'nffcr Nttatufffftdenf .^"
*) V;^l. Auti-eii-Aim Vrrnit in nu Jirivf rnti I'rortsiofutlt' Doiikziff- f/in'J 't (HUI ff en Ifnr linufrajihus Hontn'fn'lus Tr Uottmlain , (itsvJirei-rnt fioor den Nvef\ run dm Vronnn'n , Ij'n'ziunrn (n (idtrfiirn Lnthrrarhni Koster in ^if-GrannJuKjc. Amótt^rdiim , MDCCLXXXl, bl/. l»0. Ook blz. 1.") van dit tegen H. geriehte werkje (waarover later in<'er) vindt men eene toespeling op den Psewfo-Stndiosu.s.
^) MIX.'CIjXXXVI, blz. 5, G. ..Volgens allo waaraohijnlijkheid" — wordt er aan toegevoegd.
*) Zie den Bnndvf ran [jijk'<re::onyvn, in 1804 bjj gelegenheid van llofstede's overlijden uitgegeven door Seharp, Voorrede, V. Xll.
•\) Onomastic'on Literarium . . . Traj. nd Rhen. 1770 -1803, VII F, 330.
•■') Het bevindt zich thans in de Stadsbibliotheek te Rotterdam.
.zoowel te Groningen ala te Franeker gestudeerd hebbende, over beide academiën een oordeel kon uitbrengen " Elders geeft Sepp den raad de uitspraak van Sax e in deze „maar zonder aarzelen'' ') over te nemen. Een tweede grond voor onze bewering, die aan den eersten nog kracht bijzet, is, dat Hofstede zelf — ook al heeft hij het nooit in het publiek beaamd — toch ook nergens ontkent, dat de J^'ieudo'Studiosus van zijne hand is, en dat, terwijl hij toch steeds vaardig genoeg zich betoonde , om valsche geruchten , vooral omtrent zichzelf, tegen te spreken.
Er bestaan echter nevens de genoemde, ook nog inucmlli/c gronden, die op Hofstede als schrijver van het bedoelde werkje wijzen. Tot in alle bijzonderheden zijn deze iii verband ook met den tijd , waarin de eerste druk versciieen , destijds uiteengezet door ü r. S. D. van Veen ^) in eene verhandeling over het geschrift in verband met de Theologische studie te Groningen in de eerste helft der achttiende eeuw. Allereerst wordt daarin de niO(jeliJh'heid van Ilofstede's auteurschap aangetoond. De opmerking wordt dan gemaakt, dat de aan- wijzingen , die in den Psendü-SfifdiotuKs omtrent den schrijver voorkomen, uitnemend van toepassing zijn op Hofstede.
') Jvfmnncs Sfinstrn rn zijn fijify I, blz. lOH. Kr is daii i)uk oinlor ^U; tt}^vn\\{n)rd\'^\3 historit'-nchrijvors iiifMiitind, dio lu^t bovciistaniido iiittlnikkcljjk t(';;cMi.spri'ekt. Zeil':* in popiiljiiro j;o.s»*liriiH'ii \aii d«'zeu tijd scliijnt liot als ctMi hckoinl feit t«» Würden aaii;^<*nom(Mi , dat het Hnonicim» wrrkjo: ^Hedifudaa^^scliG Ntuimstudent ' Hofstode tot hchrijvcr hi'ot't. ( Iv'ii voorbocld liii-rvaii I(?vort \\vi ^Zondagsblad van Do Ainstordammcr , l.)a«;blad voor Nederland''; 10 Xov«?niber IHll."», blz. 'MH. Zio ook Dr. J. van Vlot«?n in „D(» Levensbode", I II, blz. .'»*J*2. - In een i^xemplaar van «Ion INendo-Srudiosns. dat mij op onf^ozoelitt? wijze in handi'ii kwaiu, on dat blijkens eene aanteekonin»^ op een der eerste bladzijden af kuinstij^ is uit de iiiblioth«.'ek van Ds. M IJost^b, ucditer \n iens naam het jaartal ITïSO j^evoegd is, vond ik op het titelblad, waarsehijnlijk van de hand van dienzelfden Ds. IJ. vermeld, dat de sehrijver van het werk is Petrus lïofste<le -f 18U.'i. - Zoo zou er meer zijn to uocmon.
*) fffs or*'r lic sftuh'e dtr Theolofjie te (innnmjf'ii in de eerste helft der nchftirnde eemc^ blz. 244--240. Dit opstel is to vinden in ^Historische Avondnn. Bundel, uitgejjeven door het Ifistorisch Genootschap te Oroninj^en , ter j^elej^enheid van zijn tienjarig bestaan.' Groniugen, 18y6, blz. 24:J— 264.
10
Betuigt toch de auteur bij herhaliog student ')t^ zijn, heet het, dat liij zijne ^Academinclui sfudië)) nog lange niet ton einde gebracht hebbe'' ^), zegt hij: «Grage wilde ik de gunst der Groningers ^ by wieu ik tot nog toe altyd met genoegen het eelste van inyn jeugt versleten hebbe, behouden" *) — al deze gezegden kunnen gevloeid zijn uit Ilofstede's pen. En zoo voegt ook de herinnering aan de „Zamenspraakeu'' *), die liem dikwijls met de Professoren te Groningen gegund waren, zeer goed in den mond van Hofstede, die door zijn' vader in de gelegenheid was geweest met de Hooggeleerde Heeren aldaar in aanraking te komen ^),
Bovendien treffen wij merkbare overeenkomst aan tussclien stijl en geest van den Pseiffto'SfHdio.vfs en die van latere geschriften, welke Hofstede tot auteur hebben. In het bijzonder bespeuren wij die overeenkomst tusschen den bestraflfer der Naamst uden ten en den schrijver van Ilcf Loren vin dm ivijd vermaarden Janus Vlegelins^ meer dan veertig jaren daarna anoniem , maar ongetwijfeld van H o f s t e d e 's hand , verschenen.
Zoo wordt de mogelijkheid van zijn auteurschap traarschijn- Hjk'heid , en deze komt, wanneer wij daarbij de te voren genoemde uitwendige gronden in aanmerking nemen , de zeker- heid zeer nabij. Een en ander doet ons dan ook do zeker niet al te gewaagde stelling uitspreken: alles pleit er voor, dat mon niemand anders dan Hofstede voor den schrijver van den Pscndo Studiosus te houden heeft. — Het werk moet dan geschreven zijn, gelijk door Dr. S. Ü. van Veen met
M Zio liijv. blz. 8. — \h* niniliu]iM;^('n j;rsclii(Mh'n f\m)v uiij iinar r.vn pxcmpluar vau den 2dïMi druk, duf mijn oi^^iMKiuui is. Deze Üde «iruk mo^o do sporou drugen van oonip; wijzij^in;^, (iii) \eranili'rinj;en zijn van «joen ingrijpend gewicht, en doen aan de hoofdzaak niet3 af.
') blz. ».
') VervoJy^ blz. 170, 171.
*) blz 14H.
*) Ygl. hiervóór blz. 3.
11
aanvoering van allerlei bijkomende omstandigheden aangetoond is '), in hot begin van 1737.
De inhoud^ die, — wat de hoofdzaken betreft — nog altijd als een niet verwerpelijke bron mag beschouwd worden voor de kennis der theologische studie te Groningen in dieu tijd , is gericht tegen de toenmaals maar al te groote schare van Academieburgers, die, nalatig in de beoefening der wetenschap , slechts céu doel voor oogen hadden : zoo spoedig mogelijk tot het predikambt te geraken. Werd dit laatste voorheen in de grootste eere gehouden, en gevoelde men toen over 't alge- meen het gewicht dier heerlijke bediening , thans achtten de mecsten er zich wèl toe bekwaam: „Een Smit de mooker , een Snyder do schare, en een Knoopemaker de naaide te swaar vallende, dreigt aanstonds de Geleerde Werelt om Predikant te willen worden, en wort van het onwetende graauw met blydschap aangenomen. Een Landbouwer zyn bier niet naa genoegen kennende uitzetten, verlaat zyn vrouw en kin deren en loopt met een dolle kop na de Academy, om daar zyn geluk te beproeven. Een Paruikemakersjongen , met zyn Baas verschil krygende , smy t de doos ter neer , en laat zyn naam by de Rector Maynificus intekenen , hoopende zoo hy zyn zugt tot de letteren slegts te kennen geeft, wel haast een eerlyk onderhoud te zullen genieten, en wort dus doende, schoon hy alzo wel tot de wetemchappen bequaam is ^ als rfc vos tot de ploeg , om met den Groten Ouen te spreken , in de order der Godgewyde jongelingen aangenoomen'* ^). Dat uu van zulke Naamstudenten de straten van Groningen wemelden, en dat daartegen niet door meer gezaghebbende mannen was gewaar- schuwd, gaf den schrijver aanleiding zijne stem te verheffen. Daartoe wil hij nu den Pseudo-Studiosi de gelegenheid schenken zich te spiegelen aan het beeld van den theologischen ideaal- student, gelijk hij zich dat voorstelt. De eischen, waaraan
') t. a. p. blz. 24«— 248. ') blz. 7.
12
zulk een beantwoorden moet, worden achtereenvolgens genoemd.
I. Het eerste vereisebte voor een aanstaand predikant is — om met bet natuurlijke te beginnen — gezondbeid en lichaams- kiacbt. Eu voldoen nu de meesten der studenten daaraan? «O Xcen! zy koomcn met een stram en afgebeezigt ligchaara , daar ze bet boste van bunne levenszappen in den Akkerbouw, of andere zwaare bezigbeeden verteert bebbeu , al knuggende en steenende op onze Acadetnie , om bet slegtste van bun leevon , daar ze bet beste in wereldscbe, en aardscbe zaaken verquist bobben, in den dienst Gods te besteeden'' '). Aan voorbeel- den geen gebrek. ,Wie koomt by Monsjritr BramiifiHs, en boort niet dat zyn borst gorgelt als een orgelpyp. Wie beeft ooit Mo7fsJein' (.\tuisif(}< gezien, zonder met een gedagt te bobben, dat by bet wegens zyn swakke ligcbaams gestalte, en vervallen weezen , volgens den loop der natuure niet langer dan vier jaaren goed zal konuen maaken. Wie ziel MoHs/air Datjobert langs de straaten scbuiven, en gelooft niet, dat by wegens zyn pynelyke trony, en eeltige leden eeuwig met winden , en jicbt (Podagra is te veel voor een man van dat cbaraeter) gekwelt is" ^).
II. Een aanstaand predikant mag niet mismaakt zijn en geen in bet oog loopende gebreken bobben aan lendenen of oogen , opdat zijne boorders daardoor geen aanstoot aan bem nemen Reeds de ceremoniëele wet onder bet O. Testament ') schreef immers voor , dat een bedienaar des altaars vrij moest zijn van alle uiterlijk gebrek. De zedelijke beteekenis van deze wet is van kraobt gebleven onder de N. Bedeeling. Eu boe staat bet nu in dit opziciit met de tiieologiscbe studenten te Groningen? ,Met scbynt, of de alderonreinste tegenwoordig md voordayt^ om de Godsdienst belaggelyk te maken, tot de Predikdienst gesebikt worden: Wie kan de verlopene Landman
O blz. 12, 13.
■) blz. 13.
») Lovit. -Jl : 17—22.
13
EuhulfiSj zonder dat hem zyne oogeii vau traanen overloopen, aanschouwen? Wie derft zyn gezigt op de belapte Paruiken- maker Monoculns zonder schrik, en walginge vesten: jaa wie slaat zyn oogen op Mo)isr, Govaart en sweert niet, dat hy alle morgen (schoon ik geloove dat een puttertjen hem van de voeten zoude konnen drenken) ten minsten een half-pintjo Janever-water ruïneert, geevende zijn mismaakte, en roodo trony daar toe niet weinig aanleidinge: Wie koomt de Oost- vriesche Crates te gemocte, en verheelt zich niet een Savoijer met een kykkast op den rugge te zien spanceeren, en Motisr. iVofistei'us zonder aan het Stradavids-mannetie , dat zich hier onlangs voor een stuyver op een kinder-tafeltje vertoonde, te gedenken'' '). Overbodig is het niet, dat de schrijver er nog aan toevoegt met deze lichaamsgebreken niet te spotten.
III. Een derde vereischte: hij moet een lieflijke, ten minste cene heldere , zuivere en verstaanbare uitspraak hebben. Zoo toch worden de \vaarheden, die liij te prediken lioeft, aantrekkelijk gemaakt, en de toehoorders liditer gewonnen. Reeds in de oudheid hebben heidensche en christelijke rode- naars daardoor groote kracht geoefend.
Wat is daarvan nu bij de Naamstudenten te vinden? Wat bevalligs is er bij hen op dit punt? „Voorwaar minder als in het balken van een Woudezel , of collen van een Maartsche kater. Veele en wel de meeste hebben zulk een holle , en wreede uit- spraak, dat een Blinde eerder gelooven zoude een Raave te hooren babbelen , dan een mensch , die Predikant denkt te worden , te hooren redekavelen : Ja zommige spreken zo onbeschoft , en plomp, dat het mij niet verwonderen zoude, indien de Jongens 'er malkander om plukhaairden , of hun taal meer na 't Hottentots dan na het Molqueerent^ was sweemende. Ik wil te minsten wel bekennen, dat het my dikwyls zoo onmogelyk is Monsr, /v . ... te konnen verstaan , voorna- mentlyk als hy van Vrmten on lUuuwn spreekt, als het my
V blz. 14.
14
onmogelijk scliynt hom ooit van zyn verwaanthoid te konncn geueezen'' '). Anderen weer stamelen zoodanig, dat zij nauwe- lijks in 15 minuten een zin van even zoovele woorden kunnen uitbrengen.
IV. Voorts dient hij van „een grootmoodigen , en eoura- sieusen inborst"') te zijn. ,, Grootmoedig", om zijne waar- digheid niet voor anderen bespottelijk te maken; .eourasieus", om de vijanden van God on de Kerk te woderstaan. Na historische voorbeelden van een dergelijken moed , die geen oogendienst kent, te hebben opgenoemd, richt de schrijver den blik wederom op zijne omgeving. Hoe kan men die edel- moedigheid verwachten van een menach, „die geen regt denk- beelt van de waardigheid en voortreflfelykheid zyner bedieninge heeft, die 40 jaren niets anders gedaan heeft, als in de mest te wroeten, of gelyk een Ezel de pakken na de moolen to dragen P" •'*) Hoe die „courasieusheid'' van iemand, „die van kindtsbeen af gewoon is geweest, op 't wenken van zyn Jonker^ die hy voor het grootste Creatuur der weerelt houdt, to zidderen en te beeven, of dagelyks van zyn iaas met do rotting en bollepees op een slaafagtige wyze behandelt te worden'' *). Ongetwijfeld bestond er aanleiding, om op dit gevaar te wijzen. Een staaltje : Zekere Heer H e r a 1 d u s , wien op een academisch college de vraag werd gesteld, hoe hij, zoo onkun- dig in Westersche en Oostersche talen en andere wetenschappen , nog hoop op een beroep durfde koesteren, gaf, «na zig eerst met een knoopemakers swier , volgens zyn gewoonte , eens om de kinne gewreven U) hebben,'' lachend ten antwoord: fillol Ho! is het anders niet, onze Heer ^) zeide tegens my, „toen ik na do Hoogeschoole ging, dat, als ik my maar van
*) blz. 1(5. •) blz. 18. 8) blz. 21. *) blz. 22. '} Bedoeld is zyn ^Dorpsschout" of „Amptman*'.
1
K
„(Ie fymelaars afhield, en naa zyn genoegen wilde prediken, „liy my wel ccn plaatse zoude verschaffen, (»n daar zal ik wel oppassen'' '),
V. Ook een levendige verbeeldingskracht, een schrander oordeel en een vast geheugen moeten hem eigen zijn. Het laatste, om zonder stotteren een uur lang eone predikatie te kunnen reciteeren. Verbeeldingskracht mag hier allerminst met inbeelding verward worden, »eene der gevaarlijkste Zantplaten, waarop de Academische Jeugt kan vervallen" ^). Treurige voor- beelden van gebrek aan verbeeldingskradit en oordeel worden bij- gebracht. Hecht men aan Oirrde(*lrti hier evenwel de beteekenis van iudicare^ het beoordeelen van anderen , dan is daaraan onder do Naamstudenten geen gebrek. Hoort lien toch in dien zin oordeelen: „Dir gaaf hrii al t^' los (het is de Heer Silriufi^ die zoo styf niet gaat, als een Brouwers Knegt, wiens zeenuwen en peezen , door de uitwazingen der draf zyn opgekrompen). Die zit de hoed if. dwars op U hoof f (het is myn Heer Hermes ^ die altyd Engelsche hoeden draagt, die een slagje fynder zyn als de zulke, die de Boeren van de omswervende Israëliten, voor een rotter igen appel koopen). Die zyn klederen zyn te wilt (zy meenen 'er myn vriend Edelhart meede, want hy draagt nooit een brune rok met geele opslagen , gelyk in Ooatvriesland , zoo als ik zie, tegcnswoordig de moode is). Die zyn schoenen zyn te dun (het is de Heer Koyier ^ die *er nooit spykers in heeft, gelyk Monsr, Rysterkyk ^ die zojuist niet uit menage, maar om dus te vaster en met minder go- vaar de gladde Groninger straaten^ die hy niet gewent is, te konnen gebruiken). Die zyn gespen zyn /^ ^^roo/ , (zy hebben 'er myn Heer OlivifW meede in 'toog, die niet resolveeren kan, zyn schoenen met riemen te strikken, gelyk Monsr, RusticHs in 't eerste plagte te doen, misschien omdat hy toen nitït lykdorens gequelt was). En men maakt uit dit alles
») biz 22, 23. ») blz. 23.
16 -
een false sluitrcoden : Het zyii Weercltlingen die in de weelde verzoopcn leggen'' ^ ).
Nu moge het waar zyn , dat er over 't algemeen nog wel blyken van een goed geheugen gevonden worden, wat is ge- heugen zonder oordeel? „E(^n Ilorologie, dat eene van zyn voornaamste raadcn ontbeert" ^ ).
VI. Hij moet nederig en vredelievend zijn Wat het eerste betreft, de titel van „myn Heer"' mnakt de Pseudo-Studiosi zoo met zichzelf ingenomen , dat zij schier niemand meer ken- nen. ^Monsr, Hoovaart^ die voor twee jaaren met liet hoed jen onder de armen een elle laaken verkogt, ziet nu met veragtingo de geheele Weerelt aan , en verwondert zig zei ven over zyn groot geluk, en toekoomondo Heerlyklieid. zig niet verweerdi- gende ymant t<3 groeten , of aan te zien , die zig niet alvoo- rens vernedert zyn Majesteit met deeze batze woorden aan te spreken: Salre Doinine lïonmrt S. S. Theohf/iar Sfurliosf : /l/f (jpf/roef myn llrrr I Invaart Sfffdmt in de llrilit/fi (rotif/r.' h'erdhruV' ^). Wat de vredelievendheid aangaat, lioe kan iemand zulk eene gezindheid koesteren jegens vreemden, die -er jegens zijne naaste omgeving geen blijk van geeft? „Die zyn Wyf daags eenmaal wat eeten geeft, en driemaal met een eiken stok exerceert, gelyk laast genoemde persoon *), als liy te huis is, gewoonlyk in plaats van een wandelinge naa den eeten doet, kan die wel een Gemeente lief hebben?" •''*).
VII. Eindelijk moet een predikant „Godvrugtig, en een waaragtig Christen zyn" ^). Is dit niet liet geval , dan baat al het andere niets. En lio(» stant het nu np dit punt met de
^) blz. 31.
*) blz. H2.
*) Dodoold \A zokiM'o Jhtf/obfif ^ <li«» vr zoo „wroi^l on tooriiij^'' iiitzi(>t. ^(lut \?r roii Kiddor van Maltliu \a?i loop»>ii zon«li' i,Mjin , en »»<mi linfJant vun zou«lo trillon, indien liy hom onvor\vaj»:t qu:im te ontuioetcn" (blz. 32, 113).
-) blz. 33.
') Idem.
17
Groningsche toekomstige predikanten? Het is mogelijk, „dat 'er eenige onder deeze menschen zyn , die waarlyk den Heere in opregtigheid des herten vreezen , en ook moogelyk deel aan zyn kruis-dood en opstandinge hebben", de schrijver kent echter ook anderen: »Qui Curios simulant, & Bacchanalia vi- vunt", die wèl 's Zondags driemaal ter kerk komen , „onder „schyn van indruk en demoedigheid", maar «dikwyls, wanneer ze in hunne binnekameren zyn, lagchen en spotten met die eenvoudige menschen, (zo als zy ze noemen) die stigtinge en opwekkinge uit een Predikatie meenen te haaien" >).
Na de opsomming der vereischten voor het predikambt, volgt de uiteenzetting van wat een aanstaand theoloog te weten en te doen heeft, eer hij de Godgeleerde loopbaan betreedt, en van de wijze, waarop hij zich dan verder te gedragen heeft.
Het eerste, wat hij te doen heeft, is voorzeker zichzelf te onderzoeken of hij tegen het gewicht van het ambt is opge- wassen. Is dat niet het geval , dan zie hij terstond er van af.
Maar ook hij spore in eigen hart nauwkeurig op, „wat hemeigentlyk wel doet begeeren een Nazireer Gods te worden" 2). En nu meent de schrijver te weten, dat bij de Naamstu- denten bedoelingen van stoflfelijken aard op den voorgrond staan. »Wat bewoog de Zoon van Vu Ic anus dog anders zyn beroep te laten vaaren, en Predikant te gaan worden, als omdat zyn Beminde liever Juffrouw genaamt, en van oen Meid wilde opgepast worden, als ten kosten van hare vingers langer Bonnetten te maken, welk oogmerk zy ook bereikt heeft: Want de man heeft het reets door gedurig loepen en draven (in compagnie nogtans van zyn Wyf) zo ver gebragt, dat hy (schoon hy niet een eenig woord buiten zyn Moeder- taal, om nu van andere wetenschappen niet te spreken, verstaat) tot groot genoegen van verscheidene Inwoonders
») blz. 35. ■) blz. 40.
18
dezer plaatze, tot Predikant in oen Dorpje, onder do inuuren van dozo stad j^elegen, geroepen ia, da.ar hy zulk een op- gang maakt door zyn gestoolcne I^rodikatien , dat zommige zig niet ontzien te zeggen , dat het te wonschen was , dat allo Predikanten in (rrouinffm zulke wakkere mannen waaren" '). Na nog andere voorbeelden in dien geest aangehaald te hebben, vraagt do schrijver: »Wat bewoog die gantscho trein van Helden, die reets op ons Toneel veracheenen zyn, dog anders op deeze Acadomy te koomen , als omdat de eeue het Parui- kenmaken, wegens zyn schranderheid niet loeren konde, de andere omdat hy wegens zyn slegte konst , niet tot de woer- digheid van Knopomakers Haas konde worden verhoeven j de dorde omdat hy, schoon hy reets eenige jaaren onder de Lappedioven verkeert haddo, nog niet in staat was, om oen Kinder-onderrokje te maken?'' ^)
Het derde , dat hij te doen heeft , is te bedenken of zijne geboorte ook zoo gering zij , dat men er later aanstoot aan zou kunnen nemen, on of hij de toereikende middelen bezit, om zonder overhaasting zijne academische studiën ten einde te brengen. Mist hij die „ronde Gooden, op wiens altaaren in deeze tegenwoordige weerolt nagt en dag gerookt word" '), dan moet hij veel , dat hem noodig is bij zijne opleiding tot predikant, ontberen. Kn daarom ia het noodzakelijk vooraf te berekenen, of men behoorlijk studeeren kan. Had Monsr. Monoculus dit gedaan, „hy zoude met die gescheurde on gevlekte rok, die een edelmoedig Bedelaar misscliien nog wel eens zou doen bloozen , zo onbeschaamt niet in de lessen der Hoogleeraaren zyn verschenen , on by fatsoenelyke menschen zyn gekomen : Want zyn hoed gelykt eerder na die van een Paruikmakera Jongen, dan na die van een Student in de H. Qodgeloertheid : zyn kouzen zyn zo doorlugtig als ingeslaageno
') hlz. 42, 4'A, ») blz. 4r>. •) blz. 48.
19
vensterruiten ; zyn selioenon zo liol , en van oen geborsten als een hondert jaarigo Wilgebooni ; zyn hembden zo nikkcrswart als of ze in de helle gcwasschen, en van de Dogters van Donoë gestyfd waaren; zyn broek zo gapende, als een douzyn Boeren, die peerdoboonen eetcn. Kortom, indien gy by dit alles een lange verroeste decgen (daar zyn Grootvader, als Corporaal van een troep Ratelbeercn , de Bisschop van Munster in 't jaar 1672 meede te gemoeto trok) voegt, zult ge u uw ligtelyk een Spaansehen Avanturier, of gelukzoeker konnen verbeelden" '). En aan zulk een moet dan die uit- muntende bediening toevertrouwd worden! Zoo ver heeft hij het intussehen met groote moeite gebracht, dat zijn bibliotheek in anderhalf jaar „reets vcrscheide voortreff'elyke werken" bevat, ,als een half vp.rsleeien Tiudimenta; Comeni Javua Linguarum; een Boekzaal van liabus met een plaafjen daar voor; CaU Pln/llis en Anna; Marlii Synopm Analytka; een Postrijder van 't jaar 1714^ en een Cantoor Ahnanach van Geert Shnem^ met vier uitgeleezene Dissertaties over verscheidt stoffen^'' ^), Edoch „een regt Student*' moot aan boeken „ten minsten 'sjaarlyks de prys van 100 guld." ') bestedon.
Hetgeen een student in de Godgeleerdheid te weten hooft, is — om de eigenlijke theologische wetenschap voorloopig te laten rusten — : grondige kennis van het Latijn. Daarmede is het bij de hoeren treurig gesteld. Zij schijnen die kennis voor zich niet noodig te achten. Mo nsr. Eigenwijs bijvoor- beeld maakte de volgende aanteekening onder zeker collogo: „lUa divisie non est commoda necessaria & utila" ; en bij eeno andere gelegenheid: „lUa est praestantissimus libor, dixit Professor N.N." Ondeugend wordt er aan toegevoegd : „Do Man schijnt bijzonder voel van hot Foemininnm genus to houden" ♦).
•) blz. 49, 00.
«) blz 50.
*) blz. 4«.
*) blz. 55.
20
Naast het Latijn dient liet Griekscli te worden gekend. De theoloog, die niet op de hoogte is van de taal, waarin een groot gedeelte der Heilige Schriften gesteld is, staat machte- loos tegenover dwaling en ketterij.
Met de kennis dezer talen dan gewapend, trede hij de Academische loopbaan binnen , die vervolgens beschreven wordt.
In het eerste jaar bekwame de pas aangekomen student zich in het Latijn en Grieksch , leze hij de Kerkvaders — om van nuttige Heidensche auteurs te zwijgen ; tevens leere hij het Hebreeuwsch, en is hij dat eenmaal machtig, het Chal- deouwsch , — het Syrisch , Arabisch en andere talen nu daar- gelaten. IToe is het in de werkelijkheid ? De konnis van hot Hebreeuwsch , hoe noodzakelijk ook , staat onder de Pseudo- studiosi op zoo lagen trap, dat er niet één is, die niet, wan- neer hij van de Kametz en Atnach hoort gewagen, in plaats van aan een vocaal , aan een of ander dier uit Arabië , en wanneer hij van een Accent verneemt , aan een vijgeboom in W -Indië denkt. Maar , hoe worden do zoodanigen dan tot het predikambt toegelaten ? zou men kunnen vragen. Het antwoord moet dan luiden 1^^ dat er classes zijn, waarin met de wet op de toelating tot dat ambt de hand wordt gelicht, 2^ dat do Naamstudenten „hondert valsheden, om haare Examinatorfiff of Ondervraagers te bedotten , weeten uit te vinden , en mot succes in 't werk te stellen" *).
Is alzoo het eerste jaar aan do studie der benoodigde talen gewijd, in het tweede komt de Logica aan de orde. Maar «onze Helden" achten ook de Logica onnut en weten er niets van. Zekere Monsr Madock richtte tot een zijner medestudenten de vraag, waar hij vandaan kwam, en toen hij ten antwoord kreeg: ^Uit de Lo(/ica''\ repliceerde hij ter- stond: »Heb-je een Lot gekreegen?" ')
Naast de Logica moeten in het tweede jaar de Orieksche
») blz. H7. ») blz. 73.
21
en Romeinschc Antiquiteiten en de Algemoene Geschiedenis worden onder handen genomen. Een vrij breedvoerig pleidooi levert de schrijver, om de beoefening dier wetenschappen voor theologen aan te bevelen en te behoeden voor de aanvallen , die hij van de zijde der Naamstudenten tegen haar onderstelt. In het derde jaar wacht allereerst de Physica^ „als het eerste gedeelte der beschouwende Philosophie", die «ons niet alleenlyk tot in de verborgenste vertrekken en geheimste schuilhoeken der Natuure leid, maar ook Gods verbaazende Wysheid en Almagt in de geschaapene Schepzelen doet blinken en glooren'' >). De „Bastaart-studenten'' nu volgen wel voor een deel de Philosophische lessen , doch zij missen philoso- phischen zin. Een sprekend voorbeeld wijst het uit. «Onlangs" — zoo verklaart de schrijver ') — ,in de lessen van een zeeker Hoogleeraar zittende, hoorde ik, voor en al eer de Professor nog gekomen was, Monsr. Heraldus, rampzalig lid van deze rampzalige Sociëteit der Weetnieten, aldus op de vraage: Wat is de Fhilosophie? hem gedaan van een zeker nieuw aankomeling van de zelve order, antwoorden: ,De Philosophy „Kerel" (het zyn alle zyn eigen woorden, want ik hebbe ze «aanstonds opgetekent) «dat is een klugtig , en pleizierig ding , ,daar leert men donderen, en blixemen, en ys, sneeuw, „hagel en ik weet niet wat voor goed al meer maaken. Wy
„konnen door een ik kan het nu zo ras niet noemen,
,alderhande beesten doen sterven, jaa Jonge het gaat 'er „wonderlyk toe! De Professor laat ons alle morgen wat mooys „zien, gisteren liet hy houte kereltjes in een glas met water „danzen, en van daag wil hy ons leeren, hoe men menschen „door schieten kan met een roer, zonder dat het boldert , ook „schryft hy met inkt, die brand als vuur, en zo misselyk over „het papier runt, dat ik 'er menigmaal een schrik van op „myn leden hebbe gokreegen, en by my zelven gedagt, dat
') blz. 88. ') blz. 91, 92.
22
,hy zekerlyk een weinigje van de tuoverie moeste verstaan. „Jaa ik geloot' ook, dat liy 'er niet geheel vry vanisjSehoon ,liy het om de Drom . . . geen woort wil hebben. Hy zegt ons „wol, hoe dat hy alle deze dingen doet, maar hy praat 'er zo „wonderlyk in om, dat ik 'er althans, al zou ik ook barsten „geen woort van verstaan kan: Ook geloof ik niet, dat hy „het ons te rcgte wil leeren: Dog dat is niet met al, als ik ^hct maer zie, ben ik wel te vreden, enz."
De I'hysica worde gevolgd door de Tlwohgia naturalis ,of waaragtige Metaphysica als het tweede gedeelte der besehou- wende Philosophie" ' ).
Er rest vervolgens nog een wetenschap, waaraan men zich te wijden heeft, alvorens tot de eigenlijke studie der T'At'o/or/iV over te gaan, en die eene is de Ethica „of Zedekunde, als het voornjuimste gedeelte der daadelyke Philosophie" -). Maar ach, dermate wordt zij onder de Naarastudcn ten doodgezwegen, dat de schrijver verklaren kan, zelfs hot woord Ethica nog nooit van hunne lippen te hebben vernomen , ja , dat een der ] I oogleeraren , die zich met het onderwijs daarin zou belasten , hiermede niet aanvangen kon , omdat het getal belangstellenden al te gering was.
Zijn alzoo binnen het genoemde tijdsverloop , dat desnoods tot vier en vijf jaren zou kunnen worden uitgebreid , de propae- deutischc studiën afgeloopen, dan moet hij zich aanschaffen ,een Si/sfcnia Theoloyicum , of Godgeleert Zamenstel naa zyn genoegen , zonder door een belagchelyke partie-zugt gedreven te zyn" '). De Stelliye (lodffelccrdheul worde nu door hem bestudeerd, waarbij hij zich inspanne, ,om de zelve dit jaar in zyn hooft te brengen: Zo evenswcl dat hy. het geene hy in de voorige drie jaren geleert heeft , niet allcenlyk op gezette uuren, of alleen of met andere, wederom herhaale, maar ook
=) blz. !ib. •) blz. lOH.
23
het zelve liee langs hoe meer vergroote, en uitbreide" '). In datzelfde jaar heeft hij ook van de kerkgeschiedenis^, alsmede van de „Joodsche Outheden", zoo noodig tot recht verstand ook van veel in het N. Testament, zich op de hoogte te stellen. De onmisbare kennis der « Kerkelijke Geschiedenissen" laat bij de Naamstudenten schier alles te wenschen over. «Heraldus sweert by zyn swarte maanen, dat Augustus de eerste Christen Keizer geweest is" — terwijl hij , toen hem eenige pasgevondeu penningen uit do 13^10 eeuw getoond werden, ,zig ten hoogsten verwonderde, dat 'er toen al geit in de wereld was geweest". Monsr. Eigenwys, vernomen hebbende , dat eenige Godgeleerden op het Concilie van Trente het met Augustinus eens waren , vroeg : , of A u y ust in u s toen ook (Maar tegensicoordiy was yeueest ?*' ^ ) C 1 e o p h a s beweerde maar niet te kunnen gelooven, dat Co ns tan tij n de Groote op gevorderden leeftijd nog zou gedoopt zijn, „want", voegde hij er bij , ,wat menschen zouden hem wegens zyn swaarte te doop hebben konnen houden?" ') Niet minder fraai maakte het „de Oost-vriesche Xaalth' ridder \ die, toen hij hoorde van Ambrosius als bisschop van Milaan, en van Athanasius als bisschop van Alexandrië, vol verwondering uitriep: »Wel hoe is het moogelyk, zyn die Mannen ook al Paaps geweest, ik hebbe altyd gemeent, dat het goede Gere- formeerden waaren!"*) Wat de kennis der Joodsche Anti- quiteiten betreft, als proeve daarvan slechts het volgende: Monsr. Govaart, die nooit een ander huis dan dat van zijn „Land-jonker" gezien had, was zoo verwonderd bij het aan- schouwen van het huis van zeker aanzienlijk Heer, «dat hy als verslaagen over dcszelfs wonderlyke pragt, en glans, zig niet bedwingen konde uit te roepen: Waaragtig Salomons
») blz. lOt). ») blz. 110. ») blz. lil. *) Idem.
24
Tempel is by dit Kasteel maar een Verkenskot geweest*' *).
Al deze voorbeelden, lioe apocrief ook Bcliijneod, zijn zoo weinig niet de werkelijkheid in strijd, dat er buiten den schrijver „meer dan 50 eigenaardige Studenten gevonden worden , die in haar gewisse overtuigt zyn'', dat hij , „niet oen duim breed in 't verhalen dezer zeltzaamhoeden van de waar- heid geweken'^ is, ja dat hij al het bijgebrachte kan waar maken.
In het vijfde jaar wacht den student de l'heoloyia Elenc- tlca „of Wederleggende Godgcleertheid'* '). Om tot vaster over- tuiging te komen is het noodzakelijk , dat hij verschillende Iloogleeraren hoore, en hen allen hoogacht en waardeert. Daaraan ontbreekt echter nogal iets Terstond geeft men zich bij zijne komst aan de Academie voor oen Voetiaan of Coc- cejaan uit. „Die een Voetiaan is (te weeten die daar voor van zyn Vrienden of Ouders is verklaart) voegt zig aanstonds by zyn zoort-gelyken , en raast op de Covceanen , als een Ilannekc- maaijer op zyn makker, wanneer hy hem een duyt ontfutzelt heeft". En omgekeerd: ,Dic een Cocceaan is, te weten op zyn maniere, voegt zig by de zyno en noemt die geene, die hy voor meedebroederen moeste erkennen, den gantsehen dag niet anders, als Botmuilen, Weetnieten, Scheurmakers , Dikkoppen, geduurig sweerende dat een Cocceaan wel 10 Voatianen met huit en hair kan opvreeten , en wat diergelyke fraaiheden meer zyn'* ^), De wxderzijdsche beschimping gaat niet zelden alle perken te buiten. „Wanneer de wyn het bloed in de aderen begint hitzig te maaken, en de dampen naa de herzonen doet vliegen, neemt het treur-spel eerst te rcgte een begin , men telt schielyk de hoofden der gasten eens op, en die de meerderheid aan zyn zyde bevint, grypt den Kelk in de eene, en den Degen in de andere hand, schreeu-
') blz. IH». *) blz. 118. 3) blz. 121.
25
wcude als een verterende Viödamc, terwyl hy een douzyn vloeken van zyn tonge laat rollen:
VIVAT VOETIANISMUS, PEREAT CüCCEANISMUS, Of: VIVAT COCCEANISMUS , PEREAT VOETIANISMUS" »).
Zelfs tegen de Professoren richten zij zich in hunne drift: ,nien stuift als verwoede Medieaas naa buiten, en swindelt met meerder geschreeuw als een koppel jonge Kraaien, die voor de eerstemaal hun nest verlaten, naa de huizen der Iloogleeraren toe, daar men hen dan dit avont deuntje vereert: DE HEER N. MOET BOOVEN, DE HEER N. DAAR ONDER, EN DIE HET ANDERS MEENT, DIE SLA DE DONDER. En wat diergelyke janhaagels en ligt- misse spreukjes meer zyn, Heidenen'*, — laat staan Christenen, tot den dienst Gods afgezonderd — „ten eenemaal onbe- taamelyk" ^).
Het zesde jaar is gekomen. De student heeft daarin genoeg te doen met het Studium Propheticuiu , ,of het regte verband der Vrophethche Schriften , om nu van EiMematische en Exc- getische Collegiën niet te spreken" ^).
De Naamstudenten echter, wel verre van eenigo belang- stelling in de bestudeeriug er van te betoonen, doen „of de Prophetkn niet meer tot den Bybel behooren , maer alleenlyk uit de herzenen van Coccejus gevloeit zyn; want die slegts van andere Propheiien^ dan die gemenelyk op de Kinderen Israelü, en derzelver gevallen onder het O. Testament^ en op de Messiüiü onder het X. Testament haar gezigt hebben gewag maakt, wort alhier als een narre, en groene nieuweling uit- gekreeten. De Voorzeggingen, die haar opzigt op de daagen des N, Testaments hebben, zyn al in de eerste Eeuwen ver- vult (ten minsten volgens de gedagten van Mons. Robbauus) en by gevolge hebben wy met geen Prophetien meer te doen :
') blz. 124, 125. ') blz. 125. ') blz. 12».
26
Zo rodcneerou deze Rotganzen, die men liever in een Dolhuis, dan op den Predik-stoel behoorde te phikken'' ').
In het zevende jaar heeft de student, zonder daarom het reeds geleerde te verwaarloozen , zich geheel en al op den Mefhodus Conrionandi ^ , of order van preken'* *), toe te leggen. Daartoe ocfene hij zich vaak onder het gehoor van zijne Hoog- leeraren, en nog vaker onder dat zijner goede vrienden. Werd deze vermaning meer in toepassing gebracht, er zou van den kansel heelwat anders vernomen worden dan in den togen- woordigen tijd. ,Deze schreeuwt als een meerkat, of brult als een misdadiger in de bul van Phalaris. Geene piept als een muisjen van 6 daagen, of teemt onverdraagelyker als een kraamvrouw , die met haar eerstgeboren zoontje speelt : Die maakt 'er een doodelyke zonde van , zyn oogen slegts eenmaal in een geheele predicatic te openen : En deze kreunt 'er zig niet aan, al laat hy ze zelfs onder het gebed do geheele kerke doorswieren : Die is van gedagten , dat God ons de handen niet gegeven heeft om ze op den predikstoel te ge- bruiken: En deze wederom van een ander gevoelen zynde, swaait 'er meede als een Westphaalsche Gras-jonker met zyn sclierp-snydende zeissen doet, wanneer hy voor de eerstemaal van 't jaar in 't weelderig Hollands Klaver-groen treed" '). De Pseudo-studiosi wilden reeds in hun eerste studiejaar prediken , opdat hun verblijf aan de Academie toch maar hoogstens twee jaren zou duren. Daartegenover legt de schrijver er nadruk op, dat het getal van zeven jaren het allerminste mag zijn voor den studententijd van een aanstaand predikant. Bij bezit van daarvoor toereikende middelen mogen er vrij nog een paar jaren aan toegevoegd worden. Het verdient zelfs aanbeveling, dat men, op zestien- of zeventicujarigen leeftijd aan de Aca- demie verschenen, haar op acht-en-twintigjarigen leeftijd verlaat.
») blz. 134, 135. *'') blz. 136. ») blz. 137.
t,
27
De laatste drie of vier jaren kun de student dan gebruiken , om met de Duitschc , Engelsche en Zwitöorsche Godgeleerden zich vertrouwd te maken. Heeft hij eenmaal de Academie verlaten , dan bedenke hij , „dat nu eerst de regte tyd voor hem gebooren is, om , naa allengskens het School-stof van zyn voeten ge- schud te hebben, verstandig te studeeren" '). Is het alzoo volgens den schrijver onrechtmatig , dat de Naamstudenten tot den kansel worden toegelaten ^ hij houdt het er dan ook voor, dat degenen, die hen bevorderen, niettegenstaande zij van hunne onbekwaamheid overtuigd zijn, «zig grotelyks, jau gruwelyk bezondigen'' ^). Hij laat ook niet na den Hoogleeraren te verzoeken toch vooral streng te zijn en den Predikers de Apostolische vermaning toe te roepen: „Legt niemand de handen ligtelyk op" '^), terwijl de Gemeenten aangespoord worden tot omzichtigheid in het werk der beroeping. Maar tevens grijpt hij deze gelegenheid aan , om de redenen te ont- dekken , die er toe kunnen leiden , dat in vele Gemeenten Naamstudenten worden beroepen. Hij voorziet de tegenwer- ping, dat de traktementen in die Gemeenten zoo gering zijn, dat men er geen predikanten van beter gehalte bekomen kan. Maiir die tegenwerping acht hij onbeschaamd, ,want wat kan 'er Onchristelyker, jaa Barbarischer bedagt worden, als dat een Gemeente, wier Boeren zommige 50, zommige 100, jaa meer melk-geevende Beesten , met genoegzame overvloed van graazige Landeryen , en andere lastdragende Schepzelen bezitten, toelaat, dat hun Predikant, by gebrek van behoorlyk tracta- ment^ met zyn eigen handen aan 'sLandsdyken arbeid"*), gelijk den schrijver door een ooggetuige verhaald is.
Het einde bevat eene vermaning tot de rechtgeaarde stu- denten , om zich met de Pseudo-studiosi toch niet in te laten.
') biz. 144, 145.
«) blz. 146.
») blz. 14Ï*.
*) blz. 157.
28
liet „ Vcrt'olg^^ * ), dat bij den tweeden druk aan bet werk werd toegevoegd , bevat ecu vijftal van de brieven , den auteur door bemiddeling van den drukker overhandigd. Dat zijn woord menige tong en pen in beweging bracht, laat zich verstaan. Zoo nadrukkelijk werd daardoor de vinger gelogd op ernstige wondeplekken in het Academieleven te Groningen , dat althans in de kringen, die daarmee in verband stonden, van dood- zwijgen bezwaarlijk sprake kon zijn. Bovendien, „ce u^estque la vérité qui blesse" — en waarheid was het — althans wat de hoofdzaak betrof, die onbarmhartig en niet zelden piquant- geestig in het werkje was neergelegd. Verontwaardiging gloeide , verguizing volgde. Doch eveneens- bijvalsbetuiging. Zelfs van hooggeleerde zijde schijnt deze er niet aan onthouden te zijn ^). Ook de in het „ Vervolg'^'* opgenomen gedrukte brieven bevatten zoowel lof ^) als afkeuring. Twee van deze, do eerste en de derde, waarin overigens den vijand der Naamstudenton een ongeveinsd woord van bewondering niet wordt onthouden *), waren bepaald tegan diens werk gericht. Beide brieven komen hierin met elkander overeen , dat zij de eischen , aan de predi- kanten gesteld, in het bijzonder wat de kennis der vreemde talen aangaat, binnen enge grenzen willen beperken. Met overtuiging en scherpheid handhaaft de schrijver daartegenover zijne eischen.
') Du vülledi.:;!.' i\iv\ diiurvan luidt: y^Vrèiohj bp dr Pscinfo'StttdivsnH Hodicrnus etc. etc. itf llvrdvniltuHjttrhv iironhtijvr Naam-student : Behelzende eetiit/e Bn'eren en iledhftrn Vtwr m teijen ;/emeidr Traefaatje en des zei fut Opsteller; Met rersrhetdetie rfi-dfdii/t'ndi' Aanniei'kintfvn en een Voorvedrn rent/kt door li. L, O. ƒ?. S. S. T. S. luMniwurth^u ITHS.
^) V*fl. ^Vrrr(df/ op dl' Psendo-Sfndtosns^\ hlz. 1'>.">, 1 .*>(;.
') lil ('OU der iian di»» l»ri(jvirii t<n»«;;cvof»i^;dc •;fJMli<*lit«*ii loest men zelfs (v^l. ^Verrot jf op dr Psrndo-SfiKiiusKs^\ hlz. 1h7):
..AVie woiicrrt dat inrii dczo kruin Y«'rsi»»r Mot eeut! kroon van o«»uwi«^«'n laurier r* Wie zal dien IFolt «joen cerehoj^t* o|tricliti?n , Vüor wiens vernuft de domme iniuiirts z wichten ?'
*) Volgens den een in het werkje ^op oen uangenume wijö", «geleerdelyk*' on naar de sohrijver gelooft -met een zeer goed oogmerk geschreven'* {^Vcrcolg^\ blz. 1); volgens den ander getuigt het van ^belozenheit , fvn- heit van oordeel, on Geestige invallen" {y,Verro1g*\ hlz. 51).
29
Of liet werkje intusselieD gunstige gevolgen heeft gehad ? Onwaarschijnlijk is het niet. Een der briefschrijvers althans verzekert uitdrukkelijk, dat in verscheiden Classen krachtige resolutiën genomen zijn , om de examens aan strengere eischen to doen beantwoorden *).
Maar ook op Hofstede's studententijd schijnt het niet zonder invloed te zijn gebleven. Of zou het geheel buiten verband daarmede geweest zijn, dat hij nog vóór 1738 do Academie te Groningen verliet?
Veeleer is het waarschijnlijk, dat de onbekende pamflet- schrijver gelijk had, die vele jaren later er aan herinnerde, dat „de Groninger naemstudenf' voor Hofstede de aanlei- ding was, dat hij zijne „vaderstad en geleerde voesterschool moest verlaeten" '). ITet is dan ook zeer aannemelijk , dat de auteur van het geruchtmakende werkje door de persoonlijk zich beleedigd gevoelende studenten ') als met den vinger werd nagewezen. En het kan geene verbazing wekken, dat ten gevolge daarvan eenc zeer gespannen verhouding ontstond, die een langer verblijf van dozen aan de Groningsche Academie schier onmogelijk maakte.
Zoo bestaat er dan voorzeker grond om aan to nemen, dat do uitgave van den ^ PaeudO'Sfudiosifs^* het keerpunt vormt in Hofstede's studentenleven.
*) nV*ft'>'ohf op fff PsfUfiO'SfmHonus*', blz. 50.
2) ^Voor Pf.trun Hofstede'', blz. 5, fj.
^) Dat in «len ^PMendO'Sfudiosus^' iiiot slechts eono zokcro catoo^orit» van atudentPii, maar ook bo]>aaldo afzoiulerlijko personen bedoeld zijn, zal wel gebleken zijn bij het kennisnemen van een en ander uit den inhoud. Bijzonder sterk komt dit ook uit op blz. 74, waar zelfs de nampu van enkelen niet kapitale drukletters zijn o]>^enonien.
8 ^•
Hofstede's rerbiyf aan de Academie te Franeker. Zyn welkomstgroet aan Prof. P. Laan.
Den 27»t©n September 1737 werd Hofstede ingeschreven in het album academieum van Frieslands Hoogeschool. Op zijne wetenschappelijke vorming kan het slechts gunstig hebben gewerkt, dat hij ook nog eenigen tijd aldaar doorbracht. Do Academie te Franeker had, gelijk terecht is opgemerkt'), reeds vroeger door den roep, die van hare Professoren was uitgegaan, niet alleen de vaderlandsche jongelingschap in groeten getale tot zich getrokken , maar ook eminente mannen uit het buitenland - men denke slechts aan een Turretinus, een Amesius, een Coccejus, een Doscartes — binnen hare muren verzameld ; nog gedurende den tijd , waarin wij er Hofstede aantreffen, deed zij haren goeden naam eer aan, ook al schijnt tegen het midden der 18<lo eeuw het aantal stu- denten aldaar sterk verminderd te zijn ^). Om van een Hem- sterhuis, als literator een ster van de eerste grootte, niet te spreken, mogen hier de namen van een Ven e ma on Melchior niet worden verzwegen. Het onderwijs van den laatste, dat, vooral tegen het Deïsme gericht, een sterk apo- logetisch karakter droeg, werd ten zeerste geroemd. Wat zijne theologische richting betreft — hoewel hij eerst een volgeling was geweest van den bekenden Hoogleeraar R o ë 1 1 , kon later
') II. L. Bon til om: y^UoUündiitchei' Kirch- it. ScfudeuMtaaf'. Frankfort u. Loipzi^r. MDOXOVIÏI. Il, Cp. 1, ii 12, S. 26.
■) Z. C. von \J ïïenhR{.\h: y,Merk'inlr(ii(/e Rfiisendurch N ieder 'Sachêen, Holland und EngelanW\ Ulm 1753, 1754, II, Ö. 319.
31
zijn Ijjkredenaar van hem getuigen: „Orthodoxus fuit. — Por- muli8 Synodi Dordracenae siibscripsit" 'V Naast dezen had Hofstede den critischen exegeet Ven erna te Franeker tot leermeester, van wien mag gezegd worden, dat hij zeker een der beroemdste Nederlandsche theologen uit de 18<1« eeuw is geweest, ook al moge de eeretitel « Theologorum mi aev'i pnncej}s*\ hem door een lofredenaar gegeven '), aan bedenking onderhevig zijn. De geest van de „tolerantie" dier dagen had zich als het ware in hem belichaamd. En het was dan ook aan de bestrijding van zijn invloed, dat een belangrijk deel van het leven van zijn leerling Petrus Hofstede gewijd zou zijn. Toch zijn er in het eerste gedeelte van diens leven feiten aan te wijzen , die ons schijnen toe te roepen , dat Ven e ma's geest niet geheel zonder uitwerking op den zijnon gebleven is.
Al vertoefde Hofstede nog geen volle twee jaren te Fra- neker, in die korte spanne tijds was hij getuige van eene verandering. In 1738 ontviel Melchior der wetenschap door den dood. Maar in datzelfde jaar werd ook een pasbenoemd Hoogleeraar begroet in Petrus Laan. Tot hiertoe als pre- dikant werkzaam geweest zijnde, had deze van 1725 tot 1727 de Gemeente te Groningen gediend. Vandaar dan ook, dat Hofstede hem van nabij moet gekend hebben en met meer dan gewone geestdrift zijne benoeming tot Professor te Franeker toejuichte. Een merkwaardig bewijs van dit laatste is ons be- waard in de hooggestemde welkomstgroet , die in 1 738 het licht zag mot het volgende opschrift: y^Occasione adventus riri P e t r i Laan: in acad^mia Fisiorum Theologiao Professona peritisaiiHi : nee non cancionatoris facundissimi : hocce programma evnlgare voluit P(* t r u s Hofstede S. S. T. *S. et ejusd^m scholae nV/.s*' *).
*) Zie bij Mr. W. B. S. Boelen: ^Fries<}ands Hoogeschool en het Bijks Athenaeinn te Fr(ineker''\ Leeuwarden 1879, II, biz. 415. *) Vgl. Se pp: j^Joh. Stinstra en zijn fij(l\ I, blz. 42. ') Leovardiao 1738.
32
Ofschoon dit programma niet meer dan 43 bladzijden beslaat , — voor een woord van persoonlijke begroeting trouwens lang genoeg! — is de lectuur er van wel oenigszins vermoeiend te noemen. De student Hofstede ware dan ook ongetwijfeld welsprekender geweest, indien hij zich in verschillende opzichten meer binnen de perken gehouden had. — Reeds het begin zet met vollen toon in:
JO TRIÜMPHE
Gelidae ahiere umhrae,
ê
SIVE
Ut candide de pernigris loquar,
Tenehrae Cimmeriae
10 TRIÜMPHE!
Phosphorus pulchriorem profert ab axe diem.
Zephyrus suavior spirat:
Alaudac et caetcri Musici arborei, majori eum gratia,
Os movent coeleste
Et
Pinnis susurrant coloriis.
Quid multum?
Dictu est proclivo
ILLUD
Grande sui aevi sidus
VENIT !
Quo
Nee phosphorus clarior!
Nee Zephyrus dulcior!
Nee Alauda eloquentior!
A Iter Demosthenes !
Alter lAhanius! Alter AmhrosiusP'' ')
Uit deze enkele proeve wordt het geheel gekend; geen ») P. 1-3.
33
epitheton Omen is te verheven, te heerlijk, om aan Prof. Laan te worden toegekend, geene vergelijking te stout, om bij de vermelding van zijn' lof te kunnen dienen. — Ook tot zijne Alma Mater richt zich de verrukte voedsterling , om haar met zulk een aanwinst geluk te wenschen. Wèl zou zij onwille- keurig den blik bij deze verandering terugwenden, en nog eenmaal met weemoed herdenken de groote mannen, die zij reeds verloren had, maar voor die smart is haar vertroosting bereid :
^Mox Pcrpessu aspera tibi erant perduranda,
Et jam Solatium suporat Dolores". Want immers:
^Quod In COCCEJIS, MARKUS, VITRINGIS
Et aliis Tam bene de ecclesia & orbe litterato meritis,
Amisisti , Jam uberrime RECÜPERASTI" ')
En daarom viere men feest en plukke men bloemen en zinge men Laan ter eere een lied. Dit lied — eene ware verademing tusschen den stortvloed van exclamaties — luide dan als volgt:
,0 Salve nostris nomen Venerabile terris! Dulce decus nostrae praesidiumque Scholae, O Salve Laani! Frisiis qui mille salutcs, Mille sacras dotes post tua terga trahis! Nobis cum Frisiae redeant sua sidera Athenis, Arridet facie candidiore dies: Sis noster maneasque, regit dum spiritus artus Idque Patres^ Juvenes^ Gymnasiumque patunt
») p. 13.
8
34
Si quid vota valcnt, si quid pia carmina possunt, Injicieut pedibus vincula firma tuis!" ')
Veilig mogen hier verdere aauhalingen uit het zwierige programma achterwege blijveu. Alleen het slot, waarin alles zich oplost, vinde, als toppunt van overdrijving, nog eene plaats.
Do Iloogleeraar wordt daarin als volgt toegesproken :
^Diomedes in Bello! Lycurgus in Foro! Pisistratus in Litteris! Numa in Relligionc! Patriac Pater! Pupillorum Mater! Viduarum Conjux! Amieorum Robur ! Sociorum admiratio! Belgarum Salus! Hostium Pernicies! Bonorum Laetitia! Pessimorum Invidia! Nobilium Deeus! Civium Amor! Amorque Mcus!" ^)
Door zoo uitermate groote hartelijkheid overstelpt, zal Prof. Laan zeker bemoedigd zijn taak hebben aanvaard.
Letterkundige waarde bezit II o fs teders programma onge- twijfeld niet. Het welluidendst klinkt ons nog het hiervóór opgenomen welkomstlied. Maar toch in zoover heeft het waarde voor ons, als wij er iets uit kunnen besluiten ten opzichte van den persoon des opstellers. En dan merken wij op, dat de man, die zoo schrijven kon, een licht ontvlambaar gevoel moet hebben gehad, dat hij, schoon van hartstochtelijk tem-
') p. 24. «) p. 43.
35
perameiit, geen hartstochtelijk beininnaar van soberen eenvoud kan zijn geweest, en eindelijk, dat hij hen, die tot zijne vrienden behoorden , warm moet hebben liefgehad.
De vereering, op hoe belachelijke wijze ook hier betuigd, was intussehen aan geen onwaardige besteed. Van Petrus Laan, wat zijn theologisch standpunt betrof een voortreffe- lijk Voetiaan, een vredelievend, maar beslist aanhanger van de leer der Gereformeerde Kerk, koesterde men waarlijk grooto verwachtingen , en al werden deze verijdeld door den zwakken toestand zijns lichaams en zijn' vroegtijdigen dood , toch kou van hem later getuigd worden, dat hij met ijver en vrucht voor een immer zeer talrijk gehoor zijne lessen in verschillende vakken gegeven had *).
^Amorque Meus!" Die liefde was getrouw tot den dood. Want toen in de lente van 1743 de beminde geleerde op zijn sterfbed lag, was ook een jeugdig predikant uit het Noorden herwaarts gekomen, om nog eenmaal — kon 't zijn — van
den vereerden vriend een woord op te vangen : ipai
aderat Reverendus Hofstedius, quem precantem lubens comitabatur" — aldus een kort, maar welsprekend bericht ^).
Niet lang intussehen heeft Hofstede van Laans onder- richt kunnen genieten: in April 1738 maakte de Hoogleeraar met zijne lessen een aanvang, in den loop van 1739 werd de academische loopbaan van zijn' leerling afgesloten. Maar aan- gezien juist Laan belast was ook met do colleges over Prac- tische Theologie, en in het bijzonder over kansel welsprekendheid, zal hij in dat laatste jaar Hofstede's voornaamste gids zijn geweest. Door degelijk en veelzijdig cmderwijs gevormd, kon laatstgenoemde zich thans in den dienst der Kerk bpgeven.
') E. L Vriemoet AtliPnarum Frisiucariitu lihri diio^ quorKin aïfcr praKfer Hinforiam Acadeniiue^ qmif fsf Franetjufnu» ^ eloyid Sfrenis}*. tf' Anipl. Ephftronnn ^ ulter rt. Pi'ofrsHonim etr. Leovanliao. MD(.HMjV111, 4« p. 838.
*) Vermeld bij Mr. W. B. Ö. Boel eg a. w., II, biz. 45S aanm.
§4.
Hofstede predikant te Aijain. Zyn protest
tegen Stinstra.
Na den 8»ten Juni 1739 uamena de classis Franeker geëxa- mineerd ') en tot proponent bevorderd te zijn, werd Hof- stede den IS^en September van datzelfde jaar te Anjura, ge- legen binnen de classis van Dokkum , beroepen*). Het den 5den October d. a. v. geapprobeerde beroep word door hem aan- genomen , en den 25Hton dier maand verbond hij zich aan zijne eerste Gemeente ^). Het meest der vermelding waardig *) uit
*) D. D. AeBohiiiuH Siiagmand Phil. Doot. en Joanne» Jillert Jolloma, renp. predd. to Franeker on te Pein», behoorden tot zijne examinatoren. De aan Hofstede bij die gelegenheid opgegeven tekst was Joh. VI : <)'{: „De geest is het, die levend maakt, het vieesch in niet nut. de wo<»rden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven". De hoofdstukken des Bijbels, hem tor verklaring opgedragen , waren Psalm L en Joh. XVlIl.
*) Dit beroep werd uitgebracht in de vacature , ontstaan door het ver- trek van Ds. Jacobus Revius naar Ee on Engwioruni.
-') Zijn intreetekst was: l Tim. III: 1: ^Dit is een getrouw woord : zou iemand tot eens Opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk". — De bevestiging had den 1 S^len October te voren plaats gehad door D. D. Everhar dus Wilman en Kgbertus Landsberg, resp. predd. te Paesons en te Morrha, als gevolmachtigden van de classis van Dokkum. De laatste als jongste predikte daarbij over I Thess. V : 1 2. Emmer icus Hofstede, Petrus' oom, destjjds Pred. te Franeker, nam aan de handoplegging dool.
^) Het overige, ons daarvan bekend, is van weinig belang: In 1741 (den 16ïien Aug. en volgende dagen) woonde hij als correspondens van Friesland de synode van „het Forstendom Gelre en het Graafschap Zut- phon" bij. — In 1742 nam hij deel aan hot examinoeren van den Gro- ninger Proponent B. Vonokamp, die pred. te X ij kerk (Fr.) zou worden. In 1 74:^ wus hij als lid tegenwoordig op de synode te Harlingen (C o 1 u m b a en Dreas Naamlijst der Heeren Predikanten, die onder U ressort van de
37
de jaren, die hij te Anjum doorbracht, is wel, dat in 1742 te Leeuwarden van zijne hand een gedicht verscheen, dat bewijst hoe hij reeds toen medeleefde met de belangrijke gebeurtenissen zijner dagen, en dat tevens voor de kennis van zijn kerkelijk stand- punt niet onbelangrijk mag heeten. Het gedicht was getiteld: De Waarheid^ in Friesland tegens de aanslagen der Ketter y verdedigt j en in haar ouden luister hersteld^ doo}' het Christe* lijk gedrag van de Edele Mogende Heeren Gedeputeerden. In alle deelen goedgekeurd , en hekragtigt van Hun Edelmogende de Heeren Staaten deezes Lands. In digtmaat uitgebreid.
Aanleiding daartoe was het kortgeleden gebeurde met den Doopsgezinden leeraar van Harlingen. Bedoelde predikant toch , Johannes Stinstra, had reeds sinds eenigen tijd in ver- denking gestaan, Sociniaanschen gevoelens te zijn toegedaan. Een vijftal predikatiën, door hem in 1741 uitgegeven, hadden eindelijk rechtstreeks tot een aanklacht tegen hem geleid , met het gevolg , dat de Gedeputeerde Staten van Friesland aan alle dassen hunner provinciën en aan alle theologische faculteiten des lands opgedragen hadden een onderzoek daarnaar in te stellen. De uitslag was van dien aard geweest , dat de Friesche Staten in 1742 besloten hadden, Stinstra in zijn dienstwerk te schorsen. Zelfs in verscheiden kringen , waar men geenszins voor onverdraagzaam wilde doorgaan , juichte men het toe, dat de leeringen van het Socinianisme , waarvan men over 't alge- meen den Harlinger predikant als verbreider beschouwde, met kracht werden tegengegaan. Tot degenen , die aldus oordeelden , behoorde blijkens zijn gedicht ook Hofstede. In de gevoelens van Stinstra zag hij drieste «Kettery", die het op den val
Clansis tan Dokkum sedert de Reformatie gediend hebben^ 1766; blz. 21). AI achtte de tegenwoordige predikant der Ned.-Herv. Gem. te Anjum het geraden op herhaalde navraag, zoowel door als namens mij gedaan om inlichtingen uit het kerkelijk archief aldaar, zelfs niet te antwoorden , toch werd mij van andere bevoegde zijde verzekerd , dat gen. archief nieti* bijzonder» bevat wat voor de kennis van Ilofstede's verblgf in die Gemeente belang zou kunnen hebben. Eene enkele mededeeling uit de Anjumsche trouwboeken , mij zeer bereidvaardig verstrekt door den Heer G. IJ. van der Veen, Secretaris der gem. Oostdongeradeel , is van te geringe beteekenis, om hier vermeld te worden.
38
der , Waarheid" had toegelegd, en de zekerheid alleen, dat zoo vermetele aanval was afgeslagen, drong hem dan nu om zijn dankbaar gemoed te ontlasten :
,Gods huis nu veilig van gcvaaren: Üe Duif ontvloon het moordgedrogt :
Woeld my het digtvuur sterk door d' aaren , En 't volle hert zoekt ademtogf' *).
De onwrikbaarheid der „Waarheid" wordt bezongen tegen- over de vruchtelooze aanvallen der -Ketterv". Deze vertoont uit spijt over haar nederlaag het beeld van „nijdigheid". In plaats echter van hare machteloosheid te erkennen en van verdere aanslagen af te zien, neemt zij tot „ Jesabels blanket- doos'' de toevlucht; wat zij niet met geweld kan bereiken, zal zij met list trachten te doen. En zoo treedt zij dan ver- momd „met staatigheid door 't Land", en heft „om Jesus lamren te bekooren" het „Ty rus-lied" aan. Hoort haar spreken:
„Is niet de Kerk ons aller Moeder,
Die ons aan eenen boezem zoog? En Christus onzen oudsten Broeder P
Die voor ons na den Kruisberg toog? Bedekt ons niet dezelvde vleugel
Der Godheid, van het gansche rond; Die u en mv , den dubblen teujifel
Wrong van het wetboek, in den mond?" ')
Alle beshiande verdeeldheid komt volgens de ,Kettery" neer op een nietsbetoekeneud verschil. Daarom w^orde de oneenighcid, die reeds — de ondergang van Rome en Jeruzalem wijst het uit! — zooveel onheil gebrouwen heeft, bezworen. Er bestaat toch, — 't is nog steeds de „Kettery", die het woord voert, onder gedaante van een' engel des lichts — er bestaat toch ten opzichte van de hoofdpunten geen verdeeldheid. Welaan
') p. 1. ') P. 4.
39
dan, laten „Dordregts regels" en ,al wat ons oneenig houd'' worden ten vurc gedoemd en twee tronen gebouwd worden, «voor Vrijheid en Verdraagzaamheid". Ia hare heerschappij teruggekeerd, dan zal „de gouden eeuw" zijn herleefd. Hier rust de ^Kettery" eene wijle. Intusschen heeft zij er zoo door hare woorden velen gewonnen. Maar is het mogelijk, dat die ziel door haar wordt bëtooverd , ^die smaak van honing heeft en roet?" Dat men toch evenwel het gevaar niet voorbijzie; dat haar sirenenlied met zich brengt; zijn niet de sterkste helden wel eens voor vleitaal bezweken? De dichter zal het ons zeggen — en die regelen zijn waarlijk de minste niet, die hij schreef:
„O vleyend lid! O loozc Tonge!
Hoe menig onverschrokken held, Die nimmer week, hebt gy besprongen
En voor uw drilspiets neergeveld? Een Simson mag de zwaare deuren
Van Gaza, in 'tgezigt der wagt, Uit haar metaalen pannen scheuren;
Hij tuimeld echter voor uw magt. Een Caesar doe den aardbol gieren,
Op 't gladde punt van Romes spil , En plukko wyd en zyd lauwrieren ;
Gy snoerd hem eindlyk aan Uw wil".
De , Waarheid" is inmiddels zwijgend gebleven , — nutteloos ware ook het tegenspreken geweest! — maar nu zij gaat bemerken, dat hare eigen kinderen ,zig zelvs vergaapen aan die reden", verheft zij hare stem:
,Ai my! Hoe bange kird de tortel!
Wat loeid het makke vee door 't woud! Hoe daverd Carmel op zyn wortel,
En Salems hut zo vast gebouwd! Helaas! Ik hoor weer op de toppen
40
Des Tempels, als met hamers slaan, En hard uitroepen, onder 't kloppen: Laat ons van hier naer elders gaan". ')
In dien trant gaat zij voort, gegriefd vooral daardoor, dat ,dc haren'' zich tegen haar kanten ;
,0 Caesar ! Wild rayn drift niet wraaken , Als ik de spreuk, uw mond ontvloon
In 'tsterfuur, durfde myne niaaken: En <jy ook onder die myn Zoon?^^ ^)
Mïiar de echo dier klacht is gehoord. Zij heeft het Negental, in „'sLands CapitooF* „vergaderd met Friso'', bereikt. Dezen kunnen het verregaand stout bestaan van de vijandin der „Waarheid" niet gelooven; het komt hun te sterk voor, doch na een onderzoek blijkt hem, dat het niet anders is.
„De Vorst ^ zo wel in 't woord bedreeven Als 't borgcrrecht , voeld op die smaad ,
'T Nassovisch bloed door d' adren zweeven , En spreekt dus aanstonds tot den Kaad'\ ^)
De toeleg van den dichter is duidelijk: Friso moet worden voorgesteld als handhaver der „Waarheid'', hoewel geenszins ten koste van gewetensvrijheid. Het kwaad behoort naar 's Vorsten oordcel in zijn begin te worden tegengegaiin. Maar vooraf dient het advies van „Levis Pricsterlyk geslagt" inge- wonnen; want geen zucht tot kctterjagen dringt hem: „Niet dat ik u poog op te zetten tot wreedheid of gewetens dwang" — zoo spreekt de Stadhouder tot zijne Staten ; „maar een Leer, die Godonteerend is", worde uitgeroeid.
») p. 13.
») p. 16.
41
j,Zo spreekt de Vorst ^ wel jong van jaaren;
Dog grijs van kennis en beleid, En treft de ziel der Amptenaaren
Met blyken van Godvrugtigheid. Naauw zwygd hy; of de braave Leden
Der vierschaar, pryzen hemelhoog, Zoo wel den Spreeker van die reden,
Als 'tmanlyk en doorkneed vertoog". *)
Na het ingekomen advies der kerkelijke autoriteiten wordt besloten tot het nemen van maatregelen tegen de „Kettery".
„'T word uitgevoerd, naar eiseh der zaaken, Men kramd het wilde Swyn den bek.
En brand het, wat geknor het maake. De steile horzels van de nek". *)
De X Waarheid" heeft do zege behaald, — dank zij naast God den Staten. — Het slot lost zich op in een loflied, aan Friso gewijd:
. «Dus toond Gy, voort te zyn gesprooten,
Uit die, van ouds, zo dierbre Stam, In schaduwe van welker loeten.
De kerk alhier haar oorspronk nam. Zo word het waar, dat zelvs geen eeuwen
Verbastren ooit regt adel bloed , Maar dat een Leeuw teeld altijd Leeuwen,
En nimmer bloode haasen voed".
De allerlaatste regels zijn opmerkelijk met het oog op de bedoeling des dichters:
') P- lö.
42
„Vaar voort Oranje zo te leeven,
En toon dus telkens niet de daad Aan hun, die vaak daar tegen schreoven,
Hoe nut Uw Ampt is voor den Staaf'. ')
Het bovenstaande geeft ons een der weinige proeven van Hof'ötede's dichterlijk talent. In ons oordeel over dit dicht- stuk kunnen wij ons geheel aansluiten bij van dor Aa^), die gewaagt van „vele platte uitdrukkingen, schoon de verzen nogal vloeyonde zyn", terwijl de dichterlijke waarde over het geheel niet hoog is aan te slaan.
Door Sepp 3) is beweerd, dat Hofstede zich in zijn gedicht deed kennen als een tegenstander der tolcrantcn en van V ene ma's richting. Deze uitspraak kunnen wij zonder voorbehoud niet aanvaarden. Voorzeker, de jeugdige prediker stond hier teijenover zijn' vroegeron leermeester Ven erna, den eenige, die onbewimpeld Stinstra in be- scherming genomen had , en hem van de beschuldiging van So- cinianisme had trachten te zuiveren. Maar omdat Hofstede — en hoevelen, evengoed gematigden als niet-gematigden , waren het hierin met hem eens — in zijn oordeel omtrent den be- schuldigden leeraar tegenover Ven e ma stond, daarom is het nog niet geoorloofd, hem voor te stellen als een tegen- stander van verdraagzaamheid en als ,een bitter polemicus^'. Was niet zelfs door den hooggeleerden Laan, den man , die niet van „uitersten" hield *), uitdrukkelijk een zeer ongunstig
») p. 23.
^) A. J. van dur Aa Xieuir liiot/raphiexch Anthropolotjiofch en Ki'itiesvh M'ocft'th'nboek tan NvderUindsvhe Dichters — terentf een vervolg op IVitsen (rvijaheeks Wooi'denboek dn Nederland ach e Dichters. Ain»tt»r- dam 18G4, II, blz. 239. — Hot uordeel, duur Se p p (a. w., Il, blz. 87) over II o frt tod e's gediclit j^cveld, maakt eeiiij^zins don indruk van vuoringe- nuiueuheid tegon den bestrijder van Ötinutra. Al ttteniroen wij gerecde- Ijjk toe, dat er gedeelten in voorkomen, die ons niett} anders toe- Hokjjuen dan rijmelarij, toch treffen wij er paHsages in aan, die niet onaardig zijn.
') a. w., II, blz. 87.
*) Sepp, a. w., II, blz. 35.
43
oordeel over S tinstra's predikatiën uitgebracht? Men ver^ dient toch niet alleen dan vcrdraagziuim te hectcn, wan- neer men ook het Socinianisme recht toekent op den kan- sel eener Christelijke Kerk? Wij mogen aannemen, dat zelfs de bij uitstek , tolerante" Venema de vrijheid zoover niet durfde uitstrekken En welk recht heeft men de waarheidsliefde van Hofstede en zoovele anderen tot oordeclen bevoegden in twijfel te trekken , waar zij in Stinstra Sociniaansche gevoelens meenden te ontdekken? Terecht merkt Sepp in hetzelfde verband op: ,In Stin- stra heette hij (Hofstede) niet den Doopsgezinde, maar den Sociniaan" 0«
Een opmerkelijke trek in Hofstede's gedicht is — er werd reeds op gewezen — de lof, hierin aan den Stadhouder toegezwaaid Deze zou zich ook in de zaak van S t i n s t r a's veroordeeling wederom hebben doen kennen als de handhaver der rechtzinnige „Waarheid". De geschiedenis echter heeft ons van Willem IV een ander beeld bewaard, dat ons hier wordt vertoond. Ongetwijfeld, niemand had meer dan deze Vorst in Frieslands Staten op de veroordeeling van den Har- lingschcn leoraar aangedrongen ^), maar daarnevens mag niet voorbijgezien worden, dat, ook waar het bericht, als zou de Prins het gunstig oordeel van Venema over Stinstra het «alleen verstandige'' genoemd hebben •'^), aan twijfel onder- hevig is *), toch juist Venema aan het Friesche hof in zeer hooge eerc werd gehouden, en dat de Stadhouder persoonlijk veeleer den «toleranten" dan hunnen tegenstanders sympathie
*) u. w., II, blz. 87.
•) Des Stadhuudcrs uitspraak in de !StutenvfM'gadoriii;jf over do «niaeütie- S tinstra. overj^enomen bij Sepp (a. w. , II, h\z. 71 7.'J) zogt hior genoeg.
') Dr. G. J. Vos Az. Crea<'hie(fetn's tfer Vaderhtudschc KerJc^ Dor- drecht, 1888, 2de dr., blz. 315.
*) Sepp, a. w., II, blz. 68, 69.
44
toedroeg. Om zijn' afkeer van het trekken van zeer scherpe lijnen op kerkelijk gebied is Willem IV dan ook zelfs een- maal veelbeteekenend genoemd een , vriend der volstrekte verdraagzaamheid" *). Doch waar hij door eene dergelijke gezindheid gekenmerkt werd, is het dan ook opmerkelijk, dat hij naast Venema, het hoofd der «toleranten'', juist Hof- stede bijzonder genegen was , zoo zelfs, dat deze ten allen tijde vrij toegang tot hem had '). Het een met het ander in ver- band gebracht, werpt eenig licht op het kerkelijk standpunt van den Anjumschen predikant, wien dat voorrecht te beurt viel. Indien hij waarlijk tegen de atoleranten" zoo scherp was gekant, zou die persoonlijk bijzonder sympathieke verstand- houding tot Willem IV niet wxl denkbaar zijn. Natuurlijk liet inmiddels de gunst, waarin hij stond bij het hof, niet na nijd te verwekken. Onverholen sprak deze zich uit, gelijk vooral blijkt uit een der verzen, die als weerklank op zijn gedicht van de pers kwamen. Loftuitingen uitgetuit ot^cr den Phenix P. Hofstede Auteur ran de Waarheid in Frie^^land Predikant en Vaarseinaker te Anjum — zoo luidde de titel, die het tegenovergestelde bedoelt van wat er in uitge- sproken wordt. Het stukje, dat, enkele bladzijden groot, meer
') N. ü. van K HUI pen Ikknoptv (ieschivdvnis der Letten^ en Weten- achappcn in i1e Nrfferhmden ran de crovyste tijden af tot op het heg in der negentiende ee.nn\ 'a-Graveuhage MDCCXXXIl, Tweede Dl , blz. 291 nanm.
') Kralingiann, lilde Hk., blz. 72, 7:i. — Hofstede zelf deelt voorts mede, dat liij nog maar enkele mmmden vóór 's Prinsen dood in diens binnenkamer, „terwyl de voorzaal opgepropt was, met mannen van den tabbaard en den deegen", met hem langer <lan oen half uur een belang- rijk tlieologiseh onderhoud had {Bloemen gestrooid op het Graf ran Willem Carel Hendrik Friso blz 14). — Van de genegenheid en ver- eeriug , die II o f s t e d e w ederkeerig den ^^tadhouder toedroeg , legt behalve zijne geschriften ook de brief getuigenis af, dien hij hem toezond, ver- moedelijk ter begeleiding van zijn hiervóór besproken gedicht. Wat den inhoud van dien brief betreft , zie men hierachter Bijlage D.
Men ziet er uit, dat hij — althans in 1742 — „die daage voor de geluk- kigste" van zijn „geheel leeven schatte", vvaarop hij de „eere" had, den Prins „te moogen opwagten", d. w. z. te mogen bezoeken. (Vgl. over deze uitdrukking Hofsfede^s Apolot/ie tegen de Lasterende Nieuwspapieren, Kotterdam, MDCCXXXV, blz. 150, 151.
45
een persoonlijk dan principieel karakter vertoont, gewaagt aldus van Hofstede:
.Dien ^tis te doen om aardse schat, En door de Orange Prins te vleyen, Die met vermaak dien Os ziet weyen,
Wel waar te neemen zijnen Coup
Te raaken aan een goed beroep: Want (zeggen opentlyk de guiten) Zyn Hoogheid ziende zig nu stuiten
In H Hollandsche Stadhouderschap ,
Tragt zig te heffen tot dien trap Door Orthodoxery en Paapén Daar 't volk zig ligt aan kan vergapen ;
Gelyk Prins Maurits deê voorheen
Toen Barneveld ter dood moest treên."
Iets hooger — in zoover het zakelijker is — staat oen ander geschrift, de in briefvorm verschenen Aanmerkingen op het Vers van Petrus Hofstede Joh^zoon^ Predikant te Anjum, Genaamd De Waarheid^ in Friesland tegens de aanslagen dsr Kettery verdedigt enz. De inhoud bevat eene doorloopende critiek op Hofstede's gedicht. De schrijver, die blijkbaar zonder eenig voorbehoud .tolerant" is, en het verbindend gezag van formulieren een kenmerk niet van eene Protes- tantsche, maar van de Roomsche Kerk acht, vindtin .Anjums Hofstede'*, waar het „zo vol onkruids is", veel „te wieden" *). Gesteld , zoo redeneert hij , dat men overtuigd is van de dwalingen van mannen als S tin s tra, „staat het dan niet schoon voor een jong theologant, geeft het niet een zeer zagtmoedigen geest te kennen, de zulke aanstonds uit te maaken voor ketters en kinders van den duivel; en ze te beschryven als alle list in 't werk stellende , niet om eigen
') p. 20.
46
voordeel, maar juist alleen om hun evennaasten ter eeuwige rampzaligheid te brengen?" *)
Het blijkt bij herhaling , dat Ilofstede hier verkeerd wordt beoordeeld. Ongetwijfeld , een liefelijk beeld van wat hij onder de „Kettery'* verstond, had hij niet opgehangen, maar met haar, die hij sprekende invoerde, was niet de pei'soofi van S tinstra bedoeld, maar had de dichter de z. i. verderflijkc leeringen van het Socinianisme op het oog, waarvan volgens veler oordcel de predikatiën van den bedoelden leeraar blijk droegen.
Zoo had Hofstede tegen de ,Kettery'\ door hem als een .Philistyn'' voorgesteld, geschreven:
.Ik zou hem in den naam des Heeren
Verbouwen , en den oorlogsdolk Hem driemaal in het hart omkeeren
Op 't driemaal juigen van Gods volk''. ')
,Liefderyke gedagten eri uitdrukkingen van de Waarheid!'' zoo roept de criticus uit. — „Zou dit wel de Evangeliso Waarheid zyn, die zo spreekt? Ik twyfel 'er zeer aan. De taal altans schynt niet zeer Evangelis" '). Het ligt niet op onzen weg een doorloopende critiek op deze onjuiste critiek te leveren. Het hier ter sprake gebrachte moge dienen, om op de strekking van Hofstede's gedicht het rechte licht te doen vallen. Alleen zij er nog op gewezen, dat de onbekende schrijver — en dit is nog het ongerijmdste niet in zijn' brief — uitdrukkelijk vraagt, of de dankbetuiging aan de Staten en in het bijzonder aan Zijne Hoogheid «niet de eenige oorzaak is van 't geheele vers?'' *) — Mogelijk is een bevestigend antwoord zouder meer op deze vraag wat te sterk; dat echter
|
*) |
p- |
4. |
|
•) |
p- |
13. |
|
•) |
p- |
5. |
|
*) |
p- |
14. |
47
het genoemde een der motieven van liet gediclit is geweest, mag worden aangenomen. De Stadhouder moest worden ver- heven, vooral nu hij eene houding tegenover S tinstra had aangenomen , zooala misschien niet ieder van hem had ver- wacht; de nuttigheid van zijn ambt moest worden in het licht gesteld. —
Dat de predikant van Anjum intusschen bij zijn optreden naar buiten zijn eerste en voornaamste taak niet verwaar- loosde, blijkt wel daaruit, dat de leden zijner Gemeente zijn arbeid op bijzondere wijze toonden te waardeeren, door zijn traktement, nog vóór hij drie jaren in hun midden ver- toefd had, met 150 Caroli guldens te verhoogen, uit erken- telijkheid voor de door hem bewezen diensten, .alsmede uit vreze, dat zynEerw. vermits zyn goedt geruchte, van andere Gemeentens zoude getrokken worden" *). Uit ingenomenheid met dit bewijs van liefde sprak de aldus gevierde leeraar den daaropvolgenden Zondag ,een wel uitgewrogte Leerrede'* uit over ,de vrywillige giften tot opbouwinge van den Tabernakel, door de kinderen Isracls gegeven, uit Exod. XXX V'\
Desniettegenstaande was zijn verblijf te Anjum daarna niet meer van langen duur. Een den Ib^en Augustus 1743 op hem uitgebrachte beroeping naar Steenwijk nam hij aan.
Den 27at©n October d. a. v. nam Hofstede afscheid van zijne eerste Gemeente na een ruim vierjarig verblijf in haar midden ').
*) Boekzaal der Geleerde Wereld, Aug. 1742, blz. 25i», 2G0.
•) Zijn tekst bij deze gelogonheid was Handel. XV Hl : 20, 21, hjin- (lelende over Pftulus* vertrok uit Efezo: „Kn als zij badoii, dat bij lun;{:er bij ben blijven zoude, bewilligde bij bet niet, maar bij nam afsobeid van ben, zeggenile: Ik moet noodzakelijk bet toekuinende fVt^st te Jeruznlem bonden; doch ik zal tot n wederkeeren zoo God wil; en bij voer weg van £feze^\
§ 5.
Hofstede predikant te Steenwijk. ZUne betrekking tot de onlusten aldaar, na zijn Tertrek ontstaan.
Den lOden November 1743 hield Hofstede zijne intrede te Steenwijk '). Van zijn kortstondig verblijf aldaar is ons niets bijzonders bekend 2). Toch bestaat er aanleiding tot do bewering, dat hij duurzamen invloed geoefend heeft in deze Gemeente, die „hem als op het h<irt droeg" *). Althans nog bijna 40 jaren na zijn vertrek bracht de sterk-patriottische Nederlandsche Courant *) zijn' naam te pas bij de herinne- ring aan de verregaande, heftige onlusten, die in 1747 en 1748 te Steenwijk hadden plaats gehad ten gevolge van de
') Hij sprak bij dio gelegenheid naar aanleiding van Jcs. LXlio^: ^Vreemden zullen uwo akkerlieden en uwe wjjni^aardeniera zijn." De beveBtiging had plaats door don 8teenwijk»ohen predikant K. Me teler- kamp naar aanleiding van Zaoh. VI : 1, 2, 3flf.
*) In het archief der Ned.-TIerv Gemeente aldaar ontbreekt juist het gedeelte van de Acta des Kerkeraads, dat ook do jaren van Uof stede*» verblijf aldaar omvat. De inventaris van het Oemeente-archief , die Ds. J. C. Eykman Jr., pred. te Steenwijk, zoo welwillend was op dit punt te onderzoeken, vermeldt met het oog op Hofstede niets wetenswaar- digs. — Alleen is van elders bekend, dat er, vóór hij beroepen werd, eene nominatie van drie predikanten aan de stedelijke overheid w^as aan- geboden, waarop zijn naam niet voorkwam, en dat de Magistraat dit drietal verworpen had. (Op het daaraan voorafgaande twaalftal kwam zijn naam wel voor). Of hieruit af te leiden is, dat de SSteonwjjkttche Overheid hare keuze op hem had gevestigd, is niet met zekerheid vast te stellen. Niet onmogelijk hing het samen met een daar ter stede bestaand verschil tussohen Magistraat en Kerkeraad , over de quacstie of een pre- dikant dan wel een proponent beroepen zou wordfn.
•) Nederlandsche Jaarboeken^ A.ug. 1750, blz. 1014.
*) Ook wel genoemd: Verlemmche Courant^ naar den schrijver ervan, Jan Verlem.
49
oneenigheid , ontstaan tusschcn Magistraat en Kerkeraad over de quacstie wie in de vacature-Hofstede beroepen zou worden '). In het nummer van 3 December 1784 toch van genoemde courant komt voor het Extract eem Briefs van ren Heer te Steenwyk aan zyn Vriend te Zalt-Bomuiel ^ in dato 26 Noretnbe)'. Daarin wordt geklaagd, dat men te Steenwijk tevergeefs pogingen heeft aangewend om eene Vereeniging tot oefening in den Wapenhandel tot stand te brengen Bijna aan het slot leest men het volgende: »'t Jaar van 47 en 48, zo rampzaalig voor het lieve Vaderland — was niet minder rampzaalig voor deezo Stad in *t byzonder. — 't Heugt U, dat de eerste Zaaden van Burgerlyke onëenighcden hier geworpen zyn, door dat oproerig en woelzick Mensch, de beruchte Hof- 8 1 eed e, toen Predikant alhier — en noch regeeren zyno beginselen" '). Dat hij anders dan ten gevolge van de door- werking zijner beginselen aan die ingrijpende verwikkelingen na zijn vertrek zou hebben deelgenomen, wordt ons daarin niet medegedeeld. Maar het bericlit behelst dan toch niets minder dan dat hij tijdens zijn verblijf te Steenwijk do begin- selen van oproer heeft gezaaid Hofstede zelf heeft zich nog tegenover die beschuldiging kunnen uitspreken. In antwoord op het bericht in de Xrdrrlandsrhe Courant verklaart hij '), dat de kerkelijke oneenigheden zijn ontstaan juist alloen ten gevolge van zijn vertrek. Buitendien , hoe kort had hij te
') Do eorsto wenschto bij dio golegenlicid oon proponont boroopon ie zien. Do oprocrigo beweging, door dit conflict ontstaan, vindt men uitv 'e- rig bojjchroven in do Nederlnndxchf Jaarhoekm van 77.V), Aug. I)lz. 1014 tot 1041; Sept blz. 1099 — 1234; Nov. blz 1420-1445; van /7r>/, Febr. blz 120-144; April blz. 272— 297, Juni blz. 521—537; Aug. blz. 727— 753; Deo. blz. 1220—1246; yan 17Ó2 Jan. blz. 38-57; Febr. blz. 150 H;5; Maart blz. 259; Juni blz. 529—542; van 1704 blz. 859—1120.
•) Ypey en Dermout Geschiedenis der Nederland sche Hervormde Kerl'. Breda 1824; III. Aanteekeningen blz. 282 beweren, dat volgens dit bericht Ho f nt ede te beschouwen is ala de eerste oorzaak van het oproer te Steenwijk in 1747 en 1748. Men lette er echter op in welken zin dit is te verstaan.
*) Apologie te(/en de lasterende yiemvspapieren ^ en andere Schriften van dezen tijd, «nz Kotterdam MDCCLXXXV. Bijlagen Letter L, blz. 51-69.
4
50
Steenwijk vertoefd! Te kort volgens hemzelf om een Kerkeraad, voorheen zoo eendrachtig, onderling verdeeld te maken. Had de toespraak, tot ouderlingen en diakenen in zijne afscheidsrede gericht, daaraan schuld? WM was deze hartig en ernstig — waarvan men zich overtuigen kan , daar zij te midden van zijne verantwoording afgedrukt is O ; maar aanleiding tot ver- deeldheid kon ook deze niet geven ; integendeel ! — Evenmin als de kerkelijke, zoo betuigt Hofstede, zijn hem de bur- gerlijke oneenigheden te wijten. Ook in dit opzicht weet hij zich te verantwoorden ^). Hij kan dan ook de verklaring af- leggen , dat zijne persoonlijke verhouding tot de Regenten te Steenwijk, van wie enkelen aan hem geparenteerd waren, voortdurend zeer gunstig was, en dat hij met twee der laatst- bedoolden zelfs op een zeer gemeen zamen voet verkeerde „Behalven een enkel geval, met een Baiils Dienaar, die hem met vloeken en schelden op straat insulteerde, genoot hy alle eer, achting, liefde, en had geen wezenlyk verdriet, dan over de onvrugtbaarheid van zyn en zyn's Collega's dienst, niet ten aanzien van de reeds geroepen Heilige, deze werden gestigt en opgebouwd in hun geloof; maar in zoo ver men niet be- speurde , dat 'er iemand , in dien tyd , overging tot die Gemeente , dewelke alleen zalig wordt. Met dit alles hoorde men graag ernstig en ontdekkend prediken en beminde, om strijd, beide zyne Leeraren'' '). ilet deze persoonlijke verantwoording voor oogen, die door geen ons bekend bericht van elders weer-
') Apoloyii^ t. tl. p., blz. G4 — (*»(>,
*) Do Steen \Nijk8che troebelen zelf heoft hij nog aangeroerd in een gedicht van drie conpletten, door hem gepubliceerd kort na het overlijden van zjjn' te voren (blz. 481) genoemden collega Ds. Metelorkamp en met kleine wijziging geciteerd in de bovi^n onder 1 genoemde -^^>o/ö(//> blz. 5ö (t 2Ii 8ept. 1760), wien volgens hem verdriet over het bewusto oproer het leven had gekoot. Ten opzichte van den ontslapen leeraar heet het daar:
„Vraagd iemand, welke Hmnrt \^Mans Kriujt hebbo afgepijud? Hij zag het mjt der AV/7.' te Steenwijk ondermynd; Kn die Oranje» naam en "NVondren dnrfden roemen, Verjagen, boeijon, ot* ten dorren Oalgpaal doemen."
{Boekz, (In- Gil. lier., Oct. 1750, blz. 50s, 509).
*) Apohy'u', t, a. p., blz. 1)7, «Js.
51
Bprokcn wordt , moeten wij dan ook wel besluiten , dat de be- sehuldiging van den partijdigen Courantier niet zoo voetstoots mag worden aangenomen als waar.
Nog geen twee jaren mocht men te Steenwijk in Hof- 8 1 cd e's bezit zich verheugen. Toen ging hij , hoc „ongemeene beweging" zijne beroeping naar elders ook verwekte, en ,hoe men hem met gouden banden zogt vast te houden'' '). Reeds den 208*«ïï Juni 1745 nam hij afscheid van de Gemeente aldaar, die hem ,niet zonder een vloed van tranen te storten"^). aanhoorde. — Oost-Zaandam verwachtte hem.
*) Idem, t. a p., blz. 68. Nog vóór het einde van het jriar, waarin 11 of- stede Anjura verlaten had, werd zijn naam geplaatst op een zestal te Leeuwarden. Die naam schoen dus in Frioiland eene gunstige herinnering to hebben nagelaten.
>) Nederlandsche Jaarboeken Dcc. 1751, blz. 1246. Zijn tekst bij deze gelegenheid was HandeL XV III : 9, 10^ 11: „En de Heere zeide tot Paulus door een gezicht in den nacht: Wees niet bevreesd , maar spreek, en zwijg niet; want Ik ben mot u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want Ik heb veel volks in deze stad En hij ont- hield zich aldaar een jaar en zes maanden, leerende onder hen het Woord Oods."
§ ^>-
Hofstede predikant te Oost-Zaandam. Zijne kerkrede
bIJ gelegenheid van de yerhefflng van Willem IV
tot de hoogste ambten dezer Landen.
Zagen wij Hofstede achtereenvolgens Drente, Groningen, Friesland en Overijsel bewonen, toen hij, nauwelijks zijn 30^^^ levensjaar ingetreden, Steenwijk verliet, was het om voortaan verre het grootste gedeelte zijns levens op Holland's gebied door te brengen. Eerst enkele jaren in het Noorder- kwartier. Den 4den Juli 1745 verbond hij zich aan de Gemeente van Oost-Zaandam'). Bevat het kerkelijk archief dier Gemeente niets, dat belangrijk mag heeten voor de kennis van Hof- stede's werkzaamheid aldaar-), wèl ligt het op onzen weg stil te staan bij de in druk verschenen Leerreden^ door hem in 1747 gehouden. Uet feit, dat daartoe aanleiding gaf, was belangrijk genoeg, en bood stoffe te over aan een vurig aanhanger van het Iluis van Oranje-Nassau als Hofstede. Aan Willem Karel Hendrik Friso, Erfstadhouder van Friesland, Prins van Oranje, uit het Huis van Nassau ge- sproten , waren achtereenvolgens de hoogste eerambten ook van andere gewesten opgedragen. Terwijl oorlogsgeruchten zich over Europa verbreidden, en ook in deze landen de ge- moederen reeds verontrustten, waakte de liefde weer op voor
') llij deed er intrede mot de woorden: „Zjjt dan Toorziohtig gelijk de slangen" uit Matth. X: 18. Ds. L. Con ynenburg, die voortaan zijn ambtgenoot to Oost-Znandam zijn zou, sprak tor zijner bevestiging cene rede uit naar aanleiding van Jos. XXX: 20, 21.
') Bü <^'<"n onderzoek, daar ter plaatse ini;esteld, is mjj dit gebleken.
53
dat doorluchtig Starahuis, waaruit rcedö zoo racnig krachtig held opgestaan was. Het was alsof men uitzag naar één band , die allen omvatten zou. Waren de Staten van enkele gewesten nog achtergebleven met hunne benoeming van den Prins tot Stadhouder, den S^en Mei 1747 gingen ook die van Holland en Utrecht hiertoe over , terwijl hem den daaropvolgenden dag door de Sta ten-Generaal het kapitein-gcneraal-admiraalschap over de krijgsmacht van den Staat werd opgedragen '). Zoo werd de zoon van Jan Willem Friso als Willem IV gehuldigd.
Dat Hofstede, die reeds tijdens zijn verblijf in Fries- land in bijzondere gunst bij den Prins had gestaan, het ge- beurde als een hoopvol teekeu des tijds begroette, laat zich begrijpen. Zijne predikatie behandelt dan ook, naar aanleiding van Prediker 10: 17a ^): de Welgelukzalhjheid van een Landj wiens Koning een Zoone der Edelen /s, toegepast op Neder- lands weivaaren Onder de Begeeringe van eenen Stadthoudcr Capitein en Admiraal Generaal^ Uit het Huis van Oranje en Nassouw *). Vooraf gaat eene Aan.'ipraak aan zyne Hoogheid in dien vleienden vorm gesteld , waardoor ook eenige jaren later de lijkrede gekenmerkt wordt, die Hofstede bij den dood van Willem IV te boek stelde. Dewijl wij opzettelijk bij dat geschrift zullen stilstaan, willen wij deze Aanspraak laten rusten, om herhaling te voorkomen. Trouwens, de lof, dien hij hier aan den Prins toezwaait, is zwak in vergelijking met wat hij ons vier jaren daarna hooren doet. — In een Voorreeden aan den Leezer maakt hij melding van do vreugde , die door de huldiging van den Prins als Stadhouder van Holland ver- wekt is. Gelijk aan het Mcmnonsbeeld te Thebe door de stralen
*) Op den na deze gebeurteni.söeu volgenden Zondag hield Ilofatedo zijne leerrede (Vgl. „Voorreodcn luin den Leezer'' en blz. 97).
*) .,WelgeIukzalig zijt gjj Land, wiens Koning een Zoone der Edelen id."
*) Of Ijferreden^ Over Prediker 10 is. 17, errste Lid; Uitgesprookcn en naderhand met breede Aantekeningen vermeerderd By yeleffentheid der Verhefpnge van Willem dm IV, Tot de hoogste Ampt(^n van dreze Landen. Amsterdam, 1748, 4".
54
der opgaande zon klinkende tonen werden ontlokt, zoo steeg uit het geheele vaderland een geluid van vreugde omhoog, toen de Oranjezon boven Hollands kimmen verrees. En gelijk de Noordsche volken de toppen der bergen bestijgen , om met blijdschap het rijzende licht te begroeten , dat aan hun' langen nacht een einde komt maken, zoo was het hier: „De vrolyk- heid was algemeen: De Staatsman streek do bekommeringc voor 't Land, ten minsten eenige daagen, van 't hert; do Koopman vergat het gevaar van zyne rykgeladene Scheepen; de Landman liet schup en kouter in den akker steeken, om zig in de buurt te gaan vermeien ; de Priesters hielden voor eene reise op met weenen tusschen den hof en het altaar; en de lugt wedergalmde van duizend juigende koelen" ').
Het is eene eigenaardige predikatie, die Hofstede hier biedt: een betoog, dat de herstelde bestuursinrichting des lands ouder een Stadhouder- Kapitein en Admiraal- Generaal der Unie allerbegeerlijkst is voor het volk. Daartoe zet de prediker vooraf de beteekenis uiteen van zijn tekst. Eene inleiding eerst, vastgeknoopt aan het woord der Spreuken^), dat onder de drie , ja vier dingen , waarover zich de aarde ontroert en die zij niet dragen kan, ook een' knecht telt, als hij regeert. Zoowel in de leerrede zelve als in de aan- merkingen , die , vaak zeer breed , aan iedere bladzijde toe- gevoegd zijn, wordt deze uitspraak gewikt en gewogen, en vervolgens gebezigd als tegenstelling van den tekst. — Na eene korte uiteenzetting van het verband wordt dan achter- eenvolgens de aandacht gericht: I. op het onderwerp, dat wei- gelukzalig gesproken wordt, II. op die welgelukzaligspreking zelve. — Wij zullen den prediker niet op den voet volgen bij zijne tekstverklaring, die misschien van niets meer dan van oppervlakkigheid vrij is; wij zullen zijne beantwoording van de vraag waarom een land als hier bedoeld wordt, geluk-
*) Voorreeden aan den Leezer. ») H. XXX: 21, 22.
57
uit onze handen en horton weg doen, on ons een ygelyk by aanvang of voortgang bekeeren tot don Heere onzen God; zonder dat dog zal hy niet Hgtelyk overwinnen maar misschien do nederlaag om onzer zonden wille krygen. Bekeeringe zal dien Vorst aangenaamer zijn, dan al het Lang leve^ dat hem in deeze daagen word toegegalmd, ja dat het voornaamste is, Bekeeringe zal een betragtinge van zulk eenen licvelyken reuk in de neusgaaten van den heiligen God weezen, dat hy daarom volgens zyne toezegginge, ons zinkend Vaderland nog zal behouden" ')
Door deze woorden moge Hofstedo's betoog nog eeuigs- zins blijk geven eene prediking voor de Gemeente te willen zijn , toch wekt deze aansporing tot bekeering verwondering. Evenwel , het zijn niet slechts de laatstaangehaalde woorden , het is geheel deze verhandeling , die onwillekeurig doet vragen , of hier voldaan is aan den eisch , die aan eene dergelijke rede mag worden gesteld. De prediker zelf heeft gelukkig dit bezwaar gevoeld. ,Ik weet niet boeter" — zoo verklaart hij vooraf ^) — ,of den voornamen inslag myner (jewoone Kerkredens is Geloof en Bekeeringe : Dog ik meende dat het niy , in zulken buiten'- geicoonen tyd , geoorloovd was, ook wel eens eene buitengewoone liederoeringe te moogen doen. Althans rayne Gemeente heeft het niet alleen goedgekeurd , maar ook zo veel genoegen , in dit myn doen geschept, dat ik liever hebbe, dat men zulks van elders, dan van my verneeme.'' Onaangenaam moge voorts zijne verheerlijking van een mensch — zij het ook een Stad- houder uit het Huis van Oranje en Nassau — klinken, in het bijzonder, waar zij in eene verkondiging des Woords wordt vernomen ; men dient in het oog te houden , dat er voor een' predikant als H o f s t e d e -- en hij was de eenige daarin niet ^) —
•) blz. 102.
•) Voor reeden aan den Leezer.
*) Men neme ^lechtA kennis o. a. van de talrijke leerreden, bij ge- legenheid van den dood yan denzelfden Willem IV in druk verschenen. AU bewij8, dat Hofstede'» predikatie der navolging waardig gekeurd
58
een nauw vtTbiiiid bestond tusschen de regecriog van ccn Stadhouder uit het aloude Stamhuis en het heil — ook bet gecötelijk heil — des lands.
De geleerdheid zijner tekstverklaring, waarvan de dorheid voor een niet theologisch ontwikkeld gehoor wel cenigszins weggenomen wurdt door de levendigheid van des predikers stijl, heeft men voor een groot deel op rekening te stellen van den tijd , waarin deze rede het licht zag. De dagen , waarin een IloUebeek, een Gvsbert Bonnet den stoot gaven tot eene meer vruchtbare preekmethode , waren toen nog niet aangebroken.
Hoe ongunstig ons oordeel moet luiden over eene wijze van prediken, als waarvan dit gelegenheidsstuk getuigenis aflegt, zooveel is toch zeker, dat wij in de leerrede, door Hofstede bij de verheffing van Willem IV gehouden, vooral wat de rijke aauteekeningen betreft '). een degelijk geschrift bezitten , dat , zoo al niet van des predikers eenvoud, dan toch van zijne groote geleerdheid en zijne warme liefde voor het Huis van Oranje-Xassau spreekt. Hoe langer zoo meer werd deze laatste in den lande bekend, alsmede de persoonlijk welgezinde verhouding, die er tusschen den Stad- houder en den Oost-Zaandamschen leeraar bestond. Het is dan ook opmerkelijk, dat juist de Gemeente te Eotterdam, met Delfc de eerste Hollandsche stad , die bij hare Vroedschap op 's Prinsen verheffing had aangedrongen , niet lang daarna
werd, kan ilioiion ojmi in den vorm ofiuT (waarsrliijnlijk ouuit«^csprukcn) locrredo oppfcstohiL» vcrhandolin*^, die in lUtïG liiioniom van do pers kwiim ondor den titel: Xnh rh.niiis'll*'iiK tftttt/tn in ffm Krfstatlhouder vf Ver- hantUliiKj Onr ih n t'i/t/itntoniif/rn (rduk's-Stttitf ran ini::r hipuhiick ^ tlitor ht f (niHsfaniiifr (^piu r fusfunr run Z'in Dtmrl. Ilotujhtiil Wilh'tn den IV</', />// irifz* r*ièi h'»(hnnn rififfr ortr Prufiht' AT rs 17a. Writ/r^ hikztilitt zljt (ir^ o LomK nfs mr hnnin// uu Xoint thr AV/<»/r/MV. 's-Ha«fe en Amsterdam. — Xiet alleen denzelfden tek^r, maar ook in hoofdzaak dcnzelfdon ^edaehtengani; trelt men hier aan, als in Hofstede*» boven- besproken rede, die vvaarsehjjnlijk den opsteller tot model heeft gediend, ui mist men dezelfde veelheid van beelden en eitaten er in.
') Deze beslaan nog moer plaats dan de preek zelf, en bevatten menige Mretens waardige bijzonderheid.
59
den bekenden Oranjeklant tot leeraar begeerde '). In April 1749 bereikte Hofstede het bericht zijner beroeping in deze Gemeente.
Spoedig was zijne keuze beslist. Reeds den Sston Juni nara hij afscheid van zijne derde Gemeente ^), na nog geen vier jaren in haar midden te hebben vertoefd. Zoo vertrok hij van de ,hartelyke zegcnbeeden" des Kerkeraads ^) begeleid naar de Gemeente, die het laatst en het langst van zijn' dienst als predikant zou genieten.
') In bet schotschrift Voor Petrus Hofstede worilt dan ook daHro]) gedoeld (blz. 13): „Rotterdam, eindelijk, onufHchoidcljjk verkleefd non Frisooa Huid, en afgodisch, omtrent haar wolbespraekto voorgangers, stelde hem aen tot Predikant/'
*) llij riep haar bij deze gelegenheid de veelzeggende woorden toe van Psalm OXXXVII : 5: „Indien ik u vergete, o Jeruzalem! zoo vergeto mijne rechterhand zichzelvo!" — Later deed zich eene omstandigheid voor, die aan deze betuiging ten goede kwam. Den 1 5^1 "Mei 1703 mocht hijzelf zijn' broeder Johanues als predikant te Oost-Zaandam bevestigen. Hij deed het met Psalm LXVIII : 28 : „Daar is Benjamin de kleine, die over hen heerschte, de vorsten van Juda mot hunne vergadering, do vorsten van Zebulon, de vorsten van Naftali." Deze Jo hannes Hofstede bleef aldaar tot zijn dood (29 Sept. 1778).
*) Aldus vermelden de Aota des Kerkeraads van Ooht-Zaandam.
§ 7.
Do eerste jaren ran Hofstede's yerblijf to Rotterdam.
Zijne «Bloemen gestrooid op het graf van
Willem Carel Hendrik Friso'\
Don 22ütcu Juni 1749 sprak Hofstede zijne intrecrede uit voor de Rotterdamschc OemecDte *). Zullen wij later bij du vervulling van zijn predikambt te Rotterdam opzettelijk stilstaan '), nu reeds zij opgemerkt , dat hij hier den meest
*) Hij werd bovestig<l mot 1 Kron. XX VI II: lü door 1)3. H. Br ui ni ng, Prodikjint te liotterdiim , dcnzelfdo, die binnenkort in bijzonderon zin zjjn bondgenoot >Yorden zou (zio hierna i^ 8). De intreetekdt wa** Jos. XXVn:2: „Te dien da^j^e zal er een wljnj^anrd van rooden wijn zijn; ziujLft van denzelven bjj beurte".
*) Zio hierna onder ij 1 van Ilfdrit. III. A Is bewijs, dat Hofstede in dezen tijd no'j het kerkelijk «elierpbelijnde standpunt niet ingenomen had , dut hem later eigen zou zijn, zij hier nog vermeld, dat hij in een particulier schrijven, gedateerd 1 May 1751 (berustend in het familie-archief van den Heer J. W. Chevallier, Directeur van het Postkantoor te Amsterdam), den te Rotterdam beroejxMi Cïroningschen predikant P. Chevallier sterk aanried die beroei)ing aan te n^Muen. Deze Chevallier toch stond (vgl. Glasius: GoiUjcicenl Srdrrhiml^ 's-Ilertogenbosch IS.")!, i. v.) bekend als een „liberaal", „echt bijbelsrh theologant", die zoo weinig partij- man was, „dat men Injna niet kon opmerken of hij tot de Voetianen of Cocoejanen behoorde, ofschoon liij onder de laatstgenoemden werd gerang- schikt."-- Als grond voor zijne aansporing stelt Hofstede in zjjn' brief de vraag, wie h(?t had kunnen d<'iiken, „dat de gemoederen zooverre van malkandercn verwijdert, zig biniuMi zulk een k(»rten tyd zouden bepaalen op een en hetzelfde subj<»ct en dat zonder daarover ooit met malkanderen in onderhandelingen getre«Ml(;n to zyn." „Door deze beroepingo" - - zoo verklaart hij vc^rvolgens - „is de woiule, »Iie zoo wyd gaapte, onder ons genezen, de ruste in dti Ii(>tterdaius<;lie kerke herstelt, Kn nan het ver- langen van den Magistraat om een man van studie te hebben voldaan. — Ik hebbo me<lelyden met die kerke" (die nl. van Groningen) „maar ben ook meteen bv niv zelven volkomcMi overreed, dat ze door UWE. vertrok niet in dat gevaar zal gebragt worden, met lietwelk wy, in gevalle van afftlag, gedreig«l worden".
Uit het bovenstaande blijkt, dat er reeds in die dagen verdeeldheid — waarschijnlijk over de vervulling der toenmalige vacature (vgl. ook Bhe-
61
vruchtbaren tijd zijns levens heeft doorgebracht, en dat zijne komst in deze plaats hem zeker op den duur niet heeft be- rouwd. De eerste jaren van zijn verblijf alhier mogen uiterlijk kalm zijn verloopen , toch had in dien tijd een feit van ingrij- pende beteekenis plaats , dat voorzeker op geheel ons vaderland indruk maakte, maar waarschijnlijk niemand meer heeft ont- roerd dan Hofstede. Nauwelijks was de rust hier te lande ten gevolge van den vrede te Aken (1748) teruggekeerd, of de mare verbreidde zich in October 1751, dat Willem IV overleden was. Schoone verwachtingen daalden ten gravc met dezen vroeggestorven Stadhouder, wien het noch aan goeden wil, noch aan bekwaamheid, allerminst aan lofwaardige zelf- beheersching, ontbroken had. Groot was het verlies, dat Neder- land trof door zijn heengaan. Geen wonder dan ook, dat, ofschoon de slag niet volkomen onverwacht was gevallen , eene plotselinge droefheid zich van de gemoederen meester maakte. Als gewoonlijk bij gewichtige gebeurtenissen ontspanden ook nu de dichters hunne snaren , en was het aantal lijkredcn , in die dagen verschenen, niet gering. Tot de laatsten mag, ofschoon zij wel niet juist nis lijkrede zal uitgesproken zijn , worden gerekend de hulde, die Hofstede den ontslapen Vorst bracht in zijne Bloemen gestrooid op het graf van Willem Carel Hendrik Friso^ Prinse van Oranje en Nassau^ Erfstadhoiider enz. enz enz. of Lofspraak ^ over Deszelrs Af- komsty Deugd^mj Gaaven^ Geleerdheid^ en Voortreffelijke Daaden^ beneffens een Troostrede aan Haare Koning Igke Hoogheid Anna eftz. enz. enz.^^ ').
Welke van Hofstede's populaire geschriften ook der ver-
mei gestrooid op het graf van W, C. IL FrisOy })lz. 9G) tusschon Ma- gistraat en Kerkeraad te Rotterdam en tuijBchen do Icdon van dien Kerke- raad onderling heersohto.
Eenige jaren daarna zou over eene dcrgolijko (pinorttio ooii moor ingrij- pend conflict ontBtaan, waarbjj Ilofstedo vnn nabij was betrokken. In- turtschen migte zijn brief aan C beval lier do gowonsohte uitwerking. Do beroepene bedankte.
>) Rotterdam, MDCCLII.
62
gotelhcid zijn prijsgegeven, zijne Bloemen zijn bekend ge- bleven tot in den tegenwoordigen tijd , en worden nog lieden ten dage met een' glimlach aangehaald als eene der voor- naamste proeven van gezwollenheid en vorstenvergoding op het gebied der achttiende-ceuwsche welsprekendheid. Daartoe bestaat aanleiding, ook al is zulks het ecnige niet, dat er van kan worden gezegd. — Slaan wij het vrij lijvig boekdeeltje open, dan wordt onze aandacht allereerst aan het begin getrokken door de beeltenis van de jeugdige dochter van Willem IV, de Prinses C a r o 1 i n a , waaraan door den auteur een dichterlijk bijschrift is toegevoegd. Een vleiende Opdragt volgt, waarin deze bedroefde Prinses de volgende woorden voor- gelogd worden: „De Oudheid verhaald, dat Pallas in haar schild, een aangezigte voerde, dat de kracht bezat, om, alle haare Bestryders in een oogenblik te verschrikken, te ver- stommen, ja te doeden. Uw aangezigte, dat ik, in den voor- geevel van dit Let'ergebouw, hebbe laaten slaan, is zo schoon, als het eevcngenoemde afgryslyk was, dog het zoude wel eens dezelve uitwerkinge, op de vianden van dit Boek, konneu hebben *). Althans ik achte my daar door, zo veilig, in de irooningen der Leeuwinnen^ en op de bergen der Luipaarden^ als in het midden van een kudde vreedzaame schaapen."
Uit de Voorreden vernemen wij vervolgens waarom de Bloemen eerst in den zomer van het jaar na 's Prinsen dood in het licht verschenen. Kort na dit overlijden toch was de drukpers zoo buitengemeen vruchtbaar, dat er op al wat zij voortbracht geen oog was te houden. „Al hadde iemant, met Janus, een dubbeld aangezigte, en in elk van het zelvde, de honderd oogen van Argus, nog zoude hy de Geschriften, die 'er daagelyks uitkwaamen , niet hebben konnen doorleezen." Daarom vreesde Hofstede, dat zijne woorden onder de grooto massa verloren zouden raken. Thans , nu die vlucht van schrij- vers voorbij is , durft hij zich „met een boeter nootlot vleien ,
») Voor zoover mjj bekend, ia daarvAn niet veel gebleken.
63
als zoraraige, welkers Boeken over Frisoos dood, en bcgrafenisse , bykans te geljk, met dien groeten Vorst gestorven, en begraaven zyn, ten deel is gevallen." Maar buitendien, de lezer wordt er mede gebaat, want door de latere verschijning heeft de auteur gelegenheid gehad zijn werk te beschaven. Was het echter na al wat reeds over dat onderwerp geschreven was geen overbodig werk? ,Neen", antwoordt Hofstede. »Hoe veele Veders men ook op deeze stoffe versneeden heeft, ze is egter, tot nog toe, van niemant uitgeput. De Oogst is hier zo groot, dat 'er niettegenstaande zulk een aantal van Arbeiders, nog veele koorenairen, ja geheelo schooven zyn intezaamelen". In de Bloemen is het beste bijeengebracht, wat in rijm en proza tot Friso's lof werd uitgebazuind. Maar bovendien komen er vele nieuwe bijzonderheden in voor, die men elders vruchteloos zoeken zal. ,De lust" — zoo verklaart de schrijver omtrent zichzelf — „die wy, van der jeugd af aan, tot de Geschiedenissen in het gemeen, en die van Nederland in het byzonder hadden; de toegang, die ons reets wanneer wy nog in de renbaan van het Friesche Athene liepen tot den Over- ledenen Vorst gegund wierde , en die ons t' zedert veertien jaaron nooit geweigerd is geworden, de meenigvuldige ge- sprekken , met dien gespraakzaamen Prins , over de Godsdienst en Geleerdheid , gehouden ; de aanteekeningen , die wy van alles; wat zynen geheiligden Persoon betrof , gemaakt hebben ; de vriendschap en briefwisselingen , met welke ons verscheidene Staatsmannen, en Hovelingen vereeren; zyn alle te zaamen dingen , die veroorzaakt hebben , dat wy tot kennisse geraakt zyn , van veele zaaken , die men juist, in de winkels der baard- scheerders, niet hoord verhalen".
Volkomen gerust is Hofstede niet omtrent de onverdeeld- heid van den lof, dien men voor zijne Bloemen zal over hebben. „De weereld is tegenswoordig zo fyn van tongo, dat een bok naauwlyks meer klaaver lust, en een zeuge, niet dan knorrende akers eet". Hij verwacht dan ook, dat het hem aan
64
«vitters en bedilders*' niet zal ontbreken; maar hij zal hen niet meer achten dan ,de wespen, die het gezonde vleesch voorbijsnorren, en zig op de leemten en zeeën nederzetten''; of dan ,een hoop hongerige spreeuwen, die met een groot geschreeuw in een boomgaard vallen , dog op den eersten schoot, als ') is het slegts met los kruid, de vlucht necmen". Hij hoopt intusschen, dat, evenals Apollo met welgevallen neerzag op het muschken, dat slechts een pluim aanbracht voor den bouw van zijn' tempel , ook Apoll o's lievelingen ten opzichte van zijn werk het woord zullen herhalen: ,Hy heeft gedaan hetgeen hy kondc".
Doen de Bloemen alzoo blijkens deze Voorrede iets buiten- gewoons verwachten, die verwachting wordt bij kennismaking niet teleurgesteld. Laat ons in hoofdtrekken den inhoud schetsen !
Is het strooien van bloemen op het graf van een' uitnemende onder de menschen een gebruik, al uit de oudheid bekend, ook thans bij de groeve des Stadhouders bestaat er aanleiding toe. „Terwyl ik" — zoo heet het — »nagt en dag met mynen geest omtrent dat dierbaaro graf zweevc, evengelyk Maria Magdalona ccrtyds met haar lichaam deede omtrent de spelonko, waar in men haaren Heere gelegt hadde; zo bevangt my op het onverwagtste de lust, om eenigo Lof- bloemen op den Prinsclykcn Zerk te strooien" *). Wat den aard dier , bloemen" betreft, het meerendeel is gewassen op eigen grond, andere zijn uit warmer luchtstreken , ,uit het Paradys van Gods woord, of, uit de hangende tuinen van Babel, de lusthoven van Adonis, Alcinous, Cyrus, Cleopatra, en die der Ilesperides"^). Immers, met bloemen uit ongewijde aarde wordt Friso's graf niet ontwijd? „Was het Moses ge- oorlooft het goud van Egypte te versmeeden tot den Taber-
•) Vermoedelijk is dit eon drukfout en hooft nion te lozen „«r\ «>) blz. 2. ') blz. 3.
65
nakel ; mogt Salomo met Hirams timmerbyl dos Ilecrcn tempel bouwen ; en stond het Josua vrij de Gibeonieten tot waterputters en houthakkers voor den Altaar te gebruiken , waarom" — zoo vraagt de schrijver — «mag ik my dan niet van den roof der Hei- denen bedienen?"') Rieken zijne , bloemen" sommigen niet sterk genoeg , ,men denke , dat ze niet weinig kragt verliezen , door den liefelyken reuk , van de allervoortreffelykste hoedaanigheden , die 'er uit het Graf van den Prins waazemd". Rieken ze anderen te sterk; dat ligt aan henzelf. ,A1 in Horatius tyd kon het Swyn geen balzemlugt verdragen. De Natuurkenners" — zoo vervolgt hij — „verhaalen, dat zo ras den Draaken eenig reukwerk in het hoofd stygt , zy aan 't woeden raaken tegens het onderwerp, waar van het uitvloeid. Ik hoope niet, dat myne Bloemen zulke eene uitwerkinge zullen hebben. Gebeurd het egter! 't Ontbreekt my aan geen kragtig tegengift. Ik weet niet, of het waaragtig is, dat de blixem geen vat op den Laurierboom heeft , maar ik weet zeer wel , dat ik de blixems van geene aardsche Jupiters vreeze, daar ik gezceten ben onder het lommer van den Oranjenboom. Myne Bloemen beleedigen niemant. De byen konnen 'er honing uithaalen. Wil 'er nogtans ymant met de spinne venyn uitzuigen, ik moet het verdraagen. Wy raaden hem evenwel zo sterk niet te zuigen, dat hy 'er zelvs aan barste" ^).
Welke wensch den lofredenaar bezielt bij het strooien P Dat een weinig van Priso's geest op hem ruste, of dat „een der hemelsche Seraphims" hem »voor een korten tyd eene van zyne schachten leene", opdat hij ^enkel hemelval" storte ^).
Zoo gaat hij dan eindelijk over tot de taak , die hij zichzelf heeft gesteld. De geboorte des Prinsen komt eerst aan de orde. In verband met zijne afkomst stond des overledenen deugd. De deugden , die bij andere menschen verdeeld voorkomen ,
») big. 3.
*) blz. 4, 5. ') blz. 6.
66
vereenigden zich in hem ^als in een middelpunt". „Zo de ovcrhuizingc der zielen, uit het eene ligchaam in het andere, geen verdiehtzel was, men zoude vermoeden , dat het beste van alle de zielen zyuer Voorouders, in hem was overgegaan" '). Tot zoover - - het is terecht opgemerkt ' ) — zou dat alles van een volmaakten heiden kunnen gelden; edoch, Hofstede vermag door een' enkelen trek van den Prins een volmaakt Christen te maken. Al die deugden toch ontleenden bij Fr iso haren glans aan zijne Godsvrucht. „ De Kerke word zomtyds vergeleekeu by eene vrugtbare Boomgaard; de Prins was 'er een Granaatboom in. Zomtyds, by eene wandellaan ; hy besloeg 'er de plaatze van een hooggetopten Ceder in. Zomtyds by oenen balzemhof , hy behoorde 'er in tot die speceriebeddekens, tusschen de welke de geostelyke Bruidegom zo graag gaat weiden" ^). Opgevoed door eene Godvruchtige moeder , besefte hij echter, dat er meer dan dat toe noodig was, om in waar- heid een Christen te zijn. Het duurde niet lang, ofeenhooger Licht bestraalde hem. „Hy zag, dat hy met alle zyneVorstelyke eernaameu van natuuren een onderdaan van het ryk der Duister- nisse was; dat hy met alle zyne rykdommen geen kwadrant penning hadde om te betaalen voor de zonde ; en dat hy met al zyu Purper niet in staat was, om de naaktheid zyner ziele te dekken. Dit deed hem, in naarvolginge van zynen groeten Naamgenoot, het verbond maaien met den Potentaat aller Potentaaten, Hy wierde een onderdaan van het Koningryke van Messias; ontfing ran het goud van Scheba] en trok, met handen des geloofs, den veel ver wigen rok van den meerderen Joseph, aan." Zoo werd de Prins een Christen onder de Nederlanders en die eernaam was hem de liefste. Een geest
') blz. y.
•) Dr. J. Hnrtoj( De Oranjepredikanten en hunne tegenstanders in Geloof en Vrijhrld, Jrg. 1875, blz. 141.
') blz. 11.
67
als die ons hieruit toespreekt , is wel eeuig in hare soort onder de Bloemen^ en met de doorgaande strekking van deze niet juist in harmonie.
Terstond daarop worden 's Vorsten bijzondere deugden weder verheven. De overgang gaat echter geleidelijk.
Nederig was hij. „Niemant kwam naader aan den Hemel, dan de Prins; om dat niemant minder swangcr van zyn eigen zelven was. Hy was eeven als Qideons kruiken inwendig vol van licht; maar hy zag 'er zelvs het minste van"').
Heel zijn leven toonde daarnevens het beeld van edelmoe- digheid. Zijne persoonlijke vijanden strafte hij niet dan door hun goed te doen. „Hielp dit niet. Hy plagtze te veragten. Als een Edelmoedig peerd kreunde hy zig niet aan het gekef der steendoggen, en als een Adelaar, hield hy eene lynregte streek, zonder zig met het gekras dor kraaien te bemoeien" ').
Zijne zachtzinnigheid evenaarde zijne edelmoedigheid. „Een Koning der Byen zynde, hadde hy geenen angel" ').
Maar deze deugd ging in dit geval samen met dapperheid. Mag alleen hij dapper heoten, .die, met den deegen in de vuist, de viandelyke slagordens breekt; vrugtbaare akkers, met lillende herzenen , bezaaid ; de loopgraaven , onder een vlugt van kogels opend ; de stormladder , voor de muuren , plant, zonder pekkransen, granaaten, gesmolten loot , en afrol- lende moolensteenen te vreezen P zo heeft Friso nooit zyne Dapperheid getoond;" het heeft hem daartoe slechts aan de gelegenheid ontbroken. „Gelukkig zyn de Franschcn, dat hy in de veldslaagen van Fontenay en Lavelden niet heeft ken- nen tegenswoordig zyn! Was hy 'er geweest; niemant zoude zyn Vaandel hebben durven verlaaten!" Nooit heeft Hofstede dan ook gelezen „dat een leger in wanorde vlood , daar Oranje tegenswoordig was. Hoc meenig Edelman, van het huis des
•) blz. 18. ») blz. 23. ») Idem.
68
Konings, die nu nog de Qatinderiën van Versailles, met een wolk van Anibcrgrys , en welriekende wateren parfumeerd , zoude, in zulk een geval, al van overlang, in dien staat geweest zyn, waar in Lazarus was, toen Martha van hem zeide: Hy riekt reeh'*^ *).
Nu echter zijne plaats buiten het oorlogsveld was, uitte zich zijne dapperheid in Standvastigheid. ,Assurs, en Babels Vorsten, worden vergeleekcn, hy Arenden groot ran vleugelen^ lang nan vlerken en vol van vederen. De Romeinsche Caesars, hadden in dat zinnebeeld zo veel behaagen , datze eenen Arend van paerlen, en edele gesteentens, op hunne schoenen , droegen. De Prins hadde, niet alleen de hoedaanigheden van eenen Arend, die tegeus eene brandende Sonne durvd invlie- gen, maar ook te gelyk, van eenen Paradysvogel op welken geenerlei zoort van weer invloed heeft, en van den Halcyon, die in eene onstuimige zee, zo gerust in zyn nest zit, als wanneer ze zo vlak is, als een SpiegeP^ '). Gelatenheid in tijden van druk was van die standvastigheid mede het kenmerk.
„Men zegt: dat het woord Prins ^ by de Hebreen, afstamd , van mildmligheid te oefenen. Dit is zeeker , dat een Prins van Oranje te zyn, en Mildaadig te zyn, een en het zelvde is"^).
Wel durfde men er den Prins een verwijt van maken, dat hij buitengewone sommen ten koste legde aan de vorgrooting van zijne paleizen en lusthoven , maar hij bedoelde daarmede meer het voordeel van het gemeen dan zijn eigen gemak. Indien al de door hem beweldadigden uit alle windstreken konden worden tezamengebracht , dan zou geen zijner gebou- wen of lusthoven hun groot getal kunnen bevatten.
Friso's rechtvaardigheid wekte dc| verwondering van groot en klein. „Nooit beroofde hy ccnen mensehe van zyn eenig
•) blz. 24, 25. •) blz. 2r>, 26. ') blz. 27.
69
ooy lam, of sneed de slip van iomaDts mantel af* '). Zonder aanzien des persoons oordeelde hij volmaakt onpartijdig : . Ver' loor m^n zyne zaak? men bedroefde zig niet; H was vertroos- tinge gefweg^ dat het vonnis was tütgesprooken^ van eenen Prins, van wien men overtuigd was^ dat hy zo min onrechtveerdig konde zyn, als licht, duisternisse^^ *).
Zijne minzaamheid overtrof alle verwachting. „Niemant was ligter te naderen , dan hy. Hy gaf als de Echo in het gebergte aan elk antwoord. Veele kwaamen treurig tot hem; maar weinige vertrokken treurig van hem. Moeste hy zommige iets weigeren? de wyze van weigeringe, deed hen eevenswel, zo vergenoegd, heenen gaan, als of ze de begeerde zaak ont- fangen hadden^* ^). Andere moogen landen winnen ; hy heeft met zyne minzaamheid de geheele wereld gewonnen*^ ^).
Zijne arbeidzaamheid kende geene perken. „Als een tweede Archimedes , beweegde hy, zonder zig zelvs te beweegen , do geheele Nederlandsche wereld uit zyn Kabinet'* ^).
Zijne matigheid was onbeschrijflijk. „F ris o at om te leeven; maar leefde niet om te eeten; en gebruikte volgens don raad van Paulus, aan Timotheus gegeeven, slegts een weinig wyns" ®). Van hem kon gelden hetgeen Poggius eens van Hieronymus van Praag getuigde: ,dat hy nooit iets gedaan heeft, het welke een eerlyk man onbetaamcntlyk is" ^). „'T is waar! Hy was een mensche, maar Haadam, een mensche by uitstek, weerdig dat men op hem wees, en zeide: dit is Hy, Hy behoorde tot dat soort van Menschen, die , eeven als zommige sterren , zig maar eens om de honderd jaaren vertoonen , en , als de Fenix , alle daagen niet gebooren
|
1 \ |
blz. |
31. |
|
s \ |
blz. |
32. |
|
s\ |
blz. |
33. |
|
k\ |
blz. |
34. |
|
»\ |
Idem. |
|
|
•) |
blz. |
35. |
|
0 |
blz. |
87. |
70
worden ; moetende de Natuur ten minsten een eeuw lang zwanger gaan, om ze U) voltooien" ').
Naast al die deugden bezat de Prins ook de heerlijkste gaven. Als David was hij schoon van gelaat. ,yTTct hoofd van Medusa, veranderde de Ligchaamen in steen, maar 's Prinsen gelaat stond zo vricndelyk, dat hy 'er de gemoederen moede wiste te knecden als wasch"*).
Welsprekendheid ging daarmede gepaard. ,,Hy sprak in den styl van het orakel, en alles wat hy voortbragt, smaakte naer het Purper. Niemant drukte zig gelukkiger uit" ^).
Zeldzaam vast was zijn geheugen. ,)Men getuigd, dat Josephus Scaliger, den geheelen Homerus, bestaande uit meer dan sestig duizend Vorsen , in den tyd van een-en-twintig daagen, heeft van buiten geleerd." Friso — „overtrof daar in Scaliger, dat hy nooit zyne Vrienden vergat" *).
Opmerkelijk, omdat deze dingen veelal niet samengaan, mag heeten , dat een man van zoo sterk geheugen als de Prins daarnevens ook zoo grootc vlugheid van verstand en oordeel bezat. Die vlugheid was als van den redenaar , die tot zijne Hoorders durfde zeggen: „Geef maar op wat gy wilt; ik zal 'er over spreeken" •''•). Zijn oordeel faalde nooit.
Met voorzichtigheid voerde hij alles uit. Wonder, dat er onder de vele penningen , hem ter eere geslagen , geen bekend is »waar op hy als Mercurius, met een Slang, staat afgemaaid" *).
Zijne stilzwijgendheid was bij hem, den van nature spraakzame, een gevolg van zijne voorzichtigheid.
Al deze natuurlijke gaven beschaafde de Prins door geleerd- heid, die hij mede dienstbaar maakte aan het welzijn des
|
•) blz. |
40. |
|
>) blz. |
42. |
|
>) blz. |
43. |
|
*) blz. |
44. |
|
») blz. |
45. |
|
•) blz. |
46. |
71
vaderlands. — Wij zullen den lofrcdenaar niet volgen in de beschrijving van 's Prinsen kennis; men begrijpt het reeds: geen tak van wetenschap is er, waarin hij niet uitblonk.
Van een' Vorst, met zooveel schoons versierd, kon men slechts vorstelijke daden verwachten. Van die doorluchtige daden was de een natuurlijk al heerlijker dan de andere. Opmerkelijk is ook daarbij weder de handigheid, waarmede de schrijver letterlijk alles ten voordeele van den Prins weet uit te leggen. Niets wat daartoe dienen kan wordt door hem overgeslagen, maar ook, schier alles kan hem daartoe dienen. De Prins wordt verheerlijkt als B e v e 1 h e b b e r. Nadat niet min- der dan tien bladzijden aan dit onderwerp gewijd zijn, voorziet Hofstede eene bedenking — en eene, voorwaar ! van zooveel gewicht, dat hij wel gedwongen is, ze onder de oogen te zien: ,Ik bekenne, wy hebben, zelvs onder Prisoos bestier, nog eenige gevoelige Stoeten van den zeegepraalenden Galliër ont- fangen". Die bedenking vervalt — neen meer, ze wordt zelfs eene bevestiging van 's Vorsten eminentie ook in dit opzicht : ,Wyt dit egter den Prins niet; zo'gy niet wild dat hy zyn hoofd ten grafkelder uitsteeke, en tot u zeggen, gelyk Jacob by een andere gelegentheid , eens sprak: Ben ik dan in de plaatze van God? — Heeft de Prins in het voeren van den Oorlog zyne misslaagen gehad P Men toone my een Veldheer, die ze niet gehad heeft. ~ Ook zyn alle de misslaagen, die 'er begaan mogten weezen, de zyne niet" *). — De liefde bedekt alle dingen! — Het ligt voorde hand, dat Hofstede, waar hij den Prins als steunpilaar der Hervormde Kerk af- schildert, tevens herinnert aan diens houding tegenover Stinstra. Daaruit is volgens hem opnieuw gebleken, dat Willem IV — indien het noodig was — gewillig het harnas aanschoot voor de „Dortsche Leerstukke n", en dat „niet , om dat ze door de Vrienden van Maurits gesmeed, maar door dezelve, uit Gods woord, by een verzameld zyn" *).
') blz. 78—80. ») blz. 92.
72
Toch had de Prins een' afkeer ^van die heerschzugtige Kerkelyke , di(; ging het naar hunnen zin , graag 's Lands Bondelbylen met den Herderlyken staf zouden 't zaamcn paaren" *).
Het spreekt vanzelf, dat zulk een Vorst door zijn volk als op de handen gedragen werd. Kwam hij voor de eerste maal in eene stad, het vreugdegejuich was dan ook zoo groot, dat de aarde er van spleet en de lucht er van donderde.
Toch, bij al zijne voortreffelijke daden — Hofstede ont- kent het niet — liet de Prins veel ongedaan werk achter. Edoch, men verwondere zich liever, dat hij in vier jaren tijds nog zooveel tot stand bracht. «Onze Burgorstaat was, door meer dan drie duizend Ossen , zo vol mist geraakt , dat Hercules zelvs, die de stallen van Koning Augias in eenen dach wiste te zuiveren, 'er ten minsten tweemaal zeeven jaaren toe noodig zoude gehad hebben" '). — Af gesloofd werd hij in den zomer zijns levens door den dood overvallen. „Onder het bezigtigon der sterk tcns van ons Land; onder het beproeven van het geschut, en onder het beoordeelen van do oefeningen der Myn werkers, beloerde hem do Dood uit een hinderlaag; nam haaren boog in de hand; loido 'er den zwar- ten flits op; volgde hem op wolle schoenen naar de Oranje- zaal; schoot daar toe; en beroofde ons dusdoende in oenen nagt, in een uir, in een ogenblik van zo veel heils" *). — Mateloos was de droefheid in het land. , Honderd duizend koelen schreeuwden hem agter na: Myn Vader! Myn Vader! uaagen Israëls en zyne ndteren! ^^*). Nog eenmaal doorleeft Hofstede in den geest de ure, toen de droeve mare hem bereikte: »De haairen onzes hoofds reezen te berge; onze knieschyven stieten tegens inalhunderen , en de handel onzer
•) blz. 03. ») blz. 106. *) blz. 107. "•) blz. 110.
73
lendenen wierden zo los, ak die van Behazar, toen \r op den ivand geschreeven wierde : Mene ^ Mene , Tekel, Upharsin, -- Wij leefden, en wisten naauulyhf dat wy leefden^).
Doorgaans ziet men , dat op een zwaaren Donderslag een sterke reegen volgd. Naauwlyks was die eerste bedommclingo over, of 'er vloeide een piasreegen uit onze oogen. Salomons koopere zee, wat zeg ik! alle de Traanflesschen der oude zouden het nat niet hebben konnen bevatten". — En die droefheid was algemeen. „In Egypteland beweende elk zynen eerstgeboorenen ; in Nederland elk zynen Vader. De Landman gcdagte niet meer, dat zyne Polders onder waater, en zyne Runderen bedwelmd op den dyk stonden. Het missen vanden Prins viel hem harder, dan het verlies van duizenden van Rammen, en tien duizenden van Oliebeeken. De Borger sloot zynen winkel, en rekende nu alle winst maar schade. De Koopman vergat van schrik, zyne wisselbrieven te teckencn, en de veder lilde zo sterk in de handen van den Schryvcr, als of ze nog haar zitplaatzo haddo in de vleugelen eener Duive, die een verscheurende Havik booven zig in do lucht ziet hengelen. De Krygsman sloot zynen Helm , om zyne bleek- heid te verbergen. De Staatsman zonk het hert in de schoenen , en de Adel vergat zyn staatelyke deftigheid. Do jonge dochters leiden haar goud en purper af, eeven als of 'er een tweede Marius gestorven was, en staaken zig in het zwart. Stamelende wichten vraagden malkanderen op de straaten: Weet gij niet dat 'er een Vorst, ja een groote, in Israël^ gevallen is ? De Tempels, gelyk het gaat ten daage van een algemeene elende, liepen vol, en de Priesterschaar , staande tusschen het Voorhof en het Altaar , riep met een halfgebrookene stemme, en hygenden adem uit: Spaar u volk, o Heere! en geeft uwe erfenisse niet over tot een zmaadheid. Lamper en floers bedekten onze Citers. De snaaren klonken dof en schor. De Klokken bromden, en de Jeremiaden maakten klaagliederen, desgelijks
O blz. 110, 111.
74
aJJe Zangeri< en ZangeresHcn spraahen van den Prins inhawe Klaagliederen, Dan was het eens: O myn ingewand! myn ingewand! ik hehhc haarenswee! o wanden myncs herten! myn her te maakt getier in my! d^) eere w weggevoerd uit Israël! dan wederom: Gy dogters I^raëls! weend over Saulj die u kleedde met scharlaaken en met weelden^ die u sieraad van goud deed draagen over uwe kleederen ^ en het slot was altyd: dat hy nooit moeste gebooren ^ of nooit gestorven zyn^ het wTlkc men van Augustus en Severus plagte te zeggen" *). De ontroering strekte zich zelfs over geheel Europa uit: ,Dc lucht, geperst door het sterk uitschieten van zo veel Achs^ Helaas, en o Myns, sloeg geheele brokken van Albionskryt- bergen af. De Weixel vlood en keerde achterwaarts. De Rhyn- nimf scheurde haaren krans van waterlis, en de beurtgezangen hielden in do wyngaarden van Bourgogne op" *). Meer nog, ook de Natuur scheen er in te deelen. » De Dichters verhaalen, dat de raarmerc wanden op dien tyd van angst gezweet hebben , en dat het Vee, gelyk als by het sterven van Caesar, geen gras wilde eeten. Dit is ten minste zeeker, dat Apollo zig, by F r i s o o s begraafenisse , niet op den holderen Zonnewaagen vertoond heeft, en dat het daags te vooren, onder eene gewel- dige sneeujagt zo vervaerelyk stormde , als of de geheele Natuur in arbeid was" ^). En nog is alles sinds even treurig gebleven. .Alleen do Engelen; alleen de Cherubims; alleen de Throo- nen ; alleen de zielen der volmaakte Rechtveerdige zyn verblyd , en verdubbelen hunne Halelujahs , over de aankomst van zulk een Medeburger, in het Hof des Hemels" *)
Zijne eigenlijke , bloemen" heeft Hofstede hiermede ge- strooid. Het onderwerp was dan ook vrij wel door hem uit- geput. Toch drong hem zijn gevoel het bij de lofrede op
») blz. 112—114.
») blz. 114.
') blz. 115.
*) blz. 116.
75
F ris o niet te laten. Hij had behoefte, om rechtstreeks tot haar een ^Troostrede" te richten , die het nauwst met den ont- slapen Vorst was verbonden geweest, de Prinses Anna. Hij wil haar niet komen aandragen met wercldschen troost , neen , hij wil hare genezing zoeken in de oorzaak harer smart. En daarom schildert hij haar den Prins voor oogen, gelijk hij was als gemaal.
„Hy was u een Cyrus, gy zyn Panthoa. Hy u oen Mauso- leus, gy hem een Artemisia. Hy u een Mithridates, gy hem een Hypsicratea. Hy u een Brutus, gy hem een Porcia. Hy u een Theodosius, gy hem een Placilla" *). Juist zijne uit- nemendheid , zijne Godsvrucht was de oorzaak van zijn' vroog- tijdigen dood. ,Gclyk zommige groote dieren veel korter lecvcn, als oenigo kleine vogelen; zo leeven die van het Huis van Oranje en Nassau ook doorgaans zeer kort" ^). „God be- minde uwen Prins op een byzonderc wyze", zoo roept hij der treurende Prinses toe, .en daarom wilde hy hem niet lang als vreemdeling in het Mesech deezer weereld laaten omdoolen" *). Mogelijk is de ontslapene weggenomen, opdat hij do dagen des kwaads niet aanschouwen zou. Want dagen des kwaads, Hofstede zag ze naderen voor zijn land. En dan ook, de Prins moest zijne eer niet overleven. Dat zou mogelijk geweest zijn met het oog op de ongestadigheid van de volksgunst — Gelijk men oudtijds dezulken, die vrijwillig voor het vader- land zich opgeofferd hadden, niet beweende, zoo mocht ook de achtergebleven Vorstin over haren gemaal niet al te zeer treuren. Want immers, deze had zich opgeofferd voor het Geraeenebest. Bovendien is het haar ongeoorloofd in den geest van Davids rouwklacht over Absalom te zuchten: Ach ware ik vóór u gestorven! — want die klacht zou eigenliefde
>) blz. 129, 130. ■) blz. 136. •) blz. 137.
76
verraden, zo zou beteckoDon : ^Och was ik gelukkig^ en de Prins ongelukkig /'' * )
Treurt zij misschien over de wijze, waarop hij gestorven is? „De Jooden tellen neegen honderd en drie zoorten vatt Dood, maar de allerzoetste, zeggen ze, is de Dood des kus. Een molensteen verpletterd Abiraelechs herzenpan ; een weinig slaaps doed Eutiches uit het vengster vallen; Fabius sterft aan een hair; Anaereon aan een druiven korrel; Tarquinius Priscus aan een graat ; Saul stort in zyn eigen zweerd , en een scherpe naagel maakt een einde aan Siseraas daagen. Door geene van deoze middelen, is uw Prins weggerukt, maar een zagte dood, de dood des kus gestorven. Zegd dan niet meer: is er wel een smerte als myne smerte? want wy zouden u moeten antwoorden : Jaa (kiar l^ een smerte^ grooter dan uwe sinertey^) En dan wijst haar troostredenaar op de smart van eene Louise de Coligny en andere doorluchtige vrouwen, wier echtgenooten een anderen dan den natuurlijken dood moesten sterven. «De Oranjeson hadde te Aken, of elders, konnon uitgescheenen hebben, maar hy is in den schoot van u, zyne beminde Thetis ondergegaan'' ^). 's Prinsen uiteinde was schie- lijk, voorzeker. Maar was dit juist niet een voorrecht? ,Qod handeld met zyne liefste kinderen, als iemant, die zonder voorafgaande waarschouwinge , op een gemeenzaame wyzo, zynen vriend, ten twaalf uiren, by zig ter maaltyd vraagd" *). Geen enkele klacht der Prinses mag worden overgeslagen. Het zou mogelijk zijn , dat de heengegane wegens de hevig- heid zijner ziekte geen tijd meer gehad heeft, om bevel te geven aan zijn huis. Maar was dat noodig? Hij had immers bij zijn leven reeds letterlijk alles bezorgd ! Neen , de bedroefde zie liever op wat haar nog is gebleven, op hare dochter,
') blz. 147.
') blz. 150, 151.
') blz. 151.
*) blz. 153.
77
«waaraan de natuur alle haare gaaven, ten proeve van haare kragt, en om te toonen wat meesterstukken ze weet voorte- brengen, te koste gelegd heeft", op haren zoon, „die het ogelyn van Nederland, en de vcrwagtinge van het geheele Protestantendom is" *).
Hofstede heeft — gelijk dit ook geschiedde met den wgn op de bruiloft te Cana — zijn' besten troostgrond voor het laatst bewaard. De kastijding is bewijs van Gods gunst, en moet Zijnen kinderen medewerken ten goede.
Maar .behalven al het gezegde" — zoo vervolgt hij — shebbe ik nog een klmnp vygen voor uiv geswei. Grootmoedige Anna! gy staat op een verheeve plaatze. Al wat gij doed, verrigt gy, als in het openbaar, en het verstrekt andere ten voorbeeld. Alexander zig uitgelaaten aanstellende, over de Dood van Clitus, wierde van Anaxarchus met deze taal, ter nedergezet: Is dit de groote Alexander? die van de geheele weereld word geacht en geëerd; ziet hoe dat hg zig aanstelde en hoe kinderlyk hg neend. Houd gy u, veel eer zo, dat de nakomelingschap zeggen mag: Verzet de dood van uw Echtgenoot^ met zwik een hert ab Anna dezelve gedraa- gen heeft'' ^).
De .Troostdoek", waarmede Hofstede trachten zal Ann a's tranen te drogen , is bijna afgeweven. Een „draad van hemels- blaauw" zal hij er echter nog inslaan; hij doet het met deze woorden: „Uw Gemaal is niet gestorven , maar slegts vertrok- ken. De weereld is als een groot Palcis. De Eigenaar daar van heeft het in twee vertrekken, het hemelsche en het aardsche verdeeld. In het laatste woonen de vroomen eerst, in het eerste laast. In het eerste worden wy met menschen, in het andere met God en Engelen vereenigd. Het eene is de zitplaats der sterfelykheid ; het andere der onsterfelykheid. In het eene slaafd en draafd men« in het andere rust men. Het eene is
>) blz. 166, 167. «) bla. 179.
78
een worstelperk van veele rampen, het andere een Eden van vrolykheid. Beide zyt gy in het zelvde huis; een en het zelvde dak bedekt u , maar gy woond , tot nog toe , in het slegtste; de Prins daarentegen in het beste vertrek"').
Een welsprekend gedeelte, het welsprekendste, indien al niet van al wat hij schreef, dan toch ongetwijfeld van deze zijne lofspraak en troostrede, is voorzeker dat , waar Hofstede aan het eind van de laatste don gestorven Vorst schetst als be- woner des Hemels te midden zijner Godvruchtige voorvaderen. „O hoe liefelyk! hoe begecrlyk is die wooninge! wie kiest niet liever daw aan den dorpel te ziften^ dan lange te woonen in de teute der Godloosheid! konde hy nu nog tot u spreeken ; ik ben vcrzeekerd, dat zyne woorden zouden zyn als die van Paulus tot Agrippa: ik wenschte dat gy uaard als ik. Die oogen , die hier daagelyks 's Lands ellende moesten aan- schouwen, zien nu den Koning in zyne schoonheid; die ooren, die hier door zo veele klachten vermoeid werden, hooren nu niet anders, dan het geluit der Citers, spoelende het groote Hallel; die tonge, die zo veel gevergd wierde, spreekt nu niet anders als de groote daaden Gods; die handen, die hier altyd moesten werken, draagen nu palmtakken van ovor- winninge; die voeten, die hier onophoudelyk in het slyk moesten treeden , gaan nu langs straaten van goud ; dat Hoofd , dat zig hier nooit onbekommerd konde nederleggen , slaapt nu in den schoot van den Bruidegom der Kerke; dat herte, dat hier zo hygde naer de volmaaktheid, geniet nu het oneindige ; en dat ligchaam , dat hier met zo veel zwakheeden hadde te stryden, blinkt nu als de glans des uitspansels. O vreugde booven alle vreugde^ mag ik hier wel met Augustinus uit- roepen! O gelukkige vermaaklykheid ^ en vermaakelyke geluk- zaaligheid! De Heilige te moogen zien; by de Heilige te moogen weezen; en zelvs Heilig te mogen zyn! God te moogen aan- schouwen ^ en God in eeumgheid te moogen hebben! Al gaave
') blz. 187, 188.
79
hem daar ieraant voor, al het goed van zyn huis, ja alle de kroonen der aarde, hy zoude hem gantschelyk verachten; en met Daniel zeggen, toen Belsazar hem tot derden Heer- seher in zyn koningryk wilde aanstellen: Hebt uwe gauven voor u zelvetiy en uwe vereeringen geefd die aan een ander: ik voor my ruile myne heerlykheid , voor geen blinkend nief^ ^ ).
Teekenend wederom is de verzuchting, waarin alles ten slotte zich bij Hofstede oplost: „Och dat my ieraant vleu- gelen eener duive gaf: Ik vloog naar booven; om my te baakeren, in de straalen van dat alkoesterende licht, waar- mede Friso thans orascheenen word" ^).
In de dagen des auteurs luidde het oordeel, over de j, Bloemen'^'' uitgebracht, allesbehalve eenstemmig, hetgeen natuurlijk in vele gevallen samenhing met het verschillend standpunt, dat men innam tegenover den persoon en het gezag des over- leden Stadhouders. In een der toenmalige tijdschriften w^erd de stijl genoemd „Verheven, Qrootsch, Geestig, met aardige Vindingen, keurige Zinnebeelden, gepaste Gelykeuissen , en sierlyke Verbloemingen, konstig doorweven", en getuigende ,van des Eerw. Schryvers, grote belezenheit in de Schriften der Ouden, van de doorzigtigheit zynes Oordeels*) en rykheit zynes Vernufts" *).
») blz. 189—191.
*) blz. 192.
*) Opmerkelijk! Een ander onbekend schrijver vindt or juist gebrek aan oordeel in (Vgl. hot bijna 20 jaren later verschenen geschrift : Tegen- iroordit/e staat des yegchih orei" den Bei i sari u s tnsschen de Eerw. Heeren Petrus Hofstede en Cornelius Nozemau^ en anderen; voorgesteld^ in eeti gesprek tusschen drie lieden, in een trekschuit. Z. pi. enj. blz. 7 — 17). Hofstede zelf staat dezen criticus te woord in zijn Voorreden op J. J. Zimmerman De voortreffeli/kheid des Christel ijken Godsdienst, vergeleken met de Philosophie van Socrates. Rotterdam 1770. Pag. CC VI, CCVII.
•) Boekzaal der Geleerde Wereld, Aug. 1752, blz. 193, 194. Het vol- gende „klinkdigf* is zelfs bij deze recensie opgenomen:
Wat handt bestaat de lof van Frizo te beschrvven? Bloedtrode Krokus, Roos en purpren Violier Te stroojen op zyn' zark? Wie meldt, vol redenzwier,
*t Vermogen van zyn' Geest, bekent uit zyn bedryven?
80
In een ander tijdschrift achroomdo men niet vele jaren later van Hofstede te getuigen, dat bij ,door syne Bloemvu^ (/estrooid op hef r/rav van ivfflen i^i/nr Doorl, Hoogheid Glor: Gedagt: als een man van meer dan gemeene welspreekenheid en beleezenheid , wyd en zyd genoeg bekend geworden is" * ).
Zeker Nederlandsch Hoogleeraar in de Godgeleerdheid zou van de Bloemen getuigd hebben, ,dat er in de Republiek weinigen te vinden zouden zyn , die bekwaam waren om soort- gelyk werk in de weereld te brengen" ^).
Daartegenover werden de Bloemen in geen enkel opzicht gespaard. Achtte een ze veeleer van het galgeveld, dan uit een of anderen lusthof afkomstig, een ander ging nog verder door ze bij „stinkende Gouwe" te vergelijken ^).
't Ih Petrus, dio deoft' pligt niet wou versohuldigt bl wen : Die KunHt nift Waarheit paart, ontvonkt door Hemolvier, Men kroon' dit breinrvk hoofdt met krakendon Laurier!
De Aartsgoedtlieit doe zyn* troost- en zegentaaF beklyven!
KnarB vry op uw gebit, gewaande Patriot; Dit '8 recht d"* Oraujettfatn en Neerlandis heil beminnen: Veratomp op deze blaen uwe averegtïtche zinnen:
Wy zien Hun, (daar uw' naam by ieder is» verrot,) Dio lyden moesten, om uw woeden te bedaren Va^t pronken , om den kruin met frisBcho klimopblAren.
Dirk van der Steen.
Zoo wist men uit do liloemcn nog politieke munt te slaan.
») De Repuhhfl' dt*.r geherdtfti of Bofkzaaï van Europa, Julv en Aug. 170«, blz. 23.
•) Volgens eene medodeeling der Kralingiana, Tweede Bk, blz. 37, 38.
') Zie bij Dr. J. van Vloten Eengeestelijk woelwater der 18de e/fuw („De Levensbode" UI) blz. 302, 363. Het sinds 1771 gedurende oenige jaren verschenen blad De Ühapsodist, dat trouwens over 't algemeen zeer tegen Hofstede gekant was, dacht er ook ongunstig over. Met het oog hierop vinde de volgende aanmerking, geschreven door de hand van een der vorige bezi tters (den Heer van Dam van Noordeloos) in het mij toe- behoorend exemplaar der Bloemen, eene plaats: «Men wil, dat de Schrgver van deze Bloemen na do vele scherpe aanmerkingen en hekelingen daarop, inzonderheid in den Rhapsodint , een weekblad van die dagen, gemaakt, getracht heeft, die uit de wereld te maken, en nog bij zijn leven de exemplaren daarvan zooveel mogelijk heeft opgekocht, waardoor dan ook dit Btuk;je meer zeldzaam is geworden." — Van die zeldzaamheid is mij in vergelijking met andere werken van denzelfden auteur niet voel ge- bleken. De juistheid der geciteerde opmerking blijvo voorts voor rekening van hem, van wien zij afkomstig is. — Ten bewijze, dat ook onder de schrijvers van de tweede helft der 19de eeuw het oordeel over de J5/ofwi<;;i
81
Ook enkele jaren daarna stak Hofstede's toenmalige tegenstander, de Kralingsehe predikant Th. van der Groe, er openlyk den draak mede '). Vooral bij des auteurs anta- gonisten schijnt de herinnering er aan zeer langen tijd levendig te zijn gebleven. Zelfs bij niemand minder dan Elisabcth Wol ff, geb. Bokker, die de beginselen, waarvan Hof- stede op later leeftijd vooral zich als een der voornaamste woordvoerders deed kennen, bestreed, was dit het geval'). Den meest rechtstreekschen aanval echter had het werk drie en twintig jaren na zijne verschijning te verduren van Prof. R. M. van Qoens^), die vooral op het aanstootelijke wees van zoovele Bijbelwoorden, daarin gebezigd. Hofstede zelf erkent, dat van Goens ,de eerste en eenigste" *) in al dien tijd was, die hiertoe ojizettelijk overging.
De Bloemen moeten op ieder, die nuchter oordeelt, den indruk maken van buitengewone gezwollenhoid , van zeldzame vleitaal, die menigeen uit den mond van een Christelijk pre- diker zelfs aanstootelijk klinken zal. Met den tijd is echter ook de smaak in menig opzicht veranderd, en wij vermaken
zéér Tenohillend luidt, zjj hior herinnerd aan do uitspraken vnn B. O I a- sius {Godgeleerd Nederland^ II, blz. 120), die van meening is, dat Hof- stede daarin Willem IV „op geeno onwaardige wijze bezong" on van Vlo ton (t. a. p., blz. 349), die het werk noemt een „onovertroffen en onovertrefbaar pronkstuk van gezwollenheid en valsch vernuft*'.
*) In diens Klaefe en Grondige wederlegging van het nieuwverzonnen HoUandtseh Kerhélyk Beroepingsrecht , onlangs uitgegeven door Dom. H. Bruining en P. Hofstede^ enz.^ Rotterdam 1756, blz. 4 („Voorreden"'), bis. 81 e. a.; en in diens Noodig Aanhangsel der Klaere en Grondige trtderleggifig van het nieuw verzonneti HoUandtseh Kerkelyk Beroep)! ngsrecht^ enz., Rotterdam, 1757, blz. 53, 65, 92.
■) Vgl. het van haar afkomstige geschrift: De Bekkcriaansche Deo- ling op eene geheel nieuwe wyze, dat is proefondet'Hndelgk^ irederiegd. Hoorn, MDCCLXXV (anoniem verschenen), blz. 5.
•) In s|jn Bericht rakende de Recensie van zyne Vertaling van de Verhandeling van Mo zes Mendelszoon, over het Verhevene en Naïre in de fraje wetenschappeny enz. Utrecht, Octob. MDCCLXXV, Bijlage O, bis. 53 TT.
*) In s|jn Dt*ie brieven aan den Heer B. M. van Goens te vinden achter J. Habbema: Tegen-Bericht of Kort Vertoog van de kleine kragt doch grooten drift, die er is in het Bericht van Bijklof Michael van Goens, enz., Rotterdam, HDCCLXXVI.
6
82
ons onwillekeurig met oratorische ontboezemingen , die vroeger menigeen in geestdrift brachten. Gegronde aanmerking zou er te maken zijn op een aantal beelden en vergelijkingen, even onjuist als onaesthetisch , al dient daartegenover gesteld, gelijk reeds in het voorbijgaan werd opgemerkt , dat er enkele gedeelten in voorkomen, die onwillekeurig tot de erkenning nopen van des auteurs talent Heel het werk is intusschen één doorloopend zondigen tegen den regel , dat eenvoud ken- merk is van het schoone. Toch , men oordeele billijk en scheide dit literarisch product niet van hem, die het voortbracht, en van de omstandigheden, waaronder dit plaats had. Hof- stede heeft de waarheid bedoeld, en al liet hij zijn gevoel en verbeelding al te zeer den vrijen teugel, hij is oprecht geweest. Deze zijne zwakheid en kracht te gelijk heeft hijzelf onbewimpeld erkend : ook bij het toegeven aan zijne ,Ver- beeldingskragt" is hem toch de oude spreuk voor oogen ge- weest: „Laat Plato uw vriend zyn; laat het Socrates zyn, maar laat het nog meer de Waarheid zyn" *). Hoc dan dat onnatuurlijke te verklaren, waarvan zijne Bloemen het kenmerk dragen? Men lette hier vooreerst op den eerbied, dien hij koesterde voor Friso als Vorst. Hij huldigde in dien Vorst als het ware den Gezalfde des Heeren, het wet- tige van God verordinecrde Hoofd dezer gew^esten, den Spruit niet het minst uit dat éénig Stamhuis, zoo onafscheidelijk met 's lands welzijn verbonden. Maar naast het ambt eerde hij ook in bijzondere mate den persoon des Stadhouders. Reeds toen hij te Franeker studeerde had hij in groote gunst bij dezen Friso gestaan^). En ook al moge aan bedenking onderhevig zijn de uitspraak, dat Hofstede, indien Willem IV langer in het leven ware gespaard , onder diens voortdurende leiding cenc gansch andere houding zou hebben aangenomen tegen- over de aangelegenheden der Hervormde Kerk hier te lande '),
») „Voorroden."
*) Zio hiervoor blz. <I3.
') In dien geest «preken Y pe \ en Der mout) t. a. p. III, blz. 622.
83
toch moet erkend worden, dat de in 1752 nog betrekkelijk jeugdige leeraar in zijn* vorstelijken vriend eeu^ groeten steun had verloren.
Geenc gelegenheid had hij laten voorbijgaan tot het ver- melden van diens lof'). Die Vorst was zijn roem, zijn trots en belichaamde voor hem de glorie van het land, dat onder Friso^s bestuur eene schoone toekomst scheen tegen te gaan. De dood trad tusschenbeide. Geen van des Stadhouders onder- danen kan meer onder den indruk van zijn sterven verkeerd hebben dan Hofstede. Op bezadigder leeftijd gekomen, schijnt hij zelf de gebreken , die zijne lofspraak aankleefden , te hebben beseft, en heeft hij durven erkennen, dat zijne verbeeldingskracht sterk was gaande gemaakt „door 't zwaar verlies van den beminnelyksten aller Vorsten'' *). Die veel liefgehad heeft, dien wordt veel vergeven
Doch tevens dient bij dit alles rekening te worden gehouden met den tijd, waarin de Bloemen ontstonden. Ofschoon misschien geene enkele lijkrede of andere lofspraak op den Prins haar in gezwollenheid — en vermoedelijk ook in talent — over- troffen zal hebben, waren zij in hare soort allerminst een- lingen. „In dien geest" — het is terecht opgemerkt ^) — ,werd er van menigen kansel gesproken tot de vergaderde menigte". De voorbeelden daarvan zijn voor hot grijpen *).
Wat echter do beteekenis van Hofstedo's Blormen doet rijzen, het is, dat daarin iemand het woord voert, die
>) Vgl PseudO' Studiosus (Verrohj) blz. 117; Occasione ad rent us riri Petri Laan: — programma P. 36; De Waerheid^ in Frieahnul tpffens de aanslagen der kei ter y verdedigt^ P. 22.
•) Vgl zijno hiervoor (blz. 82^) gonoemdo: Drie brieven aan den Heer R. M, van Goens^ blz. 26.
*) Dr. J. Hartog: De Patriottm en Oranje van 1717—17X7. Amster- dam, 1882, blz. 125.
*) Zie bij Dr. J. Hartog, t. a. p., blz. 125, 126; vooral ook do vaak krasse voorbeelden, die Hofstede zelf later aanhaalt, als 't ware om zichzelf ten opzichte van het gebruik van Bijboltermcii hierbij te recht- vaardigen, in zijne Drie brieven aan den Heer /?. Af. run Goens, blz. 33-61.
84
don betreurden Prins van nab ij heeft gekend *). In zoover kan dan ook zijn werk, mits met omzichtigheid gebruikt , eene bijdrage heeten tot de kennis van den persoon van W i 1 1 e m I V. Overigens behoort het zeker niet tot de belangrijkste, maar toch wel tot de merkwaardigste geschriften, die Hofstede aan het nageslacht heeft achtergelaten. Zijne lijkrede, geprezen en bespot als zij word, geeft ons tevens iets te zien van den man, die haar neerschreef, en van den tijd, waarin zij ge- boren werd.
Rijk aan afwisseling was het leven van Hofstede: nu vrede, dan strijd; nu droefheid, dan toorn. Moeilijke dagen, ofschoon van geheel anderen aard dan do pas doorleefde, waren thans voor hem in aantocht.
*) Majif men zeker pamfletsclirijver uit later tijd gelooven — het be- richt bljjve voor zijne verantwoording — dan zou II o fat ede voor hot strooien zijnor Bloemen op Friso's Graf met „een aanzienlijk praesent** (verraoodoHjk namens Prinses Anna) vereerd zijn. (Koos Regtuit Bloem- li'ruiis, Gerïof/ten om het ]iooft1 ran (h'n lïooy Kfriraertfeu Ilooggeleenif.n Jleev Petrus Iloftttede^ Oprrchte Voorstander ran het Dierbaer Oranje Jliiis, Professor Honorair Predihtnf (e Uotterdam. Gedrukt onder den Oranjeboom, blz. 4).
§8.
Het geschil te Botterdam over het recht der Oyerheid
om predikanten te recommandeeren.
Polemiek tasschen Hofstede en Tan der Oroe naar
aanleiding daarran. Eene gewichtige gebeurtenis in Hofstede's leren.
In de Gereformeerde Gemeente to Rotterdam waren in don zomer van 1755 een tweetal predikantsvacaturen ontstaan ten gevolge van het eervol ontslag, wegens ongesteldheid toe- gekend aan D. D. W. Velingius en B. ton Dam. Reeds bij eene vorige vacature had de stedelijke Magistraat den wensch te kennen gegeven , dat de Eerkeraad toch zou uitzien naar oen predikant, die aan zekere vereischten voldeed * ). Ook ditmaal had iets dergelijks plaats. Toen toch de Gecommitteerden tot het verzoek om handopening zich van hun opdracht gekweten hadden, spraken de .Hoeren van de Woth" het vertrouwen uit, dat de Eerkeraad bij het werk der beroeping rekening zou houden èn met ,het welzyn van de Gemeente'' èn met ,de finantien van de Stadt'\ opdat alleen dezulken in aan- merking zouden komen , die «tot beydo die eynden dienstige' waren. In hot bijzonder word de wensch nog daaraan toe- gevoegd, dat, hoewel het recht des Eerkeraads om een vrij beroep uit te brengen onverlet werd gelaten , men het oog zou richten «op perzoonen, die Burgers kinderen van deze Stadt" waren , en „particulier op den perzoon van den Heer
') Vgl hiervoor blz. tJÜ' Hofrttede'u brief aan den te Kotterdum beroepen öroning^sohon pred. P. C h o v a 1 1 i e r .
86
Niculandt" '). liet meerendcel des Kerkeraads oordeelde, dat do Overheid door deze bij het verleenen der haudoponing gevoegde woorden hare bevoegdheid was te buiten gegaan , en inbreuk had gemaakt op de rechten der Kerk. Een slepend geschil tusschen Magistraat en Kerkeraad was er het gevolg van ^). In den boezem van laatstgenoemde bevond zich slechts een viertal loden, dat niet met de meerderheid mcdeging, de predikanten Velingius, Bruining en Hofstede on de ouderling Van der Staal. De Heoren van de Wet her- haalden hun' eisch , dat twee nominatiën hun zouden voor- gelegd worden , de Kerkeraad herhaalde daartegenover zijne weigering in de gegeven omstandigheden aan dien eisch te voldoen ^) Eindelijk ging de Magistraat tot ernstiger maat- regelen over, en maakte den 26atcn November van datzelfde jaar de quaestie aanhangig bij de Staten van Holland en "West-Friesland.
Den 18<icn December toog daarop eene commissie uit den Kerkeraad naar Den Haag, om het goed recht van eigen partij bij de Gecommitteerden van Hun Ed. Gr. Mog. te be- pleiten. Uitdrukkelijk hield men van kerkelijke zijdo vol, dat het recht van eene vrije beroeping mede in zich sloot het recht van eene vrije nominatie, en dat juist dit laatste door de Stedelijke Overheid was geschonden *). Natuurlijk konden de vier protesteerende leden des Kerkeraads daarmede zich in
') Het aaugohaalde is ontleend aan de Acta des Kerkeraads (rergade- ring van 30 Juli 1755, zie Bijlage C). Bedoeld is Petrus Nieuw- land, predikant te Haarlem, ecu, ook als exegeet, rerdienstelijk man. In oen tweetal verzen, aan zijn portret (J. Houbraken soulps., 1759) toegevoegd, kan men op hooggestemden toon zijn* lof vernemen. Zie ook G 1 asi U8 a. w. II , i. v. In 1757 nam hij een beroep naar *8-Qravenhage aan.
') In allerlei bijzonderheden is dit langdradig geschil na te gaan in de
Acta des Kerkeraads (zie Bijhige C); vgl. ook do Nederlandsche Jaarboeken van 1755 (blz. 1150—1173) en van 1756 (blz. 32—74).
*) Niettegenstaande het dringend advies van de minderheid , vooral bg monde van Hofstede, die in de maand November 1755 het voorzitter- schap waarnam.
*) Zie het geheelo betoog en do daarop gevolgde mcmoriên Ned» Jaarboeken^ 1756, blz. 36—73.
87
gccnen deelc vcrccnigcn. Zij besloten dan ook op hunne beurt hunne mocning over deze zaak bij Ilun Ed. Mog. ken- baar te maken, waartoe twee hunner, Bruining on Hof- stede, zich eveneens naar Den Haag begaven, gewapend met eene Memorie, waarin hun gevoelen was neergelegd. Dit was der meerderheid van den Rotterdamschen Kerkeraad een doorn in het oog. Reeds den 12den Januari 1756 diende zij bij de Staten eene Contraremonstrantie ^^ in, waarin de Memorie der minderheid werd afgeschilderd als „gansch infor- meel, erroneus en injurieus." Den 238ten Januari maakten daarop Hun Ed. Mog. eene Resolutie openbaar, waarbij den Eerkeraad werd opgedragen binnen veertien dagen aan den vroegeren last van Hun Ed. Qr. Achtb. gevolg te geven door het aanbieden van twee nominatiën. Blijkbaar er op uit om zoo min mogelijk een van beide partijen te kwetsen, voegden de Staten' aan het bovenstaande nog den wenk toe , dat de Kerke- raad zich aan de bij het verleenen der handopening gesproken woorden, waaraan men zich geërgerd had, doch die immers geen bevel bevatten, niet behoefde te storen. Den klagers bleef alzoo niets anders over dan aan den van hooger hand gegeven last te gehoorzamen. De beide drietallen , in de ver- gadering van 6 Febr. opgemaakt, mochten de approbatie van Hun Ed. Qr. Achtb. erlangen; niet alzoo de keuzen, daaruit gedaan. Andermaal moest het werk dus worden opgevat. In de Kerkeraadsvergadering van 7 April 1756 konden de daartoe gecommitteerde leden mededeelen , dat het tweede der thans aangeboden drietallen door de Heeren van de Wet was geappro- beerd , maar dat het eerste in overweging was gehouden.
In het voorbijgaan zij opgemerkt, dat op geen der goed- gekeurde nominatiën de naam van Nieuwland voorkwam, wiens verkiezing als geboren Rotterdammer de Magistraat wenschelijk verklaard had. Met de vervulling der tweede vaca-
*) Volgens de KniUnyiana (Vijfde eu Zeade Bk., blz. 83) was de Contra Remonstrantie opgesteld door Th. van der Groe.
88
turo was men nu spoedig gereed. Do keuze, uitgebracht op Ds. G. Bonnet, predikant te Amersfoort, werd, niettegen- staande deze geenszins te Rotterdam was geboren, op het Stadhuis bekrachtigd.
De eerste nominatie bleef nog tot Mei 1757 bij den Magistraat berusten , vóór zij geapprobeerd werd. Wat het motief mag geweest zijn van dit uitstel, valt niet uit zekere gegevens op te maken. Niet onwaarschijnlijk is , dat eene zekere verstoord- heid over de onwilligheid van den Kerkeraad, ten aanzien van het nomineeren van Nieuwland, hierbij is betrokken geweest.
In hoofdtrekken is hiermede de loop der verwikkelingen geschetst, die zoovele hartstochten heeft doen ontbranden, en waarbij ook Hofstede zoozeer is op den voorgrond getreden.
Nadat reeds een paar geschriften naar aanleiding dezer quaestie het licht hadden gezien i), bleek het ook, dat de minderheid
*) Een zioh noemende J. C. D. J. Eaiophilus was opgetreden in De Nederlandsche Spectator [No. 171] (blz. 115 — 130) met eene verhan- deling ter verdediging van het rooht der Overheden in kerkelijke zaken. Ten onrechte beschouwt Ypey (a. w. VII, blz. 29) dit artikel als ge- schreven met het oog op de hierboven vermelde kerkelijke quaestie te Rotterdam. Het is gedateerd 26 Juny 1755, terwijl dit geschil eerst einde Juli d. a v geboren werd. Keeds om die reden zou Ypey^s meening dus onjuist zijn. Alleen in zoover heeft deze schrijver gelijk, als do bedoelde verhandeling eene gelijksoortige quaestie betrof, en later dan ook eenigszins gewijzigd en uitgebreid mot het oog hierop uitgegeven werd door den auteur. Deze was de Leidsche Qriflfier D. van Alphen, van wien ook afkomstig was hot bundeltje, dat in 1756 anoniem te Leiden van de pers kwam, getiteld: Het Recht der Overheden over kerkelijke Perxoonen en Zaakeii in Twee Verhandelin- gen voorgesteld en verdedigd. Daarmede bedoelde hij licht te versprei- den over het geschil te Rotterdam. Het eernte gedeelte van dit geschrift bevat eene uiteenzetting Van het Predik- Ampt en U Hecht der Kerke ^ Bepaelt nae de Begelen van Godts Woord t, en de gronden van ome Re- formatie en is gericht Tegen liet gevoelen van eenige Gereformeerde Leeraers^ die der selve macht verder uythreyden ah het behoort. Lam- bert van Velthuysen, een achtbaar ingezetene van Utrecht , die onder de vrijzinnigen van zijn tijd werd gerekend, was er de schrijver van. (Zie over hem Dr. J. Reitsma Geschiedenis van de Hervorming en de Hervormde Kerk der Nederlanden, Groningen, 1893, blz. 270). Hoewel deze verhandeling reeds op vier jaren na eene eeuw oud was, achtte van Alphen haar zoo toepasselijk op den Rotterdamschen Ker- kelijken toestand, dat hij eene nieuwe uitgave bezorgde. . Als tweede ge- deelte voegde de Leidsche Grifiier daaraan toe een betoog over Het Recht der Overheden omtrent Kerkelgke bedieningen. Deze verhandeling nu, van zijne eigen hand, is niets anders dan de bovenbedoelde omwer-
89
zelve niet stilgezeten had. In Mei 1756 toch gaven twee harer leden, Bruining en Hofstede, een , wel opgesteld" » ) betoog uit onder den titel: Het Recht der Rotterdamsche Kerk Nog door de Handopening der Heeren van de Weth Aan den E. Grooten Kerkeraad Verleend Den XXIX Juhj MDCCLV. Nog door het gedrag der Vier Protesteerende Leden ^ Geschonden: Uit aangenoome Gronden^ en Echte Stukken aan- getoont^ Ter tvederlegginge van zekere Contra Rem on- strantie^ Zeer verkeerd^ door eenige Broeders, op den Naam , Der Groote Kerkvergaaderinge , eerst aan Hun Ed: Mog: De Heeren Staats Commissarissen Overgeleverd ^ en naderhand, in de Nederlandsche Jaarboeken van January MDCCLVI ge- plaatst ^). De beide predikanten wenschen blijkens hunne Voorrede niet slechts eigen gedrag te verdedigen, maar ook
king Tan het artikel in De Nederlandsche Spectator. Een en ander ver- neemt men uit de Voorrede der 2de editie van Het Recht der Overheden omtrent Kerkelijke hedieningefi^ die nog in 1756 het lioht zag, eveneens anoniem. Intnssohen hadden ook de aanhangers van het tegenovergesteld gevoelen niet stilgezeten. Een drietal maanden na het werk van van Alphen kwam een Liefhebber ran Waarheit en Vreede — volgen» Ypej en Dermout (a. w. I, Aantoekeningen , blz. 170) zou het Th. van der Groe zijn geweest — voor den dag met eeno Hullanddcho ver- taling van Voetius' verhandeling De Quaestione pcnes quos sitpotes- tas EkcUsiastica^ getiteld Schriftmatige en redenkundige Verhandeling over de Kerkelyke Macht: Waer in grondig betoogt wordt ^ dat deselre niet aen de Politike Overheit , maer aan de Kerke , ett haere Dienaeren , toekomt^ enz.
Men lette er op: Yoetius moet dienst doen tegen Ho fs todo's gevoelen, en vanYelthuysen wordt opgeroepen om zijn gedrag te rechtvaardigen! —
In den geest van de meerderheid des Kerkeraads werd hierop later weer geantwoord door de uitgave van een geschrift van den jurist Ulrik Huber Over het Recht van de oppermagt omtrent kerklyke be- diefiingen*^ (Zie Ypey, a. w. Yll, blz. 31 Aanm.).
') Deze qualificatie is ontleend aan J. A. C. van Einem De Oude en Hedendaagsche Kerklyke Geschiedenissen van wylen den Hooggeleerden J. L. Mosheim, kanselier der Hooge Schoole te Göttingen^ van defi aan- vang der tegenwoordige eeuwen tot aan het zes-en-zeventigste jaar derzelvc^ vervolgd, of Proeve eener volledige Kerkhistorie der achttiende eeuwe. Uit het Hoogduitsch vertaald. Derden Deels Tweede Stuk. Utrecht en Am- sterdam, MDGCLXXXI.
>) Rotterdam, MDCCLYI. Op het titelblad staat vermeld , dat het werk opgesteld is mede uit naam en op verzoek van Yelingius (inmiddels overleden) en van der Staal. —
90
,cen Vertoog , over den eigen aart , van het Recht der Beroepinge zelvs'* te leveren, ,uit den Grond opgehaald".
Zij willen dan ook hun betoog niet aangemerkt hebben als een tuistschrift^ maar als „een Rechtvaardiginge wan een gocia zaak". Gelijk voor de hand ligt, vangen zij aan met een ver- slag van den loop des gesehils. Zij betoonen zich zeer gegriefd door de houding hunner tegenpartij , die het noodig had geacht eene , Contra Remonstrantie" bij Hun Ed. Mog. in te dienen. Hoe kon men uit de eenvoudige Memorie, door de meerder- heid aan de Staten overgelegd, zooveel venijn zuigen, als waarvan die „Contra Remonstrantie" blijk geeft! Indien zij door hun protest tegen de besluiten des Kerkeraads al dwaalden, gold het dan toch in ieder geval niet eene quaestie van onder- geschikt belang P , Nooit" — zoo verklaren zij *) — «hebben wy dog een eenige der Dordsche Geloofsregels; nooit een eenige Articul van de Nederlandsche Bclydenisse ^ nooit een eenig Leerstuk van den Heideliergschen Cafechismiifi ontkend] en moet men eikanderen in meer wezendlyke stukken niet verdraa- genP" Eerst koesterden zij het plan de smadelijke en harts- tochtelijke «Contra Remonstrantie" met stilzwijgen voorbij te gaan, en dat niet alleen op advies van anderen, maar ook overeenkomstig eigen verkiezing. «De leedige uuren van onzen dienst, in edele Letteroeffeningen , of by Vrienden, rond van aart, doortebrengen ," zoo deelen de schrijvers mede, «isaltyd ons grootste vermaak geweest. Wars van allen vederstryd, konden wy althans geen behaagen vinden in een gevegt met eigen Medeleden^' *). Maar nu , hetgeen zij nog hebben getracht te verhinderen, het hatelijke stuk in de Nederlandsche Jaar- hoeken door den druk gemeen is gemaakt, nu rekenen zij het plicht van de verdenking, daardoor op hen gelegd, zich te zuiveren ook tegenover hunne Gemeente. Het lag geenszins in hunne bedoeling — gelijk de «Contra Remonstrantie" dit
>) blz. 13. •) blz. 21.
91
voorstelt — zich tegen do handelingen en proceduren des Kerkeraads te verzetten , toen zij hunne memorie indienden ; neen, de minderheid wilde deze alleen doen strekken „ter zuivering van allen schyn van inobedientie enz." *).
Immers, ongehoorzaamheid is het, der Overheid het recht van recommandatie of liever van declaratoir bij het werk der beroeping geheel te ontzeggen. Wie is deze Overheid? Vol- gens Bruining en Hofstede bestaat zij uit ^^de eerste Leden der Kerke"; een Walaeus en andere mannen van onverdacht allooi zijn in deze beschouwing der Overheid voor- gegaan *). Als zoodanig komt hun de bevoegdheid toe, dat- gene te doen, waartoe de minste lidmaat gerechtigd is.
Als grondregel geldt, dat zoowel het recht van recomman- deeren en declareeren als dat van beroepen originaliter et radi- caliter toekomt aan de geheele Gemeente. Maar nu bestaat in een land, waar de Overheid christelijk rechtzinnig i8,deEerk doorgaans uit drie categorieën van leden : Magistraats-, Kerke- lijke en Burgerlijke personen. Waar de meerderheid van den Rotterdamschen Kerkeraad dit ontkent , en het bedoelde recht niet toekennen wil aan deze drie catagorieëUi daar geraakt zij op de Pajnstische lijn, volgens welke „het Recht der Beroeping, met uitsluiting van den Magistraat, en het Volk, alleen by de Geestlykheid is" ^).
Edoch, nu bestaat er tweeërlei Recht: een onveranderlijk en een veranderlijk» Tot het laatste behoort het recht der geheele Gemeente , om hare eigen leeraars te kiezen ; ware dit onveranderlijk^ dan zou er dienaangaande een stellig gebod Gods moeten zijn aan te wijzen, hetgeen onmogelijk is, of uit het Natuurlijk Recht zou het moeten afgeleid worden, hetgeen evenmin doenlijk is, dewijl geen enkele Rede het leert. «Al stond dus oudtijds vast, dat het beroepingsrecht aan
>) blz. 39. «) blz. 78. ») blz. 96.
92
dc gansche Gcmccnto toekwam, de tijd heeft hierin wijziging gebracht. Niet altijd en overal werd er gebruik yan gemaakt. Waar de beroeping echter geschiedde door groote Kerkvergade- ringen of eerste Bisschoppen of zelfs door Christenkeizers , daar had dit toch altijd plaats met toestemming van de geheele Gemeente. Voorbeelden daarvan zijn in de kerkgeschiedenis aan te wijzen <)
Langzamerhand is dit recht in vele Gemeenten door ecne stilzwijgende toestemming — gelijk k Mark *) leert — over- gebracht óf op de Eerkeraden of op bijzondere groote stichters en weldoeners der Kerk óf op de Gemeene Overheden, waar dezen mede tot de Kerk behooren en haar op krachtige wijze beschermen, ook al mogen laatstgenoemden zich daarom niet allerlei aanmatigingen veroorloven. En zoo is dan ook in de Rotterdamsche Gemeente het bedoelde recht deels aan den Eerkeraad, deels aan den Magistraat stilzwijgend afgestaan. Dit blijkt daaruit, dat deze Gemeente nooit die beide in het beroepen van Predikanten gestoord heeft. Van een terugkomen daarop mag geen sprake zijn , omdat bij Staatsresolutie van 1624 is bepaald, dat alles in dit opzicht op denzelfden voet zou ingericht blijven, als het vóór genoemd jaar was.
Maar ook dit neemt niet weg, dat daarom toch het Jus Vocandi in oorsprong en wortel bij de geheele Gemeente blijft berusten, zoowel bij de aanzienlijksten als bij de geringsten harer leden. De Gemeente kan dan ook van dat recht gebruik maken door bij Vacaturen te declareeren , dat deze of gene persoon haar wenschelijk voorkomt. Of zijn niet degenen, die de keuze hebben uit te brengen , de gecommitteerden der geheele Gemeente P De meerderheid van den Rotterdamschen Eerkeraad is de eerste geweest, die in hare „Contra Remon- strantie^' dit heeft durven ontkennen. De geschiedenis wijst uit met hoe weinig recht.
») blz. 101 — 103.
«) Medul Cftp. XXXIII § XIV.
93
Immers, reeds lang vóór de Eerkreformatic hadden de meeste Hollandsche Gemeenten van haar natuurlijk recht , om eigen opzieners te kiezen, afstand gedaan. Na de Reformatie geschiedde, dewijl er toen nog geen vast Reglement bestond in zake het beroepingswerk , deze handeling op zeer verscliillcnde wijzen. Dat de beroepingen, door eene rechtzinnige Christelijke Overheid uitgebracht, ook Goddelijk zijn , is dan ook .het gevoelen van do oudste en beste Theologanten , als van Beza, Büllingerus, BüCERUS en Müsculus'' »).
Wat Rotterdam intusschen betreft , men zou er als bezwaar kunnen doen gelden, dat de kerkelijke acten aldaar eerst met het jaar 1644 aanvangen *), zoodat schriftelijke bewijzen van den invloed, door de Overheid vóór dien tijd op het werk der beroeping uitgeoefend, niet zijn aan te wijzen, terwijl het er toch op aankomt die bewijzen van vóór 1624 te bezitten. Bruining en Hofstede weten daar raad op ; zij redeneoren toch aldus: .Indien de Reoeeringe na het Jaar MDCXXIY. bij gelegentheid van het Beroepingswerk ; meermaalen , en nog sterker als nu, gerecommandeerd heeft, zo heeft ze zulks gewisselyk, voor het Jaar MDCXXIV, ook gedaan, en is 'er dusdoende, volgens de Staatsweth van MDCXXIV, ten vollen toegeregtigt. Wij mogten dog niet veronderstellen, dat do Magistraat zo dikwerf de Landweth van MDCXXIV , die ge- bied, dat alles by het oude gebruik zal blyven^ en diezezelvs meede gemaakt heeft, zoude overtreden hebben, gelyk waar- lyk geschied aoude zyn, byaldien ze voor het Jaar MDCXXIV. het Recht van recommandeeren niet geoefend hadde'' ').
Verscheiden bladzijden *) worden door de beide schrijvers gewgd aan het betoog, dat de bewering der «Contra Remon- 8trantie^\ als zouden de door de minderheid bedoelde voorbeelden
') biz. 113 Aanm.
') blz. 125 Aanm. De extracten uit de Kcrkeljjko Aoton , dio hun ten dienste «tonden, begonnen eerst in 1656.
') blz. 126.
") blz. 127 r.v.
94
van recommandatie door de Overheid andere gevallen betreffen , van minutieuse distinctiën uitgaat, die aan het feit niets af- doen Buitendien echter weten Bruining en Hofstede dan toch nog wel mede uit de Resolutiën der Vroedschap enkele gevallen vóór en na 1624 aan te wijzen, die met het huidige huns inziens volmaakt overeenkomen ').
Wij kunnen de schrijvers hier niet op alle punten volgen in hunne verdediging en nadere uiteenzetting hunner Memorie tegenover de aanvallen, daarop in do „Contra Remonstrantie" gericht, dat geschrift, waarvan ,de geheele Haag'* heeft ge- walgd *). Alleen dit nog: in die «Contra Remonstrantie" is hun ook voor de voeten geworpen , dat zij niet ver verwijderd waren „van de pernicieuse Erastiaamche gronden". Met alle kracht komen zij daartegen op. Van Erastus verklaren zij, dat hij nergens zijne gedachten over het werk der beroeping ontvouwt, en dat zij overigens op andere punten, zooals op dat van den Christelijken Ban , allerminst eenstemmig met hem denken. Erastus moge de Apostolische Instelling der Con- sistoriën en Kerkvergaderingen geloochend hebben, zij verklaren bij deze als hunne overtuiging, .dat de Gemeenten een Na tuur- hjh Hecht hebben, door de Apostolische voordaad bevestigd, om, of zei VS, of door Gecommitteerde^ Kerkeraaden aan te- stellen , dewelke haare zaaken bestieren". Zij .houden het voor een Goddelyk Kerkerecht^ dat de wettig geroepen Leeraars y maar alleen moogen Prediken^ en de Sakramenten bedienen, en dat zulks de Overheid wel naer de natuurweth, maar geentzints naer de Goddelyke Weth geoorloofd is; ten waare 'er geen andere Leeraars mogten zyn". Zij erkennen als een ^Goddelyk KerkerechV\ dat de Kerk en niet de Overheid overeenkomstig den Bijbel uitspraak heeft te doen over de waarheid of valschheid van een leerstuk, en over do al of niet wezenlijke doelen van den Christelijken Godsdienst; ,bl)-
>) blz. 145 v.v. ') blz. 179.
95
vende het egter zeker, dat 'er in de openbaare Kerken^ geen Leere mag verkondigd worden , als met consent der Overheid : schoon deeze nooit de Predikanten mag gelasten , iets te leeren, hetgeen tegen de Heilige Schriftuur^ strijd" '). Zij nemen in één woord een veelvuldig Goddelijk recht der Kerk aan, doch daarnaast een kerkrecht, dat, schoon wettig, niet op Godde- lijke wetten steunt , maar alleen door de Overheid goedgunstig aan de Kerk is geschonken.
De onderscheiding tusschen dat beiderlei recht wordt door de tegenpartij over het hoofd gezien. Volgens haar bestaat er slechts één kerkelijk recht, dat Goddelijk is, en rust het wettig kerkelijk recht evenals de geheele kerkelijke constitutie hier te lande op Goddelijke wetten. En wie zou nu behalve zij dit laatste willen verdedigen? De kerkelijke constitutie, hier bedoeld , rust op de kerkorde , afkomstig van Dordrechts Synode. Maar is deze kerkorde soms Goddelijk? Zoo ja, waarom houdt men zich dan niet stipt aan al haar artikelen ? Want men wijkt er immers op verscheiden punten van af?^) En andermaal , zoo ja , is dat dan uit den Bijbel te bewijzen ? Indien men waarlijk al die artikelen voor Goddelijk houdt, gelijk blijkbaar de meerderheid van den Rotterdamschen Kerke- raad , dan is het onverantwoordelijk er van af te wijken. Dat- zelfde geldt ten opzichte van de Bijzondere Kerkelijke Consti- tutie^ die in vele Gemeenten naast de Algemeene Kerkelijke Constitutie bestaat. „De Broeders gelooven, dat de Rotter' damsche Kerke een wettig Recht heeft, om den Magistraat, en ook de hreede Gemeente^ van de Verkiezinge uittesluiten , ja die beide zelvs een Recommandatie ^ ten voordeele van deezen of geenen Persoon , al was het een Aügüstinus in Gods- vmgt; een Athanasius in regtzinnigheid, en een Tertüllia- sus in geleerdheid, te weigeren. Dit wettig Kerkelyk Recht, zeggen ze, steunt op do Goddelyke weth; bygevolge, alle die
•) bh. 195, 196. ») Vgl. blz. 198.
96
andere Kerken j die of aan den Magistraat of aan de breede Gemeente^ een aandeel in de Electie en Recommandatie toe- staan (dat het nabuurig Dordrecht dit dog niet hoore) zyn schenders van de Goddelijke weth. Hemel! tot wat buiten- sporige gedagten, en verwarde denkbeelden, kan het voor- oordcel; de liefde tot zyn aanhang, on de afkeerigheid van zyn gewaande Party ^ een redelyk schepzel niet al vervoeren" *).
Dat het betoog van Bruining en Hofstede ook al om den toon van persoonlijke geraaktheid, die er uit sprak, niet geschikt was om de ontbrande hartstochten tot kalmte te brengen I spreekt vanzelf. Dat er nogal een en ander tegen hunne beweringen viel in te brengen , eveneens '). De Magistraat bovendien, die volgens hunne mcening het recht van rccom- mandecren bezat, had zelf den schijn op zich geladen, niet al te vast van dit recht overtuigd te zijn, door halverwege de zaak op te geven, in plaats van tot het einde toe door te tasten.
Do strijd werd voortgezet. In den herfst van 1756 zag het licht eeno Klaere en Grondige Wederleggififf van het niemc- verzonnen Hollandtsch Kerkelyk Beroepingsrecht ^ onlangs uit- gegeven door Dom. H: Bruining ^ en P: Hofstede^ Pre.' dikanten te Bott^'dmn: Ter ontdekkinge van derselver aan- stootelyke Handelingen^ en ongerymde Gevoelens^ strydig met de geaiTC'Steerde Order e en Praktyk der Gereformeerde Kerken; mitsgaders tot hetere onder^rigti^nge van het Geineen; aen het licht gebracht door Eenigen der gewesene Gecommit- teerden van defi E. Grooten Kerkeraedt van Botterdam. — Op niet minder dan vijf en twintig punten verklaren do schrijvers zich te verantwoorden te hebben tegenover Bruining en Hofstede, en zij trachten het achtereenvolgens te doen. Wat het principiëole aangaat, erkennen zij het Politiek en het KerkelijH recht als twee bijzondere soorten van recht;
') blz. 199, 200.
») Vgl. Ypey a. w. VII. bla. 83— 3«.
97
het eerste behoort tot den Burgerstaat^ die door de Overheid wordt geregeerd, het andere tot de Kerk , die door de Predi- kanten en Ouderlingen bestierd wordt, onder toezicht, hulp en bescherming van de rechtzinnige Christelijke Overheid. — Van een tweeërlei Natuurlijk recht , gelijk dat in het geschrift hunner tegenstanders wordt voorgesteld , willen zij niets weten. Bruining en Hofstede beriepen zich bij de vaststelling daarvan opHugoGrotius'). De schrijvers der Klaere en Orondtge Wederlegging doen echter door aanhaling dier plaats zien, dat Grotius, het Natuurlijk recht zoo Onveranderlijk verklarend , dat het door God zelfs niet veranderd kan worden , slechts gewaagt van j,een seekere schijn van reratuleringe^^ ^) ^ die daarin zich voordoet; dat dus niet het Natuurrecht zelf, maar alleen de zauk , waarop het Natuurrecht betrekking heeft , verandering ondergaat.
Het werkje vloeit over van persoonlijke bittere aanmerkingen , in het byzonder tegen den persoon van Hofstede, die ge- houden wordt ,voor het voornaeme Beweegradf van dit Vreedt* zatine Werk" ^). Waarschijnlijk is deze laatste onderstelling niet geheel onjuist; althans Het Recht der Rotterdnmsche Kerk herinnert sterk aan zijne schrijfwijze. Het persoonlijk element begon intusschen hoe langer zoo meer den strijd te beheerschen. De beide predikanten der minderheid, natuurlijk getroffen door hatelijke beschuldigingen, die hen zeer licht in een kwaden roep van onrechtzinnigheid zouden kunnen brengen , wilden thans met zekerheid weten, wie de schrijver was van de voor hen zoo kwetsende Wederlegging, In de Leidsche Courant^ die bedoeld werk in eene advertentie had aangekon- digd, plaatsten zij een bericht, waarin zij het boekje qualifi- ceerden als „een vuil lasterschrift". Maar zij deden meer. Door middel van een notaris lieten zij bij de drukkersfirma,
') De jure belli ac pacis, Lib. I. Cap. I. § 10. «) blz. 65. ») blz. 32,
98
bij wie het van de pers was gekomen , een onderzoek instellen naar de namen van de Gecommitteerden des Kerkeraads, die het .naamloos liber^ zouden hebben uitgegeven ' ). Toen bleek hun, dat zes Rotterdamsche predikanten *) de uitgevers waren , maar dat het werk was opgesteld door Dom. ïheodorus van der Groc, predikant te Kralingon. Aldus ontmaskerd, gaf deze daarop een Bcacheidfm Anfuoordt ') in het licht op de .onbesjcheidene Bekendtmakinge^^ van Bruin ing en Hofstede in de BoekzaaL Intusschcn werd aan Bruining en Hofstede de raad gegeven verder tot de verdachtmakende beschuldigingen, hun voor de voeten geworpen, het zwijgen te doen. Zekere G. v. D. gevoelde zich gedrongen tot het uitgeven van een Brieft GcMhreven aan de Heerett ILBrui- ning en P. Hofstede ui zig vele redenen behelzende^ waarom hi4nne Weleer ivaardens Nief behoorden te Antwoorden , op hef bekende Lasterschrift ran den Kralinger Predikant^ Onlangs uitgegeven f door eenige der gewezene (hcommitteerden ran den E. Grooten Kerkeraadt ran Botterdam, Daarin wordt den beiden Predikanten de raad gegeven zich niet te laten verleiden , om zich nog verder te verdedigen ; „die het laatste het zwaard opsteekt, is juist altoos geen overwinnaar" *). Buitendien , wie op laster antwoordt, toont er door geraakt te zijn. Mocht echter nog een antwoord noodig worden geacht, dan zij dit zacht- moedig!
De aanval, door van der Groe op hen gericht, had echter blijkbaar het tweetal predikanten wel geraakt. Al- thans den I9den Januari 1757 stelden zij eene bekendmaking
•) Een en nnder is te vinden in de Boekzaal ihr yttl. ir. vnn 175<>, blz. Vt:\2 — (>38 (^Hekentmaking*^ van Bruinin^ en ITofütede).
■) Over de oorrenpündentie nnar luinleidin^ daar van jjevoord met D.l). van der Kemp en Patyn en over hun heider deelgenootftohap atin dit werk zie men Boekzaal tJer gel. ir. van 17ru> t. a. p. ; van \1'u^ blz. 214 v.v
') Do volledi{j;e titel U opgenomen in de Bijlagen. Van der Groe kondigde zelf zijn Bescheiden Antiroordt aan inde Boekzaal der gel. w. jan 175Ü, blz. 774—776.
*) blz. 7.
99
op, ter plaatsing in de Boekzaal cUr geleerde wereld >). Zij deelden daarin hun plan mede, dat toch één reeds bijna afgedrukt geschrift van hunne hand zou verschijnen, waarin bewezen zou worden, dat de Eralingsche predikant zich eene verdere beantwoording volstrekt onwaardig had gemaakt. „Met een Man van zulk een gevaarlyk karakter'^ wilden zij zich dan ook voor het vervolg niet meer inlaten. Het toegezegde werkje kwam in het begin van Februari 1757 van de pers; het droeg den volgenden, niet zeer vleienden titel: Het Kra- linger Lasterschrift genanmd Klaere en (h'ondige Wederlegging^ enz. enz. enz. Een uitvoerige Beantwoording e Onwaardig; Uit het belagchelyke ^ valsche^ Bedrieglyke en kwaadaardige van deszelvs inhoud aangetoond. Het stukje wordt voorafgegaan door eefi breede Voorrede ^ waar in niet alleen op den eisch der Uitgeevers van het gemelde Kralinger Lastsrschrift ^ maar ook op hunne gemaakte Remarques word geantwoord ^ en tegelijk aangetoond^ dat g eene der Rotterdumsche Predikanten^ de Uit- geevers van zulk een Libel konnen zyn.
Had van der Groein zijne Klaere en Grotuiige Weder* legging verklaard de zaak, waar het eigenlijk om ging, te laten rusten , omdat deze door de uitspraak van Hun Ed: Mog: uitgemaakt was, deze verklaring wordt hier door Bruining en Hofstede als een wapen aangegrepen: volgens hen is daarmede bewezen, dat de meerderheid des Korkeraads haar proces verloren heeft , terwijl zij met voldoening constateeren , dat het grootste gedeelte der vjjf en twintig hun voorgelegde Posten het kerkelgk Beroepingsrecht zelfs niet van ter zijde raken.
De tegenpartij had hun voor de voeten geworpen, dat zij door te wijzen op het verschil , dat er in zake het recht der Overheid omtrent de Kerk zou bestaan naar gelang de Over- heid al of niet rechtzinnig Christelijk was, in strijd waren met het gevoelen van Voetius, voor wien in dat opzicht
') Te Tinden Jrg. 1757, blz. 85—87.
loo
bedoeld onderscheid er niet op aan kwam '). Het volgende wordt daarop pjeantwoord — en die woorden zijn opmerkelijk, omdat het eene kleine bijdrage levert voor de kennis van H ü f s t e d e's toenmalig standpunt : „Moeten wy ons , hier over , ook verantwoorden? Wv weeten zei ven wel, in hoe verre wv ,
«. 4 7
al, of niet, met de Leere van Voktiur, overeenstemmen. Wy hebben er reets rekenschap van gegeeven . in ons Werkje § XXVIT, en pag. 197 ^) Maar wat raakt, heide Berifffera^ wat agting wy <//, of 7hH, hebben voor de Levre van een feilbaar Mmt. Voetius staat, om zync Belezenheid, Qods- vrugt; Regtzinnigheid , en lever, by ons, voor een groot JAr?/ te boek, maar wy agten CocoKJUS om dezelvde en nog andere, inzonderheid taalkundige hoedanigheden, geen aasje minder. Wy begreepen van overlang, zelvs, eer wy onze be- vordering nog te liotterdam hadden , dat nog Voefiaan , nog Corrrjaau , in den naauwsten zin genoomen, een wys Man konde weezen. Graag neemen wy de bevattingen van beide over, wanneer ze met (ms Lirltf overeenstemmen; maar anders durven wy zo wel van den f'.fin^ als den (wder verschillen. Wy hebben geen byzondere inzigten, waarom wy Voetiaana of Coccejaana zouden weezen. Wy zoeken niets, als de Waar^ hfiiff] en wy zyn reets te groot geworden, om, op nieuws, aan een leiband te loopen" '). Moge Hofstede ,een Voeti- aan'' genoemd worden*), men ziet uit bovenstaande woorden . dat dit niet zonder ernstig voorbehoud mag worden over- genomen.
') Kluvrt' en (ironiiiijr Wi'ih'rh'ijyimj c.mi/., blz. 50.
^) Voetiu» irt volgens Briiiiiint; eii lliifstodn de oonij^o ondur d« 0»*r«türraeerilo Oodpoleordeii vim bt»tef>ktMiis , dif», lioowol hij den Mti'iiütruMt root' zoot'fT hfhoorvnd*' tot th' ftritttrufr lu*t recht toekent te «le(dareeren welke Predikant h**ni wenschelijk voorkomt ter beroepinij, tooh den MHjj^iHtrtuit ufs Mat/iMfrunf dat reeht ontze-jt. (!*ülit. Keel. part. II. Lib. III. Traet. I C-ap. III. |) II). In zoover zon hij diis vorüohilleu zoowel van de meerderheid de?* Kotterdaiuüchen Kerkeraadn, die ook liet eerr«te toonde te ontkennen, als van de minderheid, die even^>od het tweede als het eerste aannam.
') S VIII.
') Dr. (J. .1. Vos Az. Opsrhifdmin t/rr Vuil. Kerk, blz. Mül».
101
Op alle hun voorgelegde «Posten'' hebbon Bruining en Hofstede verder in hunne «breedo Voorrede'' een min of meer steekhoudend antwoord gereed. Ue beschuldigingen, tegen hen ingebracht, brengen zij herhaaldelijk op den Magistraat over, waardoor dan zijdelings de tegenpartij in eene min ge- hoorzame, eerbiedige houding tegenover dezen verschijnt.
Hun eigenlijk geschrift is meer bepaaldelijk gericht tegen den persoon van van der Groe, dien zij voorstellen als ,,Saul onder de Propheten", naar aanleiding waarvan dan de vraag wordt beantwoord: «Hoe hy onder dezelvde gekoomen was" ' ). Het zijn allesbehalve edele motieven , die zij oordeelen , dat daarbij in het spel waren. Al die bittere persoonlijke op- en aanmerkingen, waartoe trouwens van der Groe wel aanleiding gegeven had, door den bodem van het principieel debat al te spoedig te verlaten en er zelfs Hofstede's Bloemen bij te pas te brengen, zullen wij laten rusten; bij de straks te behandelen Kralingiana zal er nog menige proeve van blijken. — Gelijk te verwachten was, komen zij ook nog op de bewering der tegenpartij terug , als zou G r o t i u s, op wien zij zich beriepen bij het aannemen van tweeërlei Na- tuurlijk recht, een Onveranderlijk en een Veranderlijk ^M^qh willen weten van een zekeren schyn van verandering in het ééne Onveranderlijke Natuurrecht. Ten bewijze, dat zij niet van G r o t i u s verschilden in de opvatting daaromtrent , her- inneren zij er aan, dat deze elders betoogt 2) de onbewijs- baarheid der stelling, als zou het Natuurrecht^ waartoe ook het kerkelijk beroepingsrecht behoort, onveranderlijk zijn.
Nog tot tweemalen toe nam van der Groe de pen op, om aan zijne verontwaai'diging uiting te geven. Ongeveer terzelfder tijd als het laatstgenoemd werk van de minderheid, verscheen van zijne hand een Noodig Aanhangsel der Klaere en Grondige Wederlegging van het nieuwverzonnen Hollandtsche
») blz. » V. V.
') De Imp. ftumm. Potest. Gap. X. § III.
102
Kerkelyk Beroppingrecht , voorheen uitgegeven , door Dom, H: Bruining ^ en P: Hofatede^ Predikanten te Rotterdam: strekkende gemeldt Aanhangsel , ter bescheidene Verdediginge dier Wederlegginge; mitsgaders^ tot nadere Aanwyzinge van de aanstootehjke Erastiaensgezinde Wangevoehns ^ en meenigerlei dwaese Verkeertheden , waarmede hunE. het onkundig Gemeen hebben gezogt te misleiden. Tot dit geschrift behoort terens eene Tweede verhandeling ter nadere ontdekkinge van meeniger- hande grove Feilen f en belacchelyke Ongerymtheden ^ in het bewust Boekje der Broederen ; te voren , met stilzwygen voorby- gegaan Gelijk wij reeds vroeger opgemerkt hebben, was het kennelijk van der Groots bedoeling do beide protesteerende predikanten als gevaarlijke Erastianen voor te stellen, die slechts cén doel voor oogen hadden, de regeering der Kerk over te laten aan het goedvinden van den Magistraat. Al hadden de aldus beschuldigden dergelijke gevoelens ver van zich geworpen, het mocht niet baten, getuige bovenal het boekje, dat als antwoord van van der Groe op het laatst- vermeld geschrift van Bruin ing en Hofstede dienen moest, en dat in April 1757 in het licht verscheen , onder het opschrift : De Erastianistery van D, B r u i n i n g en Ho fstrd r. Met hun onlangs uitgegeven onstigtelyk Libel ^ geheeten Het Kralinger Laster schrift^ niet weggenomen .maar konMig bedekt: zynde eene bescheidene en grondige Wederlegginge van dit ondeugent verzonnen Lasterschrift ; mitsgaders eene naakte Openinge van de Schandelyke Bedriegeryen, en Valsheden^ welke de Autheuren d<iar in gepleegt hebben , om hunne De^iperate Zaak nogmaals zeer luidtrugtig te verdedigen.
Hiermede nam eigenlijk het geschil over het beroepings- recht een einde. Was reeds de beginselquaestie voor allerlei bijzaken herhaaldelijk uit het oog verloren , in hetgeen hierna nog het licht zag , bleek zij geheel op den achtergrond geraakt. Om de volgende drie hoofdpunten had — om dit te resu- meeren - zich het verschil dus bewogen: 1^. of de Magistraat het recht had, om bij het verleenen van Handopening tot
103
het formeeren eener nominatie van predikanten te recomman- deeren of te declareeron, wie bij het liefst in aanmerking zag genomen; 2^. in hoever de twee of vier leden van den Rotterdamschen Kerkeraad , die deze vraag bevestigend beant- woordden, in deze tegen hun' Kerkeraad in verzet mochten komen , en in het bijzonder hoe het optreden van B r u i n i n g en Hofstede in dit geval beoordeeld moest worden; 3^. of het gevoelen der beide laatstgenoemden het uitvloeisel was van Erastiaansche dwalingen. Aan het eind dezer paragraaf komen wij op dit laatste terug. Vooraf nemen wij nog kennis van de polemiek, die van nu af anoniem voortgezet werd. En dan hebben wij het eerst stil te staan bij het curieuse, wèl scherpe en gerekte, doch niet van geest ont- bloote werk, dat in 1757 en 1758 successievelijk tegen van der Groe uitkwam, getiteld: Kralingiana of Zedige Aan- merkingen over de Kralinger Twistschriften door een Genood- schap van Letterhemimtaars ^ Verdeelt in Twaalf Boeken.
Het geheel bestaat echter uit slechts negen boeken, waar- van sommige tegelijk, sommige na elkander uitgegeven werden. De uitgevers ,,maken'^ volgens het begin van hun eerste boek „een Genoodschap uit van vyf Personen, die van der jeugt af de Studiën toegewyt, min of meer smaak van goede letters hebben" *). Zij beweren voorts geheel den strijd over de te Rotterdam verleende Handopening te hebben gevolgd en besproken, en dat hunne sympathieën liggen aan de zijde van Bruining en Hofstede; iets , dat niemand naar hunne