This is a digital copy of a book that was preserved for generations on library shelves bef ore it was carefully scanned by Google as part of a project to make the world's books discoverable online.

It has survived long enough for the copyright to expire and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that 's often difficult to discover.

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the publisher to a library and finally to you.

Usage guidelines

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to prevent abuse by commercial parties, including placing technical restrictions on automated querying.

We also ask that you:

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for personal, non-commercial purposes.

+ Refrainfrom automated querying Do not send automated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine translation, optical character recognition or other areas where access to a large amount of text is helpful, please contact us. We encourage the use of public domain materials for these purposes and may be able to help.

+ Maintain attribution The Google "watermark" you see on each file is essential for informing people about this project and helping them find additional materials through Google Book Search. Please do not remove it.

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other countries. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can't offer guidance on whether any specific use of any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner any where in the world. Copyright infringement liability can be quite severe.

About Google Book Search

Google's mission is to organize the world's Information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full text of this book on the web

at|http : //books . google . com/

Kir v?7c^<^^ (/;

HARVARD COLLEGE LIBRARY

^\STD

Ml

. .ÏOM THE FUND BEQUEATHED B^ ^ 'ARCHIBALD CARY COOLIDGE AB1887 PROFESSOR OF HISTORY 1908-1928 DIRECTOR OF THE UNIVERSITY UBRARY 1910-1928

1

Digitized by

Google

Digiti

zedby Google

Digiti

zedby Google

Digiti

zedby Google

Digiti

zedby Google

ARCHIEVEN

NEDERLAINDSGHE KRIJGSWEZEN.

JOURNAAL VAN ANTHONIS DUYCK.

Digiti

zedby Google

GEDRUKT RIJ GERR. GIIINTA I> ALRANI.

Digiti

zedby Google

JOURNAAL

ANTHONIS pUYCK,

ADYOKAAT-FISKAAL VAN DEN EAAD VAN STATE.

(1591—1602)

HET INLEIDING EN AANTEEKENINGEN

DOOK

LODEWIJK MULDER.

KAPITEIN DEA INFANTKRIG.

EERSTE DEEL.

'S 6RA VENHA6E , i ARNHEM ,

HARTINUS NIJHOFF. 1 D. A. THIEHE.

186 2.

Digiti

zedby Google

^^3iS^H il)

J

Digiti

zedby Google

VOORREDE.

lo dc zilliog van den 8sten Maarl 18S8 Yan de Afdeeling Letterkunde der Koninklijke Akademie van Wetenschappen werd door den Kolonel Knoop een voorstel gedaan, waarvan de strekking was, door een onderzoek in het Rijks Arcliief en in andere verzamelingen stukken en oorkonden voor de Nederlandsche krijgsgeschiedenis op te sporen, om daarvan later <^' be- langrijkste en der algemeene aandacht waardigste in het licht te geven. Dat denkbeeld verwierf algemeenen bijval en nog in dezelfde vergadering «erden twee leden, de heeren Bosscha en Bakhuizen van den Brink uitgenoodigd, omtrent dit onderwerp een rapport uit te brengen.

Dit rapport ' werd in de zitting van den 14den Junij daaraanvolgende gelezen , ea wanneer er nog eenige twijfel had kunnen bestaan omtrent de waarschijnlijkheid, dat het opsporen, onderzoeken en uitgeven van tot dus- verre ongekende of ongebruikte bronnen voor de Nederlandsche krijgsge- schiedenis tot gewigtige resultaten zou leiden, die waarschijnlijkheid is door dat veelomvattend en met grondige kennis van zaken opgemaakt verslag

* Het is te vinden in de Verslagen en Medcdcclingen dor Koninkiyke Akademie van Weten- ^bappen, en daaruit met eenige aanteekeningen overgenomen in den Militaire Spectator, III Serie, 34e deel, bl. 627 en volgg.

Digiti

zedby Google

VI VOORREDE.

tot volkomen zekerheid geworden. Daaruit toch bleek het, welk een groot aantal dier bescheiden in de verschillende archieven en bijzondere verzame- lingen grootendeels nog ongebruikt aanwezig zijn, en hoeveel onschatbare bouwstofFen daar verborgen liggen, die, kritisch onderzocht, geschift en geordend, het eenige middel zijn om de Nederlandsche krijgsgeschiedenis te brengen op de hoogte van onzen tijd, welke teregt de historische weten- schap in de eerste plaats gebaat acht door grondige bronnenstudie.

De Akademie vereenigde zich met de conclusiën van het rapport, waarbij onder anderen de overtuiging uitgesproken werd van het hooge gewigt om den voorraad van belangrijke bouwstoffen voor onze krijgsgeschiedenis nader te onderzoeken en, zoo verre noodig, bekend te maken, terwijl tevens tot bereiking van dat doel, hetwelk boven de middelen en krachten der Aka- demie lag, de wenschelijkheid werd uitgesproken, dat aan het Departement van Oorlog een historische afdeeling wierd ingerigt, zoo als die te Parijs bij het Dépót général de la guerre bestaat.

Een en ander ter kennis van Z. Exc. den Minister van Binnenlandsche Zaken gebragt, en door dezen aan zijnen ambtgenoot van Oorlog, den Generaal Majoor van Meurs, medegedeeld, had ten gevolge, dat door laatstgenoemde het onderwerp in overweging werd genomen, en tevens het noodige werd voorbereid om zooveel mogelijk aan het voorstel der Akademie gevolg te geven. Na zijne aftreding werd de zaak door zijnen opvolger, den Kolonel Jhr. de Gasembroot tot rijpheid gebragt en aan Z. M. den Koning voorgedragen, waarop door Hoogstdenzelven werd be- paald, dat ter bevordering van het doel, door de Koninklijke Akademie beoogd, aanvankelijk zou worden overgegaan tot de uitgave van het Jour- naal van Anthony Duyck, hetwelk zich in handschrift op de Koninklijke Bibliotheek te 'sGravenhage bevindt, omtrent welk geschrift de hoeren Bosscha en Bakhuizen van den Brink in hun Verslag aan de Akademie den wensch reeds hadden geuit, «dat mogt, op welk eene wijze dan ook, aan het plan uitvoering worden gegeven, de proefneming werd begonnen met dit belangrijk handschrift van Maurits vriend en krijgsmakkcr » .

Dat dit Journaal, zelfs zonder een meer uitvoerig onderzoek, door de

Digiti

zedby Google

VOORREDE. VII

beide verslaggevers een belangrijk handschrift mogt genoemd worden, kan reeds a priori worden afgeleid uit den naam des schrijvers en het ambt van Advokaat Fiskaal van den Raad van State, hetwelk hij bekleedde in de dagen, over welke zijne aanteekeningen loopen, terwijl de gewigtigc betrekkingen, tot welke hij later geroepen werd, en de plaats, welke hij in de geschiedenis inneemt, een waarborg opleveren voor zijne veelomvattende kennis en de juistheid van zijn oordeel.

Anthony Duyck, afkomstig uit een aanzienlijk HoUandsch geslacht, welks stamouders waren Gijsen Duyck, die tusschen 1230 en 1270 leefde, en een Vrouwe van der Mark, * was een zoon van Gijsbert Duyck, Heer van Oud Karspel en in 1580 Schout te Hoorn; zijn geboortejaar schijnt tusschen het jaar 1560 en 1570 gesteld te moeten worden.

Na in de regten te hebben gestudeerd werd hij den 4den October 1889 tot Advokaat-Fiskaal van den Raad van State benoemd '^ in welke be- trekking hij verpligt was het leger te velde te volgen, waardoor hij dus in staat was gesteld tot het maken van belangrijke aanteekeningen, en bij zijnen naam op den titel zijns werks kon voegen, dat hij «in meest alle de belegeringen present geweest is ende sulcx daegelijcx geannoteert heeft». Den 51 sten Mei 1602 werd hij, na het overlijden van Johan de Rechtere, uit een drietal Anthony Duyck , Harman Verbies en Dirck van Berckel dat door de Staten van Holland aan Prins Maurits was aangeboden, door dezen tot Griffier van den Hove van Holland gekozen, welke be- lrekking hem evenwel niet verhinderde ook in dat jaar (het laatste waar- over zijn Journaal loopt) het leger te velde te volgen, daar de Penning- meester van de Griffie, Jacob Heerman, op Duycks verzoek, bij acte van het Hof van den 4den Junij 1602 geauthoriseerd werd, om gedurende zijne afwezigheid de Raadkamer te bedienen.

Den Oden November 1618 werd hij met den heer van S wiet en uit de

* Het wapen van het geslacht Dayck is een veld van goad , beladen met drie Dnycken (ganzen) Tan aahel en een znil van keel (Balen, beschry^ing van Dordrecht, II, bl. 1049).

' Comnussiebeek vao den Raad van State van 1588—1591, bl. 41. (Rijks Archief, M. S.)

Digiti

zedby Google

vin VOORREDE.

edelen, en Hugo Muys van Holy uit Dordrecht, Reinier Pauw, Burgemeester van Amsterdam , en Bruninek , Secretaris van Enkhuizen , door de Staten van Holland aangesteld tot het onderzoek in de zaak van Oldcnbarnevclt, de Groot en IJogerbeets. Deze opdragt, tegen welke hij herhaaldelijk pro- testeerde, werd hem gegeven «mits den Fiscaal Kinschot den Heer Advo- caet bestaet in maeghschap» en kort daarna werd hij met Laurens Sylla uit Gelderland en Pieler van Leeuwen uit Utrecht, Fiskaal bij de gede- legeerde regters. Na afloop van het regtsgeding werd hij, bij het overlijden van Mr. Francois Vranck, tot Raadsheer in den Hoogen Raad van Appel der landen van Holland en Zeeland bevorderd (Resol. van de Staten van Holland, 4 Oct. 1619), en den 92sten Januarij 1621, bij keuze uit het drietal: Duyck, de Wit en Pauw, tot Raadpensionaris van Holland aan- gesteld. Hij was de eerste Raadpensionaris, die als gewoon lid ter Verga- dering der Statcn-Generaal werd gelastigd (Resol. van de Staten van Holl. , 9 Maart 8 April 1621), en bleef zijne gewigtige betrekking bekleeden tot aan zijnen dood, die den 13den September 1629 voorviel. Hij was twee- maal gehuwd geweest; zijne eerste vrouw, Elisabeth de Michely , schonk hem drie dochters, Kornelia, Maria en Anna, waarvan de eerste met Kornelis van Westreenen en de tweede met Pieter van Leeuwen de Leydis huwde.

Het door Duyck nagelaten Journaal is in zeven boeken verdeeld , die het tijdvak van 1891 tot en met 1602 omvatten. Zes van die boeken evenwel zijn slechts voorhanden, daar het vierde, hetwelk de jaren 1598 en 1599 behelst, verloren is gegaan, en reeds ontbrak toen het manuscript door de Koninklijke Bibliotheek, aan welke het thans nog behoort, werd aan- gekocht. Herhaalde pogingen om dit ontbrekende gedeelte op te sporen zijn vruchteloos gebleven, doch daar de mogelijkheid nog immer bestaat, dat het hier of daar aanwezig is, nemen wij deze gelegenheid waar # om een dringend beroep te doen op allen, die in onzen arbeid belang mogten stellen, ten einde in de archieven of andere verzamelingen, welke binnen hun bereik liggen, eenige nasporingen te doen, die welligt het vermiste vierde boek aan het licht zouden kunnen brengen. Daar het moge-

Digiti

zedby Google

V o o R H E I) E. IX

lijk ware, dat de titel of andere onmiddellijke kenteekencn ontbraken, hebben wij een facsimile van eene bladzijde uit het eerste boek hierachter gevoegd. Het origineel, met uitzondering van het laatste gedeelte van het zesde en het geheele zevende boek, is met hetzelfde geregelde schrift door Duyck eigenhandig geschreven, zoo ak ons uit de vergelijking met oor- spronkelijke stukken op het Rijks- Archief gebleken is. Het heeft behoord tot de verzameling van manuscripten en boeken van Jan de Witt * , en volgens Wagenaar (XI deel, bl. 112) berustte het in het midden der vorige eeuw onder den heer Pieter Rendorp, Burgemeester van Amsterdam *. Later is het overgegaan in de bibliotheek van den heer Jan Schouten te Dordrecht, en kwam in 1855 door aankoop in de Koninklijke Bibliotheek te *s Gravenhage.

Wat nu eindelijk den inhoud van het Journaal aangaat , Duyck zelf heeft het gekarakteriseerd, door op zijn titel te vermelden, dat het «meestal niet dan de naeckte effecten van de notabelste geschiedenissen» inhoudt. De stijl verheft zich slechts zeer zelden boven den gewonen kronijkstijl van die dagen, maar is helder en duidelijk. Het is in den regel de naauw- lettende toeschouwer, die spreekt, die verhaalt wat hij gezien en bijgewoond heeft, maar die ook menigmaal zijne eigene opmerkingen en oordeelvel- lingen in zijn verhaal vlecht, en dikwijls kort en krachtig zijne goed- en afkeuring op niet dubbelzinnige wijze te kennen geeft. Maar die beschou- wingen zijn hier nevenzaak, en te vergeefs zou men bij hem dat navor- schend doordringen in het innerlijk wezen der gebeurtenissen, dat bloot- leggen van de verborgenste beweegredenen en drijfvecren der handelende personen, dat schilderen van karakters en zeden zoeken, waardoor vele andere gedenkschriften niet alleen tot zulke schatbare bijdragen voor de

1 In den Catalospu dier verzameling (Dordrecht 1701) komt het Journaal in zeven hoeken voor op pag. 68, onder N^ 124, 4to.

* Ooder de handschriften der Bibliotheca Rendorpiana, the entire lihrary of the late learned John Bendorp of Marquette and Amsterdam , die den 28.-ten Februarij 1825 en volgende dagen door Sotheby te Londen werd verkocht, wordt niets gevonden, dat aao een gedeelte van Daycks Jour* naai kan doen denken.

Digiti

zedby Google

X VOORREDE.

intieme kennis van lang vervlogen tijdperken, maar ook tot eene onder- houdende en ook voor het algemeen steeds belangwekkende lektuur ge- stempeld worden. Doch dat gemis wordt bij hem grootelijks opgewogen door den overvloed van détails, welke hij mededeelt, waartoe ook de vorm van zijn werk, dat nagenoeg onafgebroken van dag tot dag de gebeurte- nissen wedergeeft, noodzakelijk aanleiding gaf.

Voor de krijgsgeschiedenis , en vooral ook voor de geschiedenis van het krijgswezen, bevatten zijne aanteekeningen eene rijke schat van wetens- waardige bijzonderheden. JVu eens betreffen zij de zamenstelling en de , sterkte van het leger der Republiek in die dagen, of geven eene gedetail- leerde beschrijving van opstellingen voor het gevecht of indeelingen voor belangrijke marschen: dan weder zijn het omstandige relazen der voor- naamste gevechten, als dat aan de Lippe in 1S96, den strijd bij Turnhout en vooral den slag bij Nieuwpoort, waarvan de beschrijving die van alle andere gelijktijdige schrijvers in uitvoerigheid en naauwkeurigheid verre achter zich laat, en ook door Prins Maurits zelven als de beste werd ge- roemd. Maar vooral voor de geschiedenis van den vestingoorlog in dat tijdperk vinden wij hier eene menigte gegevens. Dag voor dag wordt alles medegedeeld, voet voor voet wordt de voortgang der aanvalswerken ge- volgd in de merkwaardige belegeringen van Steenwijk, Coeverden, Geer- truidenberg, Groningen, Grol, Grave, enz. Wanneer wij dan ook in Duyck's Journaal eene menigte bijzonderheden aantreffen, die voor de geschiedenis van zijnen tijd in het algemeen van veel belang zijn, is het toch hoofd- zakelijk uit een krijgs-historisch oogpunt, dat er het meeste gewigt aan moet worden toegekend, daar het juist op dat terrein zeer veel aanvult, wat uit den aard der zaak, zelfs bij onze meest uitvoerige gelijktijdige schrijvers, minder gedetailleerd gevonden wordt.

Of het Journaal reeds vroeger door onze geschiedschrijvers is geraadpleegd geworden, is eene vraag, die moeijelijk met zekerheid kan beantwoord worden. Wagenaar (Vad. Hist., XII, bl. 112) zegt, dat Bor zich, zoo ver hij gaat, heeft kunnen bedienen van de gedenkschriften der krijgsbedrijven van Maurits door den Raadpensionaris A. Duyck. Eene oplettende ver-

Digiti

zedby Google

VOORREDE. XI

gelijking van onderscheidene gedeelten van Bor*s geschriften met het dag- boek van Duyck stelt het buiten eenigen twijfel, dat beiden met elkander in betrekking geweest zijn; er zijn zeUs bij Bor geheeie volzinnen, waarin nagenoeg letterlijk de woorden van Duyck gebezigd worden. En toch is er, in weerwil van Wagenaar*s verzekering, eenigen twijfel bij ons gerezen, of hij werkelijk bij het zamenstellen van zijn geschiedverhaal het Journaal heeft geraadpleegd. Hij haalt namelijk nu en dan brieven aan , door Duyck uit het leger geschreven (bijv. in het XXXIl boek, bl. 49 en 46, in het XXXV boek, bl. 482, in het XXXVl boek, bl. 85), die hem minder vol- ledige berigten geven dan hij in het Journaal had kunnen vinden, terwijl hij op meer dan ééne plaats, waar hij nagenoeg de eigen woorden van Duyck bezigt, uit gelijktijdige brieven van andere personen nadere bijzon- derheden laat volgen, welke even goed in het Journaal staan opgeteekend. Het komt ons daarom veeleer waarschijnlijk voor, dat hij in de gelegenheid is geweest, bijzondere aanteekeningen van Duyck te raadplegen. Dit ver- moeden krijgt te meer grond, wanneer men zich herinnert, dat uit een brief van Hooft, van den 19den December 1631, aan Gerard van Zanten geschreven ', kan afgeleid worden, dat Duyck bij uitersten wil beperkende bepalingen omtrent de uitgave van zijne gedenkschriften had gemaakt. «tGeen UEd.,» zegt Hooft, «van d'uiterste wille des Heeren Duiks ver- meldt, drijft mij wel tot de vreeze, nocht niet tot wanhoop toe. *t Is niet nieuws, dat zoodane persoonadje hunne gedenkenissen verbieden met hun lijk uit te gaan; maar zelden dat zij die ter eeuwige duisternis verwijzen. Zijn Ed. zal misschien haare gevankenis aan eenig getal van jaaren ge- bonden hebben, die af konnen loopen, eer zij mij te staade zullen koomen. Niettemin zoo UEd. achter den slag van Vlaanderen, zoo bescheidelijk , zelfs naa *s Veldlheeren oordeel bcschreeven , oft eenige andere stukken derzelve weet te raaken, zal achten dat ik mijn geluk en UEd. vriendt- schap te danken heb: gemerckt d'onzeekcrheidt van *t geheel te ver- werven. »

Hooft't brimo, N«. 314, bl. 251.

Digiti

zedby Google

Xlï V o o W R K 1) K.

Hel is dus niet wel aan te nemen, dat Duyck zijne aanteekeningcn, waarin dan ook een tal van oordeelvellingen voorkomen, die menigen tijd- genoot niet aangenaam konden zijn, gedurende zijn leven ter inzage, ten minste zeker niet tot gebruik, zou hebben afgestaan.

De bewering van enkele schrijvers, dat van Meteren het journaal als bouwstof voor zijn geschiedverhaal gebezigd zou hebben , berust , zoo ver wij weten, alleen op céne plaats uit diens voorrede, waarin hij zegt: aWij hebben mede behulp gehad van de Memoricn van Heer Jacques de Grijze , geweest Generael van de Vivres, van Mr. Anthonis Duyck, geweest Fiscael van de Generaliteyt en van andere meer goede Heeren en vrienden, die wij ten hoogsten daerover te dancken hebben.» Hier staat evenwel niet anders te lezen, dan dat van Meteren, behalve van de memoriën van de Grijze, die overleden was, nog hulp gehad heeft van Duyck en andere heeren en vrienden.

, Wij gelooven dus, dat het getal jaren, waaraan de «gevankenis dezer gedenkenissen » gebonden was, nu eerst is afgeloopen, en achten, dat met den inhoud van dit journaal een nieuwe en rijke bron van wetenswaardige bijzonderheden, deels voor de staatkundige, maar l)ovenal voor de krijgs- kundige geschiedenis van de laatste jaren der 16de en de eerste der *i 7de eeuw geopend is.

Het lag in den aard van onzen arbeid, dat |iet krijgshistorisch element op den voorgrond moest treden , zoowel bij de keuze der aanteekeningcn , welke wij hier en daar aan den oorspronkelijken tekst hebben toegevoegd , als bij de behandeling der Inleiding, welke wij aan het journaal hebben doen voorafgaan. In deze laatste hebben wij den toestand, waarin het land zich bij het begin van den offensieven oorlog in 1591 bevond, in korte trekken geschetst, de redenen, zoowel van stralegischen als van politieken aard, die op het plan van den veldtogt van dat jaar invloed hebben uitgeoefend, nagegaan, en eindelijk een overzigt gegeven van de inrigting van het leger der Republiek op dat tijdstip

Ten slotte blijft ons nog de aangename vcrpügling over, onzen dank Ic betuigen voor de belangstellende ondersteuning, welke wij van verschillende

Digiti

zedby Google

VOORREDE. XIll

zijden bij onzen arbeid hebben mogen ondervinden. Niet alleen aan den Rijks-Archivaris , den beer Bakhuizen van den Brink , van wien de heer van Deventer het onlangs in zijne voorrede der « Gedenkstukken van 01- denbarnevelt » met zooveel waarheid getuigde : « dat het zijn welverdiende , maar zeker niet ligt te verkrijgen roem is, dat hij zijnen naam aan alle belangrijke geschriften onzer dagen over de geschiedenis des vaderlands verbonden heeft » , zijn wij groeten dank verschuldigd voor de onvermoeide welwillendheid, waarmede hij ons steeds met raad en daad heeft bijge- staan en voorgelicht bij onze werkzaamheden aan het Rijks- Archief, maar ook aan den heer Groen van Prinsterer, die ons met de meeste voorko- mendheid tot het raadplegen van eene menigte stukken uit het Archief van Zijne Majesteit in staat stelde. Menige opheldering hadden wij ove- rigens te danken aan de bereidwilligheid, waarmede de heer van Deventer het eerlang uit te geven tweede deel van zijne Gedenkschriften van Johan van Oldenbarnevelt ter onzer beschikking stelde, aan de mededeelingen van eenige stedelijke Archivarissen , die wij herhaaldelijk en nimmer te ver- geefs raadpleegden, en eindelijk om de woorden van van Meteren tot de onze te maken « aen andere meer goede Heeren en vrienden , die wij ten hoogsten daerover te dancken hebben » . Ook bij de bewerking van het vervolg dezer uitgave, die nog uit twee deelen, ongeveer van ge- lijken omvang als dit eerste, bestaan zal, blijven wij ons voortdurend bij hen aanbevelen.

Digiti

zedby Google

Digiti

zedby Google

INHOUD VAN HET EERSTE DEEL.

Inleiding BIz. 1-CXXIV.

EERSTE BOEK.

Corte voorreeden , Bk. i.

4591. Van de belegeringe van Zutphen (24 Mei 51 Mei) » 6.

Van de belegeringe van Deventer (51 Mei 18 Junij) ... » 14. Van de belegeringe van Groeninge ende de schantsen daeron-

Irenl (90 Junij 12 Julij) » 25.

Van tvertreck van lleger naer de Betuwe (15 Julij 25 Augustus) » 55.

Van den tocht in tlant van Waes in Vlaenderen (14 Sept. 5 Oct.) » 48.

Van de belegeringe van Nieumegen (9 Oclober 51 October) . » 88.

Anno 1592 (1 Januarij 15 April) » 68.

Van tbcleg van Steenwijck (1 Mei 19 Julij) » 72.

Van tbeleg van Cocvoerden (20 Julij 26 September) ... » 106.

Tocht naer den Rijn (27 September 22 October) . . . . » 141.

Andere geschiedenissen (27 October 24 December) .... » 148.

Anno 1595 (1 Januarij 18 Maart) » 161.

Geertruidenberch (21 Maart 50 Junij) » 164.

Van den tocht naer de Bommelerwaert (1 Julij 25 Julij). . » 246. Van den tocht in Vlaenderen, geduyrende men in de Bomme-

lerweert lach (24 Julij 17 Augustus) » 257.

Van den tocht in Overijssel ende Groeningerlant , geduyrende

men in de Bommelerweert lach (18 Augustus 29 October) » 274.

Digiti

zedby Google

XVI

Van den todit nacr L)ml)urch, gcduyrcndc men in (Jrocningcr-

lant lach (50 Ocloher 15 November) Blz. 297.

Van den locht naer Brugge in Vlaenderen (16 iVov. 27 iVov.) « 502.

Diverse andere considerable geschiedenissen (IVoveniher en

December) » 506.

Bijlagen lot het eerste boek » 515.

Tacfelc van desen journael (1591 , 1592 en 1595) » 527.

TWEEDE BOEK.

1594 (1 Januarij 18 Februarij) » 559.

Van den aenslach op sllartogenbosch (25 Februarij 10 Maart) « 550.

Van den ^aenslach op Maeslricht (11 Maart 51 Maart). . . » 551.

Tocht om de Duytseri te bejegenen (5 April 25 April) . . » 567.

Van t'ontset van Coevoerden (26 April 17 Mei) » 575.

Van tbcleg van Groeningen (18 Mei 28 Augustus) .... » 5Q4.

Andere geschiedenissen (Augustus en September) n 474.

Tocht in tlant van Zutphen beraemt om Grolle te belegeren,

sonder vrucht affgeloopen (2 October 15 October) ... » 482.

Van den inlochl naer Vranckrijck ofte Sedan (16 Oct. 51 Dec.) » 489.

t'Jaer 1595 (1 Januarij 1 Februarij) » 517.

Van Hoeye (2 Februarij 12 April) » 525.

Van de veranderingc tot Eemden (15 April 27 Junij) . , . » 561.

Van den tocht naer tlant van Zutphen (1 Julij 15 Julij). . » 608.

Van de belegeringe van Groll (14 Julij 27 Julij) » 612.

tXeger te Silvolden (28 Julij 17 Augustus) » 625.

iXeger tot Bisselich (18 Augustus 24 October) » 640.

t'Huys te Weert belegert (25 October 29 October) .... >. 686.

Andere geschiedenissen (50 October 51 December). ... » 690.

Bijlagen tot het tweede boek » 711.

Index ofte laefele des tweden boecks descs journaels .... » 725.

Digiti

zedby Google

INLEIDING.

In het jaar 1591 , met hetwelk het Journaal van Anthony Dayck eenen aanvang neemt, begint de groote omkeering in de oorlogvoe- ring van de Nederlandsche gewesten tegen Spanje, waarvan enkele op zich zelf staande krijgsbedrijven in het vorige jaar, als de ver- rassing van Breda, de togt van Maurits door Noord-Brabant , de welgelukte ondernemingen van Graaf WiQem Lodewijk in Groningen , enz., als de voorloopers kunnen aangemerkt worden.

Het offensieve element, het krachtigste, ja het eenige, dat op den langen duur tot het einddoel van iederen oorlog leiden kan, had in den laatsten tijd, ten gevolge van onderscheidene zamen- werkende oorzaken, aan den roemrijken worstelstrijd ontbroken. Alleen de eerste jaren van den opstand waren er door gekenmerkt geweest, toen Willem van Oranje, na alle passieve middelen van verzet tegen de dwingelandij te hebben uitgeput, in 1568 het zwaard had aangegord en den aanval begonnen, die in het bij Daelhem en Jemmingen vergoten bloed gedeeltelijk werd gesmoord en daarna geheel afstuitte op de angstige werkeloosheid der landzaten en de koel berekenende passiviteit van Alva, die eindelijk den Prins, nagenoeg zonder slag of stoot , tot het afdanken van zijn leger dwong.

Dat het karakter van dien krijg van Oranje's zijde offensief zijn moest, lag in den aard der zaak; daar waar niets te verdedigen viel, waar het geheele land door de Spaansche troepen was bezet, was het eerste vereischte, dat de opstand een terrein vond, waarop

I.

Digiti

zedby Google

II

hij zich kon vastzetten, eene wijkplaats voor hen, die openlijk de zaak der vrijheid omhelsden. Toen die eerste poging mislukt was, duurde het ongeveer vier jaren , voor dat het offensieve weder werd hervat. Wel was het heldenfeit van Herman de Ruyter in 1570 eene kloeke, maar hopelooze en op zich zelf staande poging om er toe over te gaan ; wel voerden de watergeuzen hun woesten krijg op den Oceaan; maar de tijd was nog niet daar, het gevoel van eigen kracht, dat noodzakelijk vereischte voor een aanvallenden oorlog, was nog niet ontwaakt bij het volk, dat door de ijzeren vuist van Alva werd ter neer gebogen. Dat gevoel van kracht werd eerst opgewekt toen de stoute aanval op den Briel was gelukt , en eene menigte steden in de noordelijke gewesten het juk hadden afgeschud. Toen nam het verzet tegen Spanje terstond zijn offensief karakter weder aan: Lodewijk van Nassau greep met welberaamde stoutheid den vijand aan in het hart zijner provinciën, en ontwel- digde hem Bergen, de belangrijke vesting, die bij de gunstige vooruitzigten op ondersteuning, welke Catharina de Medicis zoo verraderlijk had voorgespiegeld, zulke gewigtige strategische diensten had kunnen bewijzen. De Zeeuwsche vloot onder Ewout Pietersz Worst stevende het zeegat uit en veroverde bijna de geheele Lissa- bonsche koopvaardijvloot, die met Medina Celi herwaarts was geko- men, en Oranje rukte weder met een nieuw geworven leger over de Oostelijke grenzen het land binnen. Doch ten tweedenmale mislukte die poging; de gruwelijke Bartholomeusmoord , en het standvastig beleid, waarmede Alva ook nu den slag ontweek, ver- ijdelden iedere hoop op een goeden uitslag. Ten tweedenmale genoodzaakt zijn leger af te danken en van den aanval af te zien , begaf zich Willem van Oranje naar Holland, vast besloten om daar voor de zaak der vrijheid te strijden tot dat hij er den dood gevon- den zou hebben ^).

1) i> Estant resola de partir vers HoUande et Zélande ponr maintenir les affaires par dela tant que possible sera , ayant délibéré de faire illecq ma s^polture. # (Brief van Willem van Oranje aan zijnen broeder Jan van Nassau, van den ISden October 1572. Groen van i^rinsterer , Archives de la Maison d'Orange , IV,pag. 4.)

Digiti

zedby Google

III

Dat besluit om zich liever tot den laatsten snik te verdedigen dan zich aan den Spaanschen tiran over te geven, verleende van toen af een blijvend defensief karakter aan de wanhopige worsteling. Wel geschiedden e]* nu en dan enkele, als op zich zelf staande offensieve operatiên, als in 1573 de verovering van Rammekens door de Zeeuwen, de inneming van Geertruidenberg enz.; wel was de Prins van Oranje, zoo als uit onderscheidene plaatsen van zijne brieven blijkt, zelf te goed krijgskundige om niet alle middelen te beproeven tot het bijeenbrengen van een leger, waarmede hij weder aanvallend zou kunnen optreden ^), maar tot een werkelijkeu aan- vallenden oorlog kwam het niet meer.

De onderneming van Lodewijk van Nassau, in 1574, die met den bloedigen nederlaag op de Mookerheide eindigde, moet veeleer beschouwd worden als een aanvoer van hulptroepen dan als eene direct offensieve handeling, hoezeer het welgelukken daarvan onge- twijfeld tot het aannemen van een meer krachtig oorlogsplan zou hebben geleid. Alleen de welgeslaagde ondernemingen van Rennen- berg, in 1578, die een groot gedeelte van de noordelijke en ooste- hjke gewesten aan de zijde van den Prins bragten, kunnen nog als een tijdelijke overgang tot den aanvallenden krijg worden aan* gemerkt.

De hier behaalde voordeden gingen echter weldra ten gevolge van Rennenberg's overgang naar de Spaansche zijde weder verloren. En in de volgende jaren werd de mogelijkheid tot het voeren van eenen minder passieven oorlog al kleiner en kleiner. Niet dan met de uiterste inspanning kon Willem van Oranje in den laatsten tijd zijns levens het gestadige verval van de zaak der vrijheid tegenhouden, en toen na zijnen dood de Koningin van Engeland, wel is waar een aanzienlijk aantal hulptroepen maar met hen ook den Graaf van Leicester naar deze gewesten zond, wiens gemis aan krijgskun-

1) # Je 8018 icy , * schrijft hij onder anderen den lOden Augustus 1573 aan zijnen broeder Lodewijk van Nassau, #rendant toute la peine du monde poür trouver argent IL fin de pouvoir remectre no2 gens en ordre et dresser nouveau camp. * (Groen van Prinsterer, Arch. IV, pag* 181.)

Digiti

zedby Google

IV

dige bekwaamheden geene grootsche opvatting van eene meer ener- gieke oorlogvoering toeliet , beletten nog buitendien de binnenlandsche verwikkelingen en het vvederkeerig wantrouwen tusschen den Engel- schen Landvoogd en de Staten, dat men van de verdediging tot den aanval overging, waartoe men anders met het oog op de aan- wezige strijdkrachten wel had kunnen besluiten.

De verovering van Axel door Maurits in 158G was een gelukkig uitgevoerde coup de main, die kracht gaf aan de stelling der Staatsche en Engelsche troepen, welke zich in Sluis en Ostende bevonden , maar bleef een op zich zelf staand feit , dat volstrekt niet in verband stond met eenig meer uitgebreid offensief oorlogsplan. Even- eens kan men de verovering van Doesburg en de mislukte aanslag op Zutphen in dat zelfde jaar niet anders beschouwen dan als eene poging om Parma te dwingen het beleg van Rijnberk op te breken.

Leicester vertrok en de republiek der Vereenigde Nederlanden werd gegrondvest. Fier vertrouwende op de toekomst, besloten de Staten de tweemaal mislukte poging om de heerschappij aan een vreemd Vorst op te dragen , niet te herhalen. Het gevoel van eigen kracht was eindelijk sterk genoeg geworden om daarin een voldoenden steun te vinden voor hunne staatkundige zelfstandigheid. Wel konden zij de vreemde hulp nog niet ontberen, maar die hulp zou hun voort- aan gebragt worden door bondgenooten , die met hen een en hetzelfde belang hadden in den strijd; zij zou niet meer de prijs zijn, waarvoor bij gunstigen uitslag hunne onafhankelijkheid zou worden verkocht. Wel had de oneenigheid tusschen Leicester en de Staten Koningin Elisabeth van de Nederlanden vervreemd, zoodat zij met ernst over den vrede met Spanje begon te onderhandelen , die, wanneer hij tot stand ware gekomen, den ondergang van de republiek genoegzaam zeker ten gevolge zou hebben gehad; maar de kwalijk berekende aanslag van Philips tegen Engeland, die met de vernietiging van zijne trotsche Armada eindigde, had de beide Staten weder in het gemeenschappelijk gevaar en in den gemeen- schappelijken zegepraal vereenigd, en naauwer dan ooit den band toegehaald, die bij het traktaat van 1585 was gelegd. Zoolang Elisabeth leefde was de republiek van haren bijstand verzekerd.

Digiti

zedby Google

De meerdere vrijheid van handelen, die de Staten ten gevolge van het vertrek van den Engelschen Landvoogd verkregen, werd door hen op eene uitmuntende wijze gebruikt om het leger op eenen beteren voet te brengen. De uitbreiding door Leicester aan de strijdkrachten gegeven, stond niet in verhouding tot de geldmiddelen, waarover het land te beschikken had; wanbetaling en muiterij waren er het gevolg van, en het leger, veel talrijker op het papier dan in de werkelijkheid , was bovendien door de misbrui- ken, die uit gebrekkige betaling der soldij voortvloeiden, voor een groot gedeelte gedemoraliseerd. Het waren niet alleen de vijanden van den Landvoogd , die hem dien hoogstnadeeligen stand van zaken verweten, en wier verklaringen in dien tijd van wederzijdsche beschuldigingen welligt minder vertrouwen zouden verdienen, maar zelfs zijne vrienden zeiden het hem in ronde woorden. In eene memorie, welke eene reeks van raadgevingen aan Leicester bij zijne voorgenomen terugkomst in de Nederlanden bevat ^), komen de volgende opmerkelijke regels voor:

//Fault que S. E. accomplisse Ie traitté entre Sa Ma^^ et les Estats, et qu'il évite Ie blasme que Ton luy a donné Tan passé que les forces de Sa Ma^^ tant de pied que de cheval n'ont esté a beaucoup prés complettes , que Ton n'a point fait les monstres deue- ment et avec l'assistance d'un commissaire de la part des dits Estas , et que les dites trouppes Angloises ont esté cincq ou six mois entiers sans aucun prest ou paiement; chose qui a cuidé causer une grande altération en eet Estat. // En verder :

»Ge qui a fait perdre a S. E. la bonne opinion et volonté des soldats de pardega a esté la faulte de paiement. Car, ayans espéré que la venue de S. E. les rendroit contens et satisfaits , il est certain qu'ilz ont esté tous plus mal payez cette dernière année que en plusieurs années précédentes; ores que les Estas ayent fourny deux fois autant d'argent que les années passées, n'ayans les dits soldatz

1) Dit stuk berust in haadschrift in de Correspondance de HoUande, in de Archifes étrangères te Parijs, en is opgenomen in Groen van Prinsterer, Archives, 2de serie, I, pag. 61.

Digiti

zedby Google

VI

tant es garnisons qu'en la campagne re^a plas de deux mois ou trois tout au plus de paie en un an. Et tient on icy pour miracle qu*il ne s'est vendu et perdu davantage de places a cette occasion ^ car on les a mis en grand hazard. //

Eene wijze spaarzaamheid verving nu de noodlottige ordeloosheid; de overtollige troepen werden afgedankt, maar daarentegen werd zooveel mogelijk gewaakt voor eene rigtige betaling der manschap- pen, die men in dienst hield, en wanneer er ook al tengevolge van de ondoeltreffende inrigting der militaire administratie, nog mis- bruiken plaats grepen, zoo als wij later bij eene nadere beschouwing van het leger zullen vermelden, hadden toch de verstandige maat- regelen door de regering genomen al zeer spoedig den weldadigsten invloed op de deugdelijkheid van de strijdkrachten waardoor eenige jaren later de overgang tot eene meer krachtige oorlogvoe- ring mogelijk werd.

Behalve de bovengemelde oorzaken, die de republiek in staat stelden, eindelijk eene offensieve houding tegenover Spanje aan te nemen, was er nog eene hoogstgewigtige, die alle andere in belang verre overtrof, het was de verkeerde staatkunde van Philips II, die hem aandreef, zich in den burgeroorlog in Frankrijk te mengen.

Naauwelijks had Jacques Clement Koning Hendrik III van het leven beroofd, of de Spaansche Koning besloot, zich met kracht tegen de troonsbeklimming van Hendrik van Navarre te verzetten, en verbond zich naauwer met de Ligue, met het geheim oogmerk om de kroon van Frankrijk aan zijne dochter Isabella te bezorgen , en daardoor, wanneer dat rijk tot een vasalstaat van Spanje zou zijn gemaakt, het groote doel van zijn leven, de vernietiging der

1) u Er ist Gott lob itzo in dissen Provintzien einigkeit and gutte ordnung und disciplin under dem kriegszvolck und sie bekommen richtig alle 48 tag einen monats bezahlungh, aber in Frieszlandt gebet es noch richtiger zu, und sunderlich mit den durcbzüghen, dan was dieselbe ach gescheen mogen hat es die gelegenheit, das ein hausman sich nicht eines stübers schaden darf von Iren soldaten besorgen und ein jeder soldat mosz sich selbst proviandieren und die proviandt viir etzüche tagh mit sich tragen oder die Souttelars folgen Ihnen. ^ (Brief van G. Frinck aan Jan den Oude, Graaf van Nassau, van den 12 Nov. 1590. Arch. van Z. M.)

Digiti

zedby Google

vil

ketterij en de herstelling der Katholijke Kerk in Europa, te berei- ken of ten minste veel naderbij te komen.

Te vergeefs wezen verscheiden zijner Raadslieden , wier oordeel niet , als het zijne , door een alles overheerschend fanatisme beneveld was, hem op het gevaar, dat uit eene dergelijke uitbreiding zijner ondernemingen , uit eene zoo verderfelijke versnippering van krachten zou geboren worden. Te vergeefs putte de Hertog van Parma al zijne overredingskracht uit, om hem van zijne noodlottige plannen te doen afzien. Te vergeefs stelde hij hem voor, dat de verovering der Nederlanden, tot welke de omstandigheden thans gunstiger waren dan ooit, eene rijke bron zou openen om daarna, met dubbele kracht in Frankrijk op te treden. Tot in de laatste jaren toe was het voordeel van de oorlogskans in de Nederlanden aan de Spaan - sche zijde geweest, en de wederzijdsche toestand der strijdende partijen was werkelijk van dien aard, dat wanneer Philips slechts een gedeelte van de schatten, die hij later aan het najagen van zijn doel in Frankrijk verspilde, aan den krijg in deze gewesten had besteed, de uitslag bijna niet twijfelachtig ware geweest.

In het noorden werd Friesland bedreigd door Verdugo, die Groningen en het oostelijke gedeelte van het land in zijn bezit had; de IJssel vestingen waren in handen van de Spanjaarden , en van daaruit kon de openliggende provincie Utrecht met goed gevolg worden aangetast; Geertruiden berg , juist te regter tijd door het verraad der muitende bezetting in Parma's handen gele- verd, dreigde den handel op de Hollandsche stroomen te belem- meren, en werd door velen als de sleutel van Holland aangemerkt. Parma gevoelde het, dat één krachtige stoot een einde aan den oorlog kon maken, dat hij nog slechts ééne krachtige ondersteuning aan manschap en geld noodig had om de kroon te zetten op zijn werk, om den opstand, dien hij gedurende eene reeks van jaren met meesterlijk beleid had bestreden en eindelijk uit de zeventien gewesten tot binnen den omtrek van vier kleine provinciën had teruggedrongen, met éénen slag te vernietigen. Maar gelukkig voor de Nederlandsche vrijheid stuitten al zijne drangredenen af op de onverzettelijkheid van Philips, die veeleer op het welslagen zijner

Digiti

zedby Google

vin

ondernemingen in Frankrijk de hoop op eene later gemakkelijker uit te voeren onderwerping zijner oproerige onderdanen bouwde.

Parma moest gehoorzamen en zijne benden, die zoo dringend gevorderd werden om in de Nederlanden het veroverde te behouden , naar Frankrijk voeren om de Ligue tegen Hendrik van Navarre te ondersteunen, die na den zegepraal bij Ivry met een leger van 20,000 man het beleg voor Parijs had geslagen. Het keerpunt in de geschiedenis van het eenmaal zoo magtige Spanje was bereikt: van dien oogenblik af ging het zijn steeds toenemend verval te geiuoet.

Deze loop. der omstandigheden bragt Hendrik IV in naauwere aanrakin^j met de Republiek. Het was voor hem van het grootste belang, dat de Spaansche strijdkrachten zooveel mogelijk in de Nederlanden werden bezig gehouden, en Parma daardoor werd gedwongen, een groot gedeelte van zijne magt tot beveiliging der sterkten in deze gewesten af te zonderen , of wel zijne finantiën , die zich toch reeds in een zeer ongunstigen toestand bevonden *) , nog meer te verzwakken door het aanwerven van nieuwe ligtingen. Geen wonder dan ook, dat Hendrik van Navarre, weldra onder- vond, en ook erkende, van welk een groot gewigt de stoute en met zooveel geluk bekroonde ondernemingen van Maurits voor hem waren '). Aan den anderen kant was de inval van Parma in Frankrijk en de afleiding, welke daardoor voor de Republiek ont-

1) A' Want het schijnt, dat sedert d'administratie van de financiën Parma ont- nomen is, dat zijn Ex®'« des lants saecken so zeer hem nijet aentreckt, renvoijerende ende aenwijsende al wat geldtsaecken belangt aen zeeckere Spaensche Heer^'u daertoe verordonneert, twelck veroirsaeckt eene grootc jalousie tusschen hunlie- den.-/ (Brief van Buijs uit Emden aan de Staten Generaal, van den 7den Juuij 1591. Kijks archief. M. S.)

2) f Et ne reputons aussi a petite obligation Tintention que vous avez en vos entreprinses de donner autant de soulagement et relasche a nos affaires des efforts plus grands et plus prompts que Pennemy que vous tenez par ce moien occuppé pourroit sans cela faire contre nous dout nous vous remercions bien affectueusement , etc. (Brief van Hendrik IV aan de Staten Generaal, van den 6den Junij 1591. Bijks Archief. M. S.)

Digiti

zedby Google

IX

stond, voor den Franschen Koning eene gereede aanleiding om bij haar op krachtige ondersteuning aan te dringen. Hij bragt den Staten het groote gewigt van het oogenbhk onder het oog, en ver- maande hen , zich niet aan rust en verademing over te geven , maar nu in vereeniging met Frankrijk eene krachtige poging te wagen. Zijn ambassadeur de Buzanval , verzuimde dan ook niet , hen op het groote voordeel te wijzen, dat er voor hen uit zou voortvloeijen wanneer de Hertog van Parma uit de Nederlanden zou worden getrokken, waardoor hun niet alleen groote sommen gelds zouden worden gespaard, maar ook de gelegenheid geopend om hunne grenzen uit te breiden ^). Hij eindigde zijne uitvoerige rede met het ter leen vragen van 100,000 gulden om door den Vicomte de Turenne gebruikt te worden tot het werven van troepen in Duitsch- land, welke troepen, zoo als Buzanval verzekerde, ook, wanneer zich de gelegenheid mogt voordoen om er den vijand hier te lande een gewigtig nadeel mede toe te brengen, ter beschikking van de Republiek zouden worden gesteld ^). De Fransche Koning liet het daarbij aan geene beloften van wederkeerige hulp in toekomende dagen ontbreken ^).

De aanvrage om geldelijke ondersteuning werd kort daarna ge- volgd door een verzoek van Hendrik IV om bijgestaan te worden

1) Kede van de Buzanval, gehouden in de vergadering van de Staten Generaal van den 26sten Januarij 1591. (In de verzameling der ingekomen brieven van dat jaar, op het Eijks archief. M. S.)

2) «'Que 8i quelque belle occasion se presente pour Ie bien et Tavantage de vos affaires, il ne faut point doubter que Monsieur Ie Yiconte de Turenne ne soit bien aise d'y apporter Tauctorité qu'il aura en lad. armee, pour faire un bon service a eest Estat, auquel il a tousjours eu une singuliere inclination.

Et croiez, Messieurs, que ce vous sera une tres grande commodité,

d''avoir comme en vostre disposition un armee qui aura cousté quatre ou cincq cents müle escus a lever et faire marcher. /^ (ld.)

3) 9 De Vicomte de Turenne verklaarde namens den Koning in eene aanspraak , gehouden in de vergadering der Staten Generaal van den 5den Januarij 1591, ^dat zoe wanneer Zijne Ma' den Staet van Vranckrijk zal hebben gebrocht in goeden staet dat dezelve Zijne Ma' alles voer deze landen zal doen ende helpen procnreren wes hem eenichssints mogelij ck zal zijn. n

Digiti

zedby Google

met ses van de beste oorlogschepen , ten einde daarmede de kusten van Bretagne te beschermen *)•

Zoowel aan het een als aan het ander werd door de Staten vol- daan, en te gelijk met de toebereidselen , welke gemaakt werden om in den zomer van 1591 een krachtige poging te doen ter verdrijving van den vijand uit haar eigen gebied, rustte de kleine republiek oorlogschepen uit en zonderde eene aanzienlijke somme gelds van hare penningen af om een vreemden vorst bij de verove- ring van zijn rijk te ondersteunen.

Opmerkelijk is het, te zien hoe hare verhouding tot de naburige mogendheden in de laatste jaren was gewijzigd geworden. Hoe kort nog slechts was het geleden, dat zij, zonder vertrouwen op eigen kracht, angstig rondziende naar vreemde hulp bij den immer stijgenden nood, geene redding meende te kunnen vinden, dan door haar onafhankelijk volksbestaan in de waagschaal te stellen en de heerschappij over het nog niet geheel vrijgevochten land in ruil aan te bieden voor tijdigen bijstand. Hoe pijnlijk het viel, dat oflFer te brengen, bewijst de worsteling, die er volgde toen reeds de zoo noode toegestane inmenging van den Engelschen Landvoogd in het binnenlandsch bestuur, den fleren Staten zoo zwaar te dragen viel zoodra het bewustzijn van eigen kracht meer en meer begon te ontwaken. Maar het dreigende gevaar scheen toen door geen ander redmiddel te kunnen worden afgewend. Thans evenwel zien wij de vereenigde gewesten hunne plaats in Europa innemen als een zelf- standige Staat , die in de overige mogendheden wel bondgenooten maar geen beschermers meer ziet. Wel moest de ligtgeraakte politiek der Engelsche Koningin nog worden ontzien, en had de aanzienlijke hulp , die zij de republiek bleef verleenen , ten gevolge , dat zij invloed bleef uitoefenen op de plannen , die beraamd werden ;

1) Zie den brief van Hendrik IV aan de Staten Generaal van den 4den Januarij 1691 ; den brief van de Taffin van den 15den Februarij 1591; beide in de verzame- ling van ingekomen brieven op het Rijks Archief. Verder een ongedateerden brief van de Taffin in het ^r Register der brieven ingekomen uitdiverscheplaatsen«' , 1591, bl. 146 en volgg. Rijks Archief. M. S.

Digiti

zedby Google

XI

maar meer dan eens zien wij de Staten zich ernstig kanten tegen haren wil, wanneer zij oordeelen dat het welzijn van het land zoodanig verzet vordert.

Toen in het begin van 1591 besloten was tot het doen van eene krachtige poging om den Spanjaard van het Nederlandsch grondge- bied te verdrijven^ en men reeds was begonnen o vertegaan tot het maken van de noodige toebereidselen voor den aanstaanden veldtogt, ontvingen de Generale Staten den Isten Februarij onverwachts een brief van hunne gedeputeerden in Engeland, waarin hun gemeld werd , dat eerlang de Generaal Norris naar 's Gravenhage zou komen om namens Hare Majesteit een deel van het Engelsche hulpkorps hier te lande op te vorderen om met de troepen van den Vicomte de Turenne naar Bretagne te worden gezonden ter ondersteuning van Hendrik IV ^). Dat berigt klonk hun als* een donderslag in de ooren. Zij schreven onverwijld aan hunne gezanten, dat die tijding hen ten hoogste verontrustte; dat door het vertrek van de Engelsche hulptroepen al de plannen zouden vernietigd worden, die men bij het openen van den veldtogt meende uit te voeren, en droegen hun dus den last op, //dat zij met alle middelen ende wegen daertoe zullen sien te trachten dat des voersz. Norreys over- compste alhier wordde gebroken, gebruyckende daerinne alle mogelijcke dexteriteyt, die zij zullen weeten te advizeren, opdat daerdoere die voersz. inconvenienten goets tijts mogen voergecommen wordden// *).

Die brief kwam evenwel te laat.

Vijf dagen daarna (6 Februarij) verscheen Norris reeds in de vergadering van Hunne Hoogmogenden , en deelde mondeling en schriftelijk het verlangen van de Koningin mede, dat onmiddellijk 3000 man Engelsche hulptroepen naar Bretagne zouden worden ge- zonden om voor den tijd van drie maanden in dienst van Hendrik IV te worden gebruikt ^).

1) Resoluüen der St. Gen., 1 Feb. 1591.

2) ld.

3) Points et articles que Ie Sieor General Nourys a proposé de la part de Sa Ma" d'Angleterre Ie 6 jour de febvrier 1591. (Res. der St. Gen. Zitting van dien dag.)

Digiti

zedby Google

xn

Den volgenden morgen werd eene breedvoerige beraadslaging over deze netelige zaak gehouden, en eindelijk //goetgevonden om ver- scheyden wichtige consideratien , datmen denselven (Norris) zal sien te geven contentement met een eerlijck wellevent refas.//

In overleg met den Raad van State werd hierop besloten, uit de verschillende aangevoerde redenen een antwoord aan Elisabeth te ontwerpen, maar eerst nog, als eene laatste poging, door eene commissie van vijf leden eene conferentie te doen houden met den Generaal Norris '). Deze commissie bragt den volgenden morgen een verslag van haar onderhoud uit, waarvan de inhoud wel te voorzien was geweest, waarop //int langhe gediscoureert ende gecommuniceert is opte antwoorde haere Ma' te geven opte propo- sitie bijden voersz. Generael Nourreys gedaeu ende geresolveert te persisteren bijde voergaende genomen resolutie, te weeten, dat men haere Ma' zal bejegenen met eene antwoorde negatyffv ^).

Twee dagen daarna werd de brief gearresteerd , en den volgenden dag aan Norris , die in de vergadering verscheen , voorgelezen , waarop hij een geschrift overhandigde, uit welks toon en strekking niet on- duidelijk blijkt, welke houding de trotsche Koningin meende te kunnen aannemen tegenover hare vroegere beschermelingen, zelfs wanneer het eene handeling betrof lijnregt in strijd met de bepalingen van het onderling gesloten traktaat. *

//Sa Majesté,// zegt Norris, //m'a commandé de vous donner a cognoistre tout plattement , que vous ne debvez ny pouvez en raison refuser quelle aye ses subjets a son commandement et pour ce m'a expressement enjoinct vous dire quelle ma donné charge ensemble a tous Gouverneurs , Capitaines et Commandeurs de sa nation pardecha selon son bon plaisir quelle leur a faict aussy entendre de mener les trois mille soldats jusques aux lieux propres pour incontinent embarquer // ^).

Te gelijkertijd zond hij eene kennisgeving aan den Raad van State ,

1) Res. der St. Gen. 8 Februarij 1591.

2) ld. 9 Februarij 1591.

3) ld. 13 Febr. 1591.

Digiti

zedby Google

xm

dat hij naar de onderscheidene plaatsen, waar Engelschen in gar- nizoen waren, de noodige orders had afgezonden om de troepen terstond te doen marcheren. Hiertegen werd in eene gezamenlijke zitting van de Staten Generaal en den Raad van State geprotesteerd, en dit protest medegedeeld aan de verschillende engelsche autori- teiten en hooge bevelhebbers hier te lande , // met expresse verklaring dat de Staten verstaan , dat aan den Generaal van het secours , de Gouverneurs van de steden en kapiteinen over het voorsz. volk commanderende, bevel zal worden gezonden, dat zij op den eed, waarmede zij de Vereenigde Nederlanden verpligt zijn, uit haar gar- nizoen niet zullen vertrekken of gedoogen dat hunne soldaten ver- trekken zonder expres bevel van de Staten of van den Raad van State, na dato te depescheren. // Aan verscheidene andere Vesting- Kommandanten , als die van Breda, Bergen op Zoom, Arnhem, enz., werd uit voorzorg ook geschreven, evenwel zonder van de gerezen kwestie tusschen de Staten en Engeland melding te maken. Hun wertl alleen te kennen gegeven //dat alzoo daar zekere ex- ploicten voorhanden zijn, dat men goedgevonden heeft, hen daarvan te adverteren, met begeeren, henlieden niettemin zulks expresselijk ordonnerende, dat ze niet gedogen, dat eenig krijgsvolk uit dezelve steden wierde geligt tenzij dan hun blijke van de ordonnantie van dezen Raade, // en indien hun dienaangaande eenig bevel mogt worden gegeven, dat zij daarvan copij aan den Raad moesten overzenden, en niettemin geen volk mogten laten vertrekken zonder expres bevel daarop van den Raad te ontvangen '). Tezelfder tijde werd de monster-commissaris Claes de Wael gecommitteerd om zich onver- wijld naar Arnhem te begeven, en onder voorwendsel van het gar- nizoen daar ter stede te monsteren, in het geheim correspondentie te houden binnen Doesburg om naauwkeurig te weten te komen, in hoeverre de Engelsche troepen , welke de bezetting van die vesting uitmaakten, gevolg zouden geven aan het bevel tot vertrek, hun van wege den Generaal Norris gegeven '). Eveneens werd aan den

1) Resoltttiën van den Eaad van State, 16 Feb. 1591.

2) Besol. St. Gen. 18 Eebr. 1591.

Digiti

zedby Google

XIV

Kanselier en de Baden van Gelderland geschreven, dat zij de Engel- sche troepen in hunne provincie, welke in weerwil der aan hen ge- rigte aanschrijving hunne garnizoenen mogten willen verlaten, met geene vivres of schepen zouden bijstaan ^).

Intusschen bleef Norris bij den hem gegeven last, en zond aan verscheiden Engelsche kompagniên , als te Bergen op Zoom , te Breda enz., order naar Zeeland te trekken^); maar daar de bevelhebbers dier vestingen daarvan tijdig mededeeUng deden aan den Raad van State , werd bepaaldelijk gelast , geene Engelscben te doen vertrekken voor dat men antwoord van de Koningin zou hebben ontvangen. Toen de Commies van de Tresorie van Hare Majesteit de betaUng der hulptroepen schorste, drong de Raad van State bij hem aan, dat hij in afwachting van dat antwoord de soldij zou blijven uit- betalen, en lieten inmiddels aan de Engelsche troepen vivres uit 'slands magazijnen uitdeden.

Door al deze maatregelen wist men de zaken voorloopig gaande te houden, tot dat eindelijk het antwoord van Koningin Elisabeth ontvangen en den 18den Maart in de vergadering van H. H. Mogenden door den Generaal Norris medegedeeld werd. Hierbij verklaarde de Koningin, dat zij van gedachte veranderd was bij het vernemen van de bezwaren door de Staten Generaal geopperd, en van het algemeene misnoegen dat haar besluit in de Republiek ver- wekt had ^). Zij wilde daarom alleen een klein getal oude soldaten uit de Nederlanden naar Bretagne zenden, maar die te gelijkertijd door een zelfde aantal nieuwe troepen doen vervangen » pour assopir Ie dit mescontentement et jalousie du peuple. //

Hierdoor volkomen tevreden gesteld, verklaarden de Staten, dat

1) Eesol. van den Saad van State, 18 Febr. 1591.

2) Id„ 22 en 23 Febr. 1591.

3) 4r£t estant Sa Ma'^ infonnée que ceste sienne résolution pourroit estre préju- diciable aux desseings et préparations desdits Ëstats (desja fort advancez pour faire la guerre aux Espagnols) et au grand mescontentement du peuple, Ie bon plaisir de Sa Ma^^ porte expressement de ohanger ceste opinion. # (Bes. der St. Gen., 18 Maart 1591.)

Digiti

zedby Google

XV

zij de twintig vendelen Engelschen , welke zij daartoe reeds bestemd hadden , te velde zouden gebruiken , en er in toestemden , dat uit de overige hulptroepen en uit de bezetting der pandsteden tien vendelen naar Frankrijk werden gezonden , // zoo wanneer , u voegden zij er evenwel bij , w als binnen deze landen daarentegen andere tien nieuwe compagnien Engelschen^ wel toegerust en gewapend, zullen wezen gearriveerd «^ ').

Men ziet uit dit enkele voorbeeld , dat de Staten , hoezeer bij het uitvoeren hunner ondernemingen natuurlijk in zekere mate afhankelijk van de Engelsche hulp, zich evenwel niet lijdelijk aan de willekeur van Elisabeth onderwierpen, en dat, ook al mogt aan hun verzet den vorm gegeven worden van eene poging om haar // te geven contentement met een eerlijck welleevent refus « zij toch standvastig bleven, en met ernst en klem hun goed regt wisten te handhaven. De naauwe verbinding tusschen hen en den Koning van Frankrijk was trouwens ook eene van de redenen , die de scherpziende Koningin tot het onderhouden der vriendschappelijke betrekkingen met de Republiek mag bewogen hebben.

Deze zag zich alzoo in het bezit van twee bondgenooten , die haar beide, hoezeer dan ook op verschillende wijze, nuttig waren. De eene, Engeland, versterkte hare krijgsmagt door een aanzienlijk hulpkorps; de andere, Frankrijk, kostte haar wel is waar opoffe- ringen in geld, in strijdkrachten te water en eerlang ook in land- troepen, maar verzwakte daarentegen den vijand in veel grootere mate door hem te dwingen zijne beste troepen tot ondersteuning der Ligue over de grenzen te zenden.

Door dit alles was de verhouding tusschen de strijdkrachten, die elkander in het jaar 1591 op het oorlogstooneel in de Nederlanden t^enover zouden staan, aanzienlijk gewijzigd. De schaal, die zoo vele jaren naar de zijde van Spanje had overgeheld, was eindelijk in evenwigt gekomen, en toen Maurits van Oranje er het volle ge- wigt van zijn krijgsmansgenie in wierp, sloeg zij bepaaldelijk naar de Staatsche zijde over.

1) Bes. der St. Gen. 19 Maart 1591.— Zie den brief aan Elisabetli^id. 24 Maart 1591.

Digiti

zedby Google

XVI

Zoo ooit, dan was nu het oogenblik gekomen om het systema van defensieve oorlogvoering te laten varen, dat men zoo lang, eigenlijk reeds te lang, had gevolgd. Gelukkig kwamen de Staten in het laatst van het jaar 1590 tot het juiste inzigt, dat voortaan in den offensieven krijg hun behoud en de mogelijkheid tot het winnen eener duurzame onafhankelijkheid gelegen was. Aan Graaf Willem Lodewijk van Nassau komt de eer toe, hen tot dat juiste inzigt te hebben gebragt. Reeds in het jaar 1589, zoodra Philips zich met meer kracht in de aangelegenheden van Frankrijk begon te mengen , had zijn scherpe blik het opgemerkt , hoe gunstig die om- standigheid was om de krijgskans ten voordeele van de Nederlanden te doen keeren , en had hij er met klem op aangedrongen , dat men terstond tot het offensieve zou overgaan. Hij reisde opzettelijk naar 'sGravenhage om de Staten daartoe te bewegen. Met kracht van redenen betoogde hij , hoe de ondergang van de Armada, de schatten, die de Koning van Spanje aan den oorlog in Frankrijk verspilde, de oneenigheid tusschen de Spaansche raden en Parma, de muiterij van het vijandelijke krijgsvolk, de verwarring en het verval hunner tucht, het zekere vooruitzigt openden op een grooten ommekeer in den toestand des vijands'). Hij toonde aan, dat men, goede orde op alles stellende, gemakkelijk tienduizend voetknechten en vijftien- honderd paarden te velde kon brengen, die, wanneer zij goed werden aangevoerd, en wanneer behoorlijk partij werd getrokken van de groote kracht, die in de communicatie langs de rivieren en waterwegen gelegen was, voldoende zouden wezen om zonder dat men een veldslag behoefde te wagen , alle riviersteden , als Deventer, Zutphen, Nijmegen, Grave, Venlo, Roermond, Groningen, achter- eenvolgens aan den vijand te ontweldigen, //weicke Riviersteden erovert zijnde , mosten alle die cleyne Landt-steden daeromtrent , als missende haer wortel ende voetsel van selfs vergaen. // Doordrongen van het ware strategische beginsel, dat versnippering van strijd- krachten op den duur tot verderf moet leiden, wees hij op het

1) Van Keyd, Oorspronck ende voortganck van de Nederlantsche Oorloghen, VIII, bl. 284, editie.

Digiti

zedby Google

XVIl

groote voordeel, dat men ook voor de verdediging winnen zou door de verovering dier sterkten, die nu, op welk gedeelte van het oor- logstooneel de krijg ook gevoerd werd, altijd met gevaren in den rug dreigden, en tot nadeelige detacheringen van troepen dwongen.

Na die verovering daarentegen kon het land //met veel minder moeyte ende sorghe verdedight ende beschermt worden , dewijl men aen eener syde alleen met t'samen gevoechder macht dat hooft bieden , ende sich van achteren niet soude te vreesen hebben. //

In weerwil van al de bondige redenen, die hij aanvoerde, had hij de Staten echter toen nog niet kunnen overtuigen. De meening dat men geen offensieven oorlog kon voeren, de herinnering dat men daarin vroeger altijd ongelukkig was geweest, was te diep in- geworteld om op eens te worden uitgeroeid.

Waarom zou de Republiek de dagen van rust, die de vijand haar gunde, niet tot haar voordeel gebruiken door hare zaken te regelen en de noodige sterkten te bouwen, die voor de verdere ver- dediging vereischt werden?

Waarom zou zij door het opzoeken van den vijand, die haar met rust liet, den slapenden hond wekken, en zich den krijg, die nu tijdelijk van haar was afgeweerd, weder op den hals halen? Deze en dergelijke redeneringen golden meer dan de juiste inzigten van Willem Lodewijk, die evenwel niet ophield alle middelen aan te wenden om zijne vaste overtuiging ingang te doen vinden, en wiens gevoelen door Maurits, die intusschen meer en meer op den voor- grond begon te treden, in alle opzigten gedeeld werd. Het wel- slagen der kleine, op zich zelf staande aanvallende operatiën zoowel in Brabant als in Groningen, in het jaar 1590 uitgevoerd, bragt eindehjk het zijne bij om de oogen geheel te openen, en het voor- nemen tot den later met zoo schitterenden uitslag bekroonden offen- sieven oorlog werd door de Staten in het laatst van 1590 opgevat.

Hoedanig was het strategische plan tot den veldtogt van 1591 , en welke omstandigheden hebben op het vaststellen daarvan invloed uitgeoefend ?

Bij de beantwoording dier vragen is het in de eerste plaats

II.

Digiti

zedby Google

XVIII

noodig, een blik te slaan op het oorlogstooneel en na te gaan, welke gedeelten daarvan door de wederzijdsche partijen bezet waren.

De provinciën Holland , Zeeland , Utrecht en Friesland waren geheel in de magt der Staten, met uitzondering alleen van de vesting Geertruidenberg , die toenmaals tot Holland behoorde.

De Spanjaarden waren meester van Groningen en de Ommelanden , behalve eenige versterkte plaatsen als Soltkarap, de schans te Reide enz., die in het vorige jaar door Willem Lodewijk veroverd waren. De vestingen Groningen en Delfzijl waren hier de gewigtigste punten.

Drenthe was eveneens geheel in 'svijands handen en werd op contributie gesteld door het garnizoen van Coeverden. In Overijssel waren de Spanjaarden meester van het oostelijk gedeelte en van de gewigtige vesting Steenwijk , die Prieslands Zuider-frontier voort- durend bedreigde; Zwol en Kampen met de omliggende landstreek waren in het bezit der Staten. Van daar af maakte de IJssel on- geveer de grensscheiding uit tusschen de door de verschillende partijen bezette streken; Hattem, Elburg en de zuidelijker gelegen Veluwe waren Staatsch; de vestingen Deventer en Zutphen en het oostelijk gelegen land met Oldenzeel, Grol, Breevoort enz., Spaansch. Does- burg, Deutinchem, 'sHeerenberg en de schans bij 's Graven weert (later de Schenkenschans genoemd) waren de verst vooruitgelegen punten door de Nederlanders aan hunne oostelijke grens bezet. Op het zuidelijk frontier was de vijand meester van Nijmegen, waar- tegenover Maurits in 1590 de schans Knodsenburg op den regter Waaloever gebouwd had, en in Brabant van de vestingen Grave en 's Hertogenbosch , en van het geheel meer zuidelijk gelegen land. In het westelijke gedeelte dier provincie waren Breda, Bergen op Zoom, Willemstad, Steenbergen, Zevenbergen, de schansen bij Ter Heide en Roosendaal enz., in Staatsche handen.

Uit dit overzigt blijkt, dat men in drie verschillende rigtingen aanvallend kon te werk gaan: zuidwaarts ter verovering van Geer- truidenberg, 's Hertogenbosch en Grave, om later naar Venlo en Maastricht door te dringen ; oostwaarts , waar de inname van Zutphen en Deventer den IJssel vrij zou maken, en het bezit van Breevoort, Grol, Oldenzaal enz., Gelderland en Overijssel van den

Digiti

zedby Google

XIX

vijand zou bevrijden en hem tevens de communicatie met zijne strijdkrachten in het noorden bezwaarlijker maken; en eindelijk noordwaarts, waar door de vermeestering van Groningen en Delfzijl niet alleen Friesland van een voortdurend dreigend gevaar zou worden verlost, maar tevens eene nieuwe en rijke provincie aan de Unie zou worden toegevoegd.

Van deze drie operatiën was zeker de eerste de minst verkieslijke. Wat er voor pleitte , was dat de verovering van 's Hertogenbosch en Geertruidenberg de geheele provincie Brabant zou vrijwaren voor de strooptogten van den vijand, die thans uit die sterk bevestigde plaatsen het platte land op contributie stelde en het op den duur te gronde dreigde te rigten , en dat laatstgenoemde vesting in de handen der Spanjaarden velen een voortdurend dreigend gevaar toescheen voor de provincie Holland , waarvan zij Geertruidenberg de sleutel noem- den '). Dit laatste kan men evenwel slechts zeer voorwaardelijk aannemen; zoo lang de Hollanders meester op het water bleven, was het gevaar van die zijde niet zeer dreigend. Willem Lodewijk van Nassau hechtte dan ook uit het oogpunt van de verdediging niet zooveel gewigt aan het bezit van Geertruidenberg, zoo als blijkt uit den brief, dien hij den 23sten April 1589 aan zijnen vader schreef, en waarin hij hem het verlies der stad berigtte. «^Esz hatt der feindt , // zegt hij , // viel damit gewunnen , dieweil er schier gantz Brabant hiemit befreyt und sich kheines überfals und streuflFens des orts zu besorgen, und ist zwar diser vortheil des feindts gröszer als der schade den die lande darbei leiden, sintemal mit ettlicher orlogsschifiFen wol zu wehren ist das der feindt ausz Gertrudenberg khein auszfalle in HoUandt thun khan// ').

Veeleer kon men Geertruidenberg, wanneer het in handen der Staatschen was, een uitmuntend bruggenhoofd aan de overzijde van

1) Zelfs Parma had het zoo beschouwd, of althans zoo doen voorkomen in den brief, dien hij aan den Koning schreef, nadat de mtntende bezetting hem de stad overgeleverd had. >^ Enfin,* zegt Strada, ffïï escrivit au Koi la nouvelle de cette victoire, et lay manda que les portes de la Hollande estoient ouvertes.^

2) Groen van Prinsterer, Archives, 2de Serie, I, pag. 96.

Digiti

zedby Google

XX

het Hollands Diep noemen, en dan kon het als de sleutel van Brabant worden aangemerkt. Bij een aanvallenden oorlog naar die zijde zou dan ook de vermeestering van dit gewigtige punt eene der eerste operatiën moeten zijn. Er waren evenwel overwegende redenen om voor het oogenblik nog niet daartoe over te gaan.

Vooreerst werd de Republiek in het oosten en noorden veel meer bedreigd dan in het zuiden. Reeds in April 1585 had de stoute strooptogt van den Spaanschen overste de Tassis in de Veluwe en Gooiland doen zien hoe gevaarlijk de nabuurschap van de vijandelijke garnizoenen in de IJsselvestingen voor Utrecht en Holland worden kon. Met een aanzienlijken buit en vele gevangenen was hij, na verscheidene dorpen te hebben geplunderd , in Zutphen teruggekeerd , en toen hij , twee maanden later op nieuw te velde verschenen , den Staatschen een nederlaag bij Amerongen had toegebragt, was ieder oogenblik een aanval op Holland te duchten, die wanneer de Spaansche strijdmagt sterker geweest ware, in weerwil van de uitmuntende verdedigingsmaatregelen van Maarten Schenk , veel kans van slagen zou hebben gehad.

Ook nu nog stroopte de vijand tot in de voorsteden van Utrecht, brandschatte de dorpen van het Sticht ^) en hield de kleine grens- steden in voortdurende onrust.

Eveneens was de toestand van Friesland altijd zorgwekkend, en wanneer het den vijand eenmaal ernst werd, en hij, in plaats van zijne krachten elders te verspillen, ze in het noorden bijeentrok,

1) //Wij konnen U.E. nyet verhalden hoe dat den vyant vnyt DevcDter ende Zutphen in groot getell seer dyckwyls in Venendael syn benachtende, ende by eenige inwoonders vant selve aldair gelogeert ende opgehouden worden, waeromme sy aen verscheyden partyen dagelicx syn leggende in onse jurisdictie, soo Achter- berch, inde Grebbe, ende omtrent onser stede, ende onse ondersaten ende passanten , die sy becommen connen , vangen , mitsgaders onse ondersaten de peerden vuyte ploegen ende meswagens nemen, alsoo dat derhalven die meeste landen in onse vryheyt desert ende ongebout moeten blyven leggen. ^ (Brief van den Schout, Burgemeesters en Schepenen der stad Ebenen aan de Staten van Utrecht, van den Isten November 1588. Provinciaal Arch. van Utrecht.) Zie ook Bor, XXVII, bl. 497.

Digiti

zedby Google

XXI

dan liep dat gewest, hoezeer overigens sterk door het water, bij vriezend weder of in zeer drooge zomers groot gevaar.

Gelukkig dat Parma, gedwongen tot het maken van toebereidselen voor zijnen togt naar Frankrijk, niet in staat was Verdugo behoor- lijk te ondersteunen.

Behalve de noodzakelijkheid om de meest bedreigde grenzen het eerst te beveiligen, wierp de omstandigheid, dat Parma veel spoe- diger het zuidelijk frontier ter hulpe kon snellen, een groot gewigt in de schaal. Geertruidenberg en 's Hertogenbosch zouden niet te ver- meesteren zijn dan na eene langdurige belegering, die den vijand ge- noeg tijd zou laten , om met overmagt tot ontzet te komen opdagen. De IJssel vestingen zou men daarentegen hoogst waarschijnlijk in evenveel dagen kunnen bemagtigen als tot het beleg der Brabantsche steden weken zouden gevorderd worden, terwijl de groote afstand, waarop Groningen en Delfzijl van des vijands hoofdmagt verwijderd waren, de mogelijkheid kon doen veronderstellen, zich van die plaatsen meester te maken voor dat de noodige troepen tot ontzet konden aangekomen zijn. Dit was dan ook een van de redenen, die Willem Lodewijk aanvoerde toen hij den raad gaf om met het beleg van Groningen te beginnen ^).

Het waren voornamelijk de Staten van Friesland, die herhaaldelijk en zelfs met bedreiging van hunne troepen tot geene andere onder- neming te zullen doen medewerken, op de verplaatsing van het oorlogstooneel naar het noorden aandrongen. Reeds den 2den Mei 1590 schreef Maurits aan de Staten Generaal, dat het besluit genomen was, in Gelderland ofiFensief te werk te gaan, //waartoe de welgeboren onze beminde neef en broeder Willem Lodewijk van Nassau, Gouverneur in Vriesland en Ommelanden, terugstellende het particulier gevaar zijns gouvernements ende de groote swarig- heeden, dewelke bij de Staten aldaar van wegen des vijands onlanks

1) 'Radende van Groeningen te beginnen, gbemerckt dat aldaer bet meeste

profijt ware , den lichsten arbeydt , ende de meeste seeckerheydt om dat

dese stadt t' alderwytste vanden vyandt gbelegen, ende zijn ontset nergens min te vreesen is. ir _ Van Reyd, VIII, bl. 286.

Digiti

zedby Google

XXII

gedanen ende apparenten nieuwen inval gemouveert werden , belooft ende toe^ezeyt heeft ons met een goet getal crijgskneghten van Sijn L. Regiment voor Deventer ende Zutphen bij te staan, mits dat wij, de voorn, werken met de hulpe Gods gelukkelijk volbragt zijnde, met het geheele leger, geschut ende andere noodige zaken zijn L. ende de Staten van Vriesland wederom binnen hare Provin- ciën te hulpe komen zouden, zoo mogen wij ÜEd. niet verbergen dat den welgemelden onzen neve ende broeder, al nogh dezelve Resolutie naar te komen willigh zijnde, van ons naerder verzeeke- ringh, nopende de réciproque hulpe begeert heeft, zonder dewelcke Sijn L. zegt, de Staten van Vrieslant geenzints te zullen kunnen persuadeeren om krijgsvolk uit hare provincie te laten volgen, waarop wij Sijn L. onder onze handt ende zegel een acte toegestelt hebben, omme de voorn. Staten van Vrieslant te mogen verthoonen, ende dgiaruiede hunluyden contentement te geven u ^).

Friesland bleef herhaaldelijk op ditzelfde punt aandringen. Toen Zutphen den 30 Mei 1591 veroverd was, en men in den krijgsraad tot het beleg van Deventer besloot, moest zijne Excellentie en de gecommitteerden van de Staten Generaal niet alleen mondeling maar ook schriftelijk de belofte afleggen , 1/ dat Deventer verovert en ingenomen zijnde, sijn Excellentie het leger soude brengen voor Groeningen en in de Ommelanden , sonder welke beloften die van Vriesland het volk onder haer repartitie staende , van de belegeringe wilde laten vertrecken// ^).

Zelfs bewilligden de Staten van Friesland in September van datzelfde jaar in de extraordinaire quote van /2ÜÜ,ÜÜÜ alleen op voorwaarde, dat //de victoriën voortgezet zouden worden aan de oostzijde van den Rijn // ^).

1) Register van brieven, ingekomen uit diversclie plaatsen in het jaar 1590, U. 148 verso, Rijks Archief M. S.

2) Bor, XXVIII, bl. 563.

3) Merkwaardig is een brief den IGden Augustus 1591 door de Gedeputeerde Staten van Friesland aan de Staten Generaal geschreven , waarin zij de beschuldiging afwerpen, dat zij alleen het belang hunner provincie op het oog hebben, en aan- toonen van hoe veel gewigt, de verovering van Steenwijk en Coevorden voor de

Digiti

zedby Google

XXIII

Er waren dus genoeg redenen , zoo van staatkundigen als van militairen aard, om Groningen tot het hoofdobject van den aan- staanden offensieven veldtogt te maken, en uit den loop der krijgsverrigtiugen blijkt ook, dat men het werkelijk als zoodanig beschouwde.

De vesting is in den zomer van 1591 op het punt geweest van belegerd te worden, en wanneer niet het onverwachte oprukken van Parma naar de zijde van de Betuwe Maurits had doen besluiten zijn leger in allerijl uit het noorden des lands terug te voeren, dan ware ongetwijfeld Groningen toen reeds aan de Unie toegevoegd, hetgeen nu eerst drie jaren later plaats had.

De reden, waarom men evenwel niet, zoo als velen en vooral de Staten van Friesland verlangden, en zoo als Graaf Willem Lodewijk had voorgesteld, terstond met den aanval op Groningen begon, maar den veldtogt met de belegering der IJsselsteden opende, laat zich met vrij groote waarschijnlijkheid uit de omstan- digheden opmaken.

In de eerste plaats zou men, door Zutphen en Deventer in handen van den vijand te laten, twee gewigtige punten in den rug van het noordwaarts rukkende leger laten liggen, die hetzij aan Verdugo, 'hetzij aan Parma gelegenheid zouden geven, gebruik te maken van de afwezigheid van Maurits om in korten tijd met alle strijdkrachten, waarover zij te beschikken hadden, over den IJssel te deboucheren en de Republiek aan hare meest kwetsbare zijde te bedreigen. De verovering dier vestingen daarentegen gaf eene groote kracht aan het oostelijk frontier, bragt den IJssel, eene hoogstgewigtige verdedigingslinie, in handen van de Staat'schen, en breidde hun gebied uit tot aan Breevoort, Grol en Oldenzaal, die nog in het bezit waren van Parma, maar nagenoeg op de

geheele Unie wezen zou. (Register van brieven, ingekomen uit div, plaatsen 1591 , bl. 406 en volgg.)

Zie ook de Brieven van de Ged. Staten van Friesland van den 23sten Aug. en 9den September 1591, en de Resol, van de St. Gen. van den Uden en 17den Sept. 1591.

Digiti

zedby Google

XXIV

grenzen van Duitschland lagen. Bovendien was de verovering van Zutphen en Deventer in verschillende opzigten eene zeer gewenschte voorbereiding tot het beleg van Groningen. Daardoor toch zou in de eerste plaats de vaart op den IJssel vrij worden, en een nieuwe waterweg worden verkregen voor den toevoer van geschut, munitie en andere legerbehoeften uit de magazijnen te Delft en te Dordrecht. Dat dit voordeel vooral in die dagen niet gering was te achten, valt in het oog wanneer men bedenkt, dat alleen voor de bespan- ning van 15 stukken geschut (4 heele en 8 halve kartouwen en 3 veldstukken) met de daarbij behoorende voertuigen niet minder dan 490 paarden noodig waren ^), en dat het transport van een belegeringstrein, welke vereischt werd om 50 a 60 stukken in batterij te brengen, tot zware kosten leidde, die aanzienlijk verminderd werden, wanneer dat transport geheel te water geschie- den kon.

In de tweede plaats was er met het oog op de technische oefening, zoowel van de officieren als van de manschappen, een groot voordeel in gelegen, dat men een aanvang maakte met het belegeren van eenige kleinere vestingen. Den schansarbeid door de soldaten te doen uitvoeren, was eene nieuwe, bij alle legers van Europa ongekende maatregel, tot welks invoering al de energie van Maurits en van Willem Lodevvijk gevorderd werd. Het voor- oordeel, dat het voor den krijgsman vernederend was, het werk te verrigten, dat overal elders door gepreste boeren en gehuurde schansdelvers werd uitgevoerd, moest nog worden uitgeroeid, en teregt had de Friesche Stadhouder, toen hij op het voeren van den offensieven oorlog aandrong, gezegd: //voor al mosten die soldaten met liberale betalinghe totten arbeydt willich ghemaeckt , ende uytten ingewortelden irdom gebracht werden, van sich te schamen des schansens ende gravens. Welk punct gewonnen zijnde, souden desa landen in haren krijgh altoos vast en seker gaen. // Die overtuiging was toen, zelfs bij de hoogere krijgsbevelhebbers, op verre na niet algemeen, en de uitmuntende resultaten in de eerste

1) Slevïn, Castrametatio , bl. 21.

Digiti

zedby Google

XXV

belegeringen verkregen, waren noodzakelijk om de soldaten later bij de zoo moeijelijke belegering van Steenwijk ongevoelig te maken voor de schampere woorden van den vijand, die hun herhaaldelijk honend van de wallen toeriep // dat sij sich selfs van krijghsluyden tot boeren maeckten, ende in plaetse van spiessen de schappen ghebruyckten // ^).

Eindelijk was er nog eene omstandigheid , welke , naar het ons voorkomt, grooten invloed had op het besluit om den oorlog in Gelderland te voeren.

Door den dood van Graaf Adolf van Nieuwenaar en Meurs in 1589, waren de gouvernementen van Overijssel, Utrecht en Gel- derland, waar hij Stadhouder was, opengevallen. De Staten van Holland ijverden zeer voor de verkiezing van Mauriis voor die betrekking , en het was vooral Oldenbarnevelt , die door voortdurende onderhandelingen, de zwarigheden zocht te overwinnen, die door de Staten dier gewesten tegen de benoeming van den Prins gemaakt werden. En nu verklaart Oldenbarnevelt in zijn verhoor op den loden November 1G18, dat door hem aan de gedeputeerden dier provinciën //vertoond was, dat uademaal diertijd de steden Nijme- gen , Zutphen , Deventer en Steenwijk in handen van de Spanjaarden waren en daardoor alle de dorpen van de voorz. drie provinciën en een groot deel van de dorpen van Holland onder haar geweld en contributie hadden, dat zij wilden overleggen, dat, om henl. van dezelve zwarigheid bij 't veroveren van de voorz. steden te verlossen, noodig waren de magt en middelen van Holland en West- Vriesland die daartoe met meerder apparentie gebruikt zouden kunnen worden, indien de voorz. drie gouvernementen aan Z. Exc. werden gecon- fereerd; belovende daartoe te doen alle mogelijke officiën; zoo is bij henl. eindelijk daarin bewilligd onder beloften, die hij op hare instantie bij kennis en believen als boven// (van Zijne Excellentie en van de Staten van Holland en West-Friesland) //deed, van henl. en gedeputeerden van hare steden bij Z. Exc, hoogged. Heeren Staten van Holland en West-Vriesland en andere CoUegien,

1) Van Keyd, IX, bl. 313.

Digiti

zedby Google

XXVI

daarbij hij on vermetelijk diertijd goed crediet had, alle mogelijke addres te doen, gelijk hij henl. toezeide. Daarop// (laat hij er onmiddellijk op volgen) //in den jare 1590 de voorz. gouvernemen- ten successivelijk geconfereerd zijnde aan Z. Prins. Exc., en in den jare 1591 en 1592 gevolgd is de verovering van de steden van Zutphen, Deventer, Nijmegen, Steenwijk en Coe verden. //

Uit deze v^roorden kan gereedelijk worden afgeleid, dat het uitzigt door Oldenbarnevelt uit naam van de Staten van Holland aan die van Gelderland geopend, dat hunne provincie van den drukkenden oorlogslast zou bevrijd worden, niet alleen invloed had op de benoeming van den Prins van Oranje tot Stadhouder, maar dat ook die belofte in rekening was gebragt, toen bij het opmaken van het plan tot den aanstaanden veldtogt, bepaald werd, dat men met de belegering der IJsselsteden zou beginnen.

Na deze beschouwingen over het plan tot den veldtogt, die de schitterende reeks van Maurits krijgsbedrijven zou openen, zal het niet ondienstig zijn, een blik te werpen op de inrigting van het leger, dat hij onder zijne bevelen had, en de zamenstelling van het werktuig te doen kennen, dat in zijne magtige hand tot bevrijding van het vaderland zou gebruikt worden.

HET LEGERBEIIEER IN HET ALGEMEEN.

Na den dood van Willem van Oranje was de regering opgedragen geworden aan zijnen zoon Maurits en den Raad van ^tate bij provisie gecommitteerd.

Het bestuur der oorlogszaken behoorde in de omstandigheden , waarin zich het land toen bevond, natuurlijk tot de voornaamste bemoeijingen van de leden van dat coUegie, en dit gedeelte van hunnen buitendien zeer uitgebreiden werkkring hebben wij hoofd- zakelijk op het oog bij de volgende beschouwingen, die ten doel hebben in breede trekken aan te toonen, tengevolge van welke omstandigheden het gezag over het krijgswezen , dat bij de instructie

Digiti

zedby Google

XXVII

van den ISden Augustus 1584 aan den Raad van State was opge- dragen, langzamerhand verminderd en in andere handen over- gegaan is.

In die instructie ') was onder anderen bepaald, dat aan den Raad van State //het werven en afdanken van het krijgsvolk en het begeven der krijgsambten bleef opgedragen ; dat de Raad het opper- toezigt zou hebben over den krijg te water en de bevoegdheid, collegiën ter admiraliteit op te rigten en zee-oversten te kiezen, en voorts moest zorg dragen, dat de krijgsbevelhebbers en soldaten den eed van getrouwheid aan de vereenigde gewesten aflegden. //

Die Raad van State van 1584 was uit zijnen aard het uitvoerend bewind, het eigenlijk gezegd regerend ligchaam in de Unie, het- welk de Staten Generaal, de vertegenwoordigers des volks, ter beraadslaging bijeenriep, terwijl deze, als tweede staatsmagt, door hun toezigt het tegenwigt vormden.

Maar niet lang bleef de juiste verhouding tusschen die beide staatsmagten bestaan^ want de Raad van State droeg reeds bij zijn optreden de kiem van toekomstige kwijning in den boezem. Voor-i loopig slechts voor drie maanden ingesteld, omdat men te dier tijde nog het voornemen had, de heerschappij over deze gewesten aan Frankrijk op te dragen, en later verscheidene malen verlengd, was eene zoodanige inrigting niet geschikt om het aanzien van het hoogste regeringsligchaam bij het volk te bevorderen.

Beperkt door hunne instructie, belemmerd door geldgebrek, en vaak buiten magte zich te doen gehoorzamen, waren de raadsleden slechts met groote moeite te bewegen, hun ambt te blijven waarnemen.

In 1586 werd ingevolge de overeenkomst met Koningin Elisabeth de regering over de geünieerde provinciën, en daarbij tevens het opperbestuur over de krijgszaken aan Leicester opgedragen. De Raad van State als hoogste regeringsligchaam kwam daardoor natuurlijk te vervallen, doch nevens den Landvoogd werd een

1) Slingelandt, Staatk. Geschr., I, bl. 268—291.

Digiti

zedby Google

XXVIII

nieuw collegie opgerigt, onder denzelfden naam doch met veel beperkter werkkring, en nagenoeg zonder gezag, daar het door Leicester alleen als adviserend ligchaam werd aangemerkt ^).

Hierdoor was Leicester met genoegzaam onbeperkte magt over het krijgsvolk bekleed, en het is genoeg bekend, welke treurige gevolgen de oorlogvoering zoowel van zijne onbekwaamheid als van de meer en meer toenemende oneenigheid tusschen hem en de Al- gemeene Staten ondervond.

Het krijgsvolk werd in weerwil van de bijna ondragelijke oorlogs- lasten, welke den ingezetenen waren opgelegd, slecht betaald; ontevredenheid, muiterij en desertie namen hand over hand toe; belangrijke sterkten gingen verloren; de vijand drong al dieper het land in. Toen eindelijk, tijdens de afwezigheid van Leicester, het verraad van Stanley en York, die de stad Deventer en de groote schans bij Zutphen den Spanjaard in handen speelden, de kroon zette op dien noodlottigen toestand, begrepen de Staten van Hol- land, en door hunnen invloed ook Staten Generaal, met meer juistheid van oordeel dan wettigheid, dat alleen krachtige maat- regelen, waardoor het gezag over het leger geheel aan de Engelsche partij werd onttrokken, hier uitkomst konden geven.

Toen begon die belangrijke overgangsperiode in de geschiedenis van ons vaderland, waarbij langzamerhand het evenwigt tusschen

1) In het verbaal van de Communicatie, gehouden tusschen den Graaf van Leicester, geassisteerd door eenige Engelsche Heeren, en de Afgevaardigden der Staten Generaal op den 17den Januarij 1586, opgenomen op dien datum in het Depêche-boek der St. Gen., leest men onder anderen de volgende zinsnede, waaruit blijkt, dat de Eaad van State voortaan alleen adviseren, en niet, zooals tot nu toe het geval geweest was, ook beslissen zou:

1 Waarop bij Milord North gevraagd zijnde of Z. Exc. (Leicester) de materiën , in deliberatie van den Eaad gelegd, zoude concluderen naar de meerderheid van stemmen of opiniën, dan niet, is geantwoord, dat de voorz. instructie den eersten maal zulks was geconcipieerd, maar dat de Gen. Staten naraaals goedgevonden hadden, dat Z. Exc. gehoord de opiniën en advizen van de Kaden present zijnde, zoude uit alle dezelve resolveren en concluderen zoo Z. Exc. zoude verstaan te dienen en te strekken ten meesten dienste, profijt en welvaren der voorz. landen, «r

Digiti

zedby Google

XXIX

de twee groote Staatsmagten : Hooge Overigheid en Nationale Ver- tegenwoordiging, verbroken werd, en die met de volkomen oplossing van de eene in de andere eindigde, toen na het definitieve vertrek van Leieester en zijnen kort daarop gevolgden dood de Algemeene Staten zich als het hoogste regeringsligchaam aan het hoofd van de Republiek stelden.

De hoogste Overigheid, in vroegere eeuwen onbeperkt door de landsheeren uitgeoefend, langzamerhand ten gevolge van periodieke bijeenkomsten der Staten van haar streng autokratisch karakter vervallen, door den wil der natie onder zekere beperkingen aan Willem van Oranje opgedragen, onder het bestuur van Anjou en Leieester volgens internationale verdragen geregeld, was eindelijk, toen men besloot geen nieuwen Landvoogd meer aan te stellen, geheel verplaatst naar den boezem der Staten Generaal. In de vergaderzaal van Hunne Hoogmogenden zetelden voortaan het souverein gezag en de volksvertegenwoordiging in de beperkte beteekenis, welke men in die dagen aan dat woord hechten mag in één ligchaam te zamengesmolten.

Dat ligchaam nu droeg een gedeelte van zijn werkkring, de uitvoerende magt, voor zoover aanging de algemeene verdediging des lands en het beheer over de daartoe strekkende geldmiddelen , over aan den Raad van State, die, na den afstand van Leieester, bij het plakkaat van den 12den April 1588 werd ingesteld ^), en eene instructie ontving, op den zelfden datum gearresteerd, doch eerst den 22 sten Junij daaraanvolgende in werking gebragt, waarin zijne magt en bevoegdheid omschreven waren.

Het ligt buiten ons bestek, in nadere bijzonderheden te treden aangaande de algemeene beginselen van bestuur, in dit merk- waardige stuk nedergelegd: alleen datgene, wat meer bepaaldelijk op het krijgswezen betrekking heeft, wiUen wij kortelijk bespreken, want het was onder de werking der bepalingen in deze instructie vervat, dat Maurits optrad aan het hoofd van het leger.

1) Groot Placcaetboek, I, bl. 49.

Digiti

zedby Google

XXX

De voornaamste daarvan zijn de volgende ^) :

//Den voorschreven Raidt sal nemen goet regardt, ten eynde de Landen ende Vereenichde Provinciën , Steden ende Leden vandien , metten Gouverneurs ende Crijchso versten derselver gestelt ende ge- houden wordden in goede eendracht. (Art. 5.)

//Ende sal denselven Raidt disponeren inde saicken

vander oorloge ende over het Volck van Oorloge, in dienste vande Landen soo tot laste van hare Ma* als den Lande wesende, doende hare bevelen volbringen deur den voorschreven Gouverneur Generaal van haere Ma'* secours , den Gouverneurs vande Provinciën , den Admirael ende andere Officieren elcx in hun regardt. (Art. 6.)

// Sonder dat syluyden yet sullen mogen doen oft attenteren , dat soude mogen strecken tot prejudicie vande Privilegiën , Rechten , Vryheden, Tractaten , Contracten , Ordonnantiën , Statuyten , Decreten en Usancien derselver Landen int generael, oft van eenige Provin- ciën, Steden oft Leden van dyen int particulier. (Art. 7.)

// De voors. Raidt sal bevorderen , dat de generale middelen tot gemeene defensie van den Lande eenpaerlyck ende int gemeen over alle de Vereenichde Provinciën geconsenteert , ende noch te consen- teren, ende tot hare dispositie byde consenten vande Provinciën te stellen wel ende eenpaerlyck alomme wordden geheven enz. (Art. 8.)

// De penningen procederende vande voorsz. geconsenteerde middelen ende andere consenten, sullen beheert ende geemployeert wordden tot betalinge vanden Volcke van Oorloge, ende andere behouften vander Oorloge, in conformite vande Consenten vande respective Provinciën , oft sulcx , als int generael byde Provinciën sal wordden geordonneert tot meesten proffyte vanden Lande , ende vooral sal ordre op de monsteringen ende discipline militaire over het volck

1) Wij volgen hier letterlijk den tekst uit het Instructieboek van den Eaad van State van 1588 1702 op het Kijksarchief, overeenkomende, wat de indeeling der artikelen betreft, met dien, welke gevonden wordt bij Bor in het bijvoegsel van de Auth. Stukken achter D. III, bl. 3, 4, die ook door Kluit beweerd wordt de echte te zijn, en zeer afwijkt van den verminkten tekst in het Groot Placcaetboek. Vergelijk Kluit, Hist. der HoU. Staatsregering , III, bl. 6 en volgg.

Digiti

zedby Google

tXX!

van oorloge gestelt wordden, ende dat die betaelt mogen wordden hooft voor hooft voor soe veel doenlyck sal wesen. (Art. 11.)

«^Die Raden van State sullen gehouden wesen over te leveren aende Generale Staten, ende de Staten van eicke Provincie perti- nente Staet van drye maenden te drye maenden , vande lasten vander Oorloge ende het innecommen vande middelen daertoe te consen- teren ende den employ vandyen. (Art. 16.)

ff Sullen besorgen dat alle Gouverneurs, Admiraels, Generaels, Oversten, Ritm eesteren, Capiteynen ende alle het volck van oorloge te Water ende te Landen, sullen beloven en sweeren de Staten vande Vereenichde Nederlanden, die byde Unie ende hanthoudinge vande gereformeerde Religie sullen blyven , eensamentlyck de Staten vande Provinciën ende Magistraten vande Steden daerinne syluyden gebruyckt, ende tot wiens laste ofte repartitie sy betaelt sullen wordden, gehouw ende getrouw te wesen, denselven getrouwelyck te dyenen, ende dat syluyden den voornoemden Staten Generael ende oock den Staten vande particuliere Provinciën elcx in sjm regardt sullen obe- dieren enz. (Art. 18.)

tf Ende verstaen de Staten Generael voomt. , dat tot conservatie van het recht vande Vereenichde Landen int Generael, ende particu- lier, syluyden van hen rait dese Instructie oft instellinge van Re- gieringe ofte Raidt van State, nyet en abdiceren het recht ende de macht, omme byden Staten Generael ende den Staten vande Pro- vinciën int particulier, elcx soo veel hen aengaet, by tyde van noodt oft als de Saicken vanden Lande sulcx sullen vereysschen , selffs ordre tot dienste vanden Lande inde saicken by henluyden ter dis- positie vanden voorsz. Raidt gestelt, te mogen stellen ende execu- teren by directie vande saicken vander Oorloghe te Water ende te Lande, mit alle t'gene daer aen cleeft, ende namentlyck mede het doen vande monsteringen, houden vande discipline militaire, straffe van alle excessen, ende in alle andere saicken; verstaen oock dat alle saicken, den Staet, Policie en Justicie vande voorsz. Landen, Steden ende Leden vandien int Generael ende particulier aengaende, ter dispositie vanden Raidt nyet expresselyck gestelt, sullen blyven

Digiti

zedby Google

XXXII

ter dispositie van de Staten Generaal, den Staten vande particuliere Provinciën, den Magistraeten vande Steden ende andere wettelycke overicheyden , elcx in haer regardt. // (Art. 3:2.)

Dat was alzoo met betrekking tot het krijgswezen de werkkring, voorgeschreven aan het hooge regeringscollegie, dat de uitvoerende magt in oorlogszaken in handen had ; een hoogst gewigtige werk* kring inderdaad, maar die al zeer spoedig begon te verkleinen en binnen al naauwer en naauwer omtrek beperkt te worden.

Reeds door de bepalingen in het 7de Artikel werden eene menigte struikelblokken op den weg van het militair bestuur geworpen, welks gang daardoor noodzakelijker wijze zeer belemmerd moest worden.

Het was, aan den eenen kant, zeer natuurlijk, dat gewesten en steden, die nog altijd in een gevaarlijken strijd tegen de dwing- landij gewikkeld waren, die goed en bloed hadden opgeofferd en nog verder wilden opofferen tot handhaving der pas verworven vrijheid , met ijverzuchtige bezorgdheid aan de regering, aan welks gezag zij zich onderwierpen, de handhaving harer regten en privilegiën tot eene voorwaarde stelden. Doch wanneer aan den anderen kant aan het oorlogsbestuur , dat vóór alles aan eenheid en aan eene krachtige en snelle handeling behoefte heeft, dat soms zelfs in buitengewone gevallen ook buitengewone maatregelen moet durven nemen, ja, dat zich , als het den ondergang of het behoud van het land geldt , moet durven stellen boven de wet; wanneer aan dat bestuur, in om- standigheden, die overal elders eene dictatoriale magt in het leven zouden geroepen hebben, wordt voorgeschreven zich met angst- valligheid te moeten houden aan de privilegiën , statuten en decreten niet alleen, maar zelfs aan de Usantiën van iedere stad in het bij- zonder, dan moet het ons niet verwonderen, dat de gang van een ligchaam, dat aan alle kanten zooveel wrijving ondervond, ver- traagd en soms geheel en al gestuit werd.

Daarenboven, de Raad van State was niet bij magte zich te allen tijde te doen gehoorzamen, en had geen middelen genoeg in handen, om zijn gezag te doen eerbiedigen. Was het dus niet natuurlijk, dat het leger, dat Maurits zelf, die gevoelde hoe los

Digiti

zedby Google

xxxm

die bodem was, elders een steunpunt zocht voor den hefboom, dien hij met zoo krachtige hand in beweging bragt? In zich zelven kon bij dat steunpunt niet vinden; want hij, de dienaar der Staten, kon er in de toenmalige omstandigheden niet aan denken, zich eigendunkelijk boven hunnen wil te verheffen, en het lag dus in den aard der zaak, dat hij steun moest zoeken daar, waar de grootste sterkte van de Republiek te vinden was, in de vergadering der Algemeene Staten, die op hunne beurt hunne grootste kracht ontleenden aan de Staten van Holland, het magtige gewest, dat door zijn nooit verflaauwden ijver voor de zaak der vrijheid, door de bekwaamheid zijner staatslieden en vooral door het opbrengen van meer dan de helft der oorlogskosten, zulk een overwegenden invloed op de geheele Republiek uitoefende.

Het hierboven aangehaalde artikel 43 van de Instructie voor den Raad van State gaf tot die verplaatsing van magt eene gereede aanleiding. Niet alleen al //hetgeen niet expresselijk ter dispositie van den Raad gesteld was// zou ter dispositie van de Staten Gene- raal, van de Gewestelijke Staten en de andere Overheden blijven, maar de Staten behielden ook aan zich het regt om //in tijden van nood, of als- de toestand van het land zulks mogt vereischen//, zelf order te stellen in de zaken, die ter beschikking van den Raad van State stonden.

Dat was de opzettelijk aangebragte kloof, waardoor dat slecht zamengestelde ligchaam uiteen moest vallen, zoodra het den Staten Generaal behagen zou, er de wigge hunner eigendunkelijke magts- vermeerdering tusschen te slaan.

En dat gebeurde al zeer spoedig, zoodat de raadsheer Bodley, een der Engelsche leden, die volgens het tractaat met Elisabeth daarin zitting hadden, reeds in het volgende jaar bij de Staten Generaal eene klagte indiende, waarbij hij beweerde, dat het niet aan de Staten stond, om als op zich zelf staande Souve- reinen de magt van den Raad te beperken, en verklaarde, dat de Raad van State, in plaats van een regerend ligchaam te zijn, inderdaad tot de grootste onbeduidendheid was terug-

III.

Digiti

zedby Google

XXXIV

gebragt ^). Wij mogen hierbij niet onopgemerkt laten, dat juist de omstandigheid, dat twee Engelschen zitting hadden in den Raad van State, en het aandeel, dat de Gouverneur-Generaal van de Engelsche hulptroepen aan de regering had ^) , voor de Staten eene reden te meer was om de magt van dat ligchaam zooveel mogelijk te verminderen.

Om bij de leiding der oorlogszaken dadelijken invloed te kunnen uitoefenen zonder den gang daarvan te vertragen , was de Raad van State of ten minste een gedeelte zijner leden gewoon mede te velde te trekken ^) , en om dezelfde reden besloten ook de Algemeene Staten, afgevaardigden uit hun midden, en wel voor elke provincie één, naar het leger te zenden, //om met Zijne Exc'% die heeren Crijchsoversten int leger wesende ende de Raden van State de saken van den oorloge te helpen beleyden, ende op alles te resolveren nade occurentien ende gelegenheden, gelijk zij ten meesten dienste van den lande sullen bevinden te behoiren// ^).

1) >5' .... et par aussy faire du Receveur général seulement une cifre, et des Conseillers Solliciteurs. i»' (Resol. St. Gen. 21 Maart 1589.) Zie over het begin der oneenigheden tusschen de Algemeene Staten en den Raad van Stete, v. d. Kemp. Maurits van Nassau, I, bl. 297 305.

2) Groot Placcaetboek, I, bl. 49.

3) In 1588 ging de geheele Baad bij het naderen van de Spaansche Armada naar Zeeland, om nader bij het gevaar te zijn.

4) Kesol. der St. Gen. 20 Mei 1591. Doch niet alleen de Algemeene Staten, maar ook die van Holland zonden hunne afgevaardigden in het leger. Zoo lezen wij in de Resolutiën van de Staten van Holland van den 2den Februarij 1590:

if'Ende opdat syn voorn. Exc. altydt met raedt en advis van eenige vande Staten voorn, mach worden geassisteert , soo syn hem op alle reysen tot noch toe eenige Gecommitteerden van de Staten bygevoeght geweest, ende syn alsuu vier gecom mu- teert die voor een jaer gestadigh syn Excell. als Raden vande voorsz. Landen (Holland en Westfriesland) alomme daer 't den dienst van den Lande vereyscht, sullen bywesen, om met goede ordre ende keiinisse der voorsz. saecken ende andere, 't voorsz. Gouvernement aangaende, te beleyden^. Zij voerden den naam van i^ Gecommitteerde Raden van de Staten nevens zijne Excellentie*'. (Kluit, Gesch. der HoU. Staatsreg., III, bl. 16.) Men ziet, hier is alleen sprake van #met

Digiti

zedby Google

XXXV

Die afgevaardigden kregen later den naam van Gedeputeerden te Velde// ').

Kort daarna werd aan Maurits en Willem Lodewijk eene meer beslissende stem gegeven in de deliberatiën over de tegen den vijand te nemen maatregelen ^).

raedt ende ad vis te assisteren jir , terwijl de gedeputeerden van Hunne Hoogmogenden in last hebben , mede » op alles te resolveren « ; doch bij den grooten invloed van de provincie Holland kan het wel aan geen twijfel onderhevig zijn , dat meermalen het advies van hare afgevaardigden zwaarder gewogen zal hebben dan de resolutie van die der Staten Generaal.

1) Het zenden van Gecommitteerden uit de regering, om den "Veldheer ter zijde te staan, hetzij alleen om te adviseren, of wel om ook binnen zekere grenzen te beslissen, was in deze gewesten niet nieuw. Reeds meer dan eene eeuw vroeger vinden wij er de sporen van. In eene vroedschaps-resolutie der stad Leiden van den 26sten October 1481 lezen wij:

^Alsoe myn heer die stedehouder begheert te hebben wt elke stede twie mannen of ten minste ene man, die desen tyt van de oirloge durende, by hem hebben sal, om die oncosten te zien ende te horen, ende raets mit hem te nemen in allen saken den oirloge angaende etc. Hierop is ouerdragen dat myn heer die stede- houder selve wt elke stede nemen sel enen man, die hem dun et in der saken best dienende en bequam wesende^. In eene dergelijke resolutie van den 2den November 1489 wordt gezegd: ^Alsoe den hertoge van Sassen in den reysen, die hy doet in de jegenwoirdigen oirloge, niet reysen en wil, sonder by hem te hebben wt elke stede enen burger- meester ende ene van der vroescap, die hebben sullen volcomen macht ende last te doen mitte andren steden, sonder enich vorder beraet dairop te halen, want Bulcke saken dickw7len haeste hebben, daeromme men geen beraet hebben noch iialen ende mach etc.

'Hierop is by den gerechte ende vroescap ouerdragen, ende gestenunet, dat dieghene, die dair van der stedewegen toegevoicht ende geschiet worden, also Jaceb Heerman, W^illem Heerman Buekelsz, doen sallen in alle saken by den meeredeel van den andre grooten steden, die dair wesen sullen i^.

2) ir Ende aangesien doorloge moet gevoert wordden uitter oogen nade gelegent- beid der zaecken de dagelijcxsche advertentien van des vijands voernemen ende andere occurentien, dat d^ Heeren Staten voor den lande dienstelijck ende noodich gieadit hebben te resolveren, Zijne Ex^^^e^ ende den Welgeboren Grave Wilhem feve van Nassau (als hebbende de Gouvernementen respectieve van de geünieerde povintien) te auctoriseeren gelijck dezelve geauctorizeert wordden, mits dezen voer

Digiti

zedby Google

XXXVI

Het gevolg van een en ander was , dat de Raad van State steeds lager afdaalde van het standpunt, waarop hij in den beginne was geplaatst, en ten laatste genoodzaakt was, zich in de meeste zaken te voegen naar den Souvereinen wil van de Staten Generaal. Het zou niet moeijelijk zijn, daarvan eene menigte voorbeelden aan te halen. Een enkel slechts moge hier volstaan, om te doen zien, hoe spoedig het vijfde artikel van de instructie voor de leden van den Raad, waarbij hun magt werd gegeven om te beschikken over het volk van oorloge, en hunne bevelen te doen volbrengen door de krijgsbevelhebbers elk voor zoo veel hen aanging, niet veel meer dan eene doode letter was geworden.

In den zomer van het jaar 1591 verzocht Heraugière, Gouverneur van Breda, commissie tot het oprigten van eene kompagnie van vijftig ruiters , om de kooplieden en het platte land tegen het stroo- pen van den vijand te beschermen ^) , welke commissie hem door den Raad van State werd verleend. Toen evenwel Maurits hiervan werd verwittigd, verzette hij zich ten sterkste daartegen, op grond dat daardoor het moreel van de kavallerie, die in haar geheel bij het leger te velde was ingedeeld, zou lijden, daar de ruiters //zon- der twijfel liever dienst zouden nemen bij een vendel dat in eene vesting in garnizoen lag en op hasard en buit rijden dan met onge- mak en kosten het leger volgen // ^). Gehoor gevende aan het ver- langen van den Prins, rigtte de Raad van State in dien geest een schrijven tot Heraugière, hetwelk aan Hunne Hoogmogenden werd

zoe veele des noot zy, om mette Heeren Raeden van State, Gedeputeerden van de provinciën ende d' Heeren Crychsoversten int leger wezende opte zaecken van den Oorloghe zoe wel aengaende dexploicten daermede men aireede doende is, als alle andere die na de voorsz. advertentien ende occurentien voirder zouden moegen ofte dienen voergenomen te wordden, te disponeren gelijck dezelve ten meesten dienste ende verzekertheid van den lande zullen bevinden te behooren /^. (Kesol. St. Gen. 5 Junij 1591.)

1) Register van brieven, ingekomen uit diverscbe plaetsen. (1591, bl. 152 verso.) Bijks Arch. M. S.

2) Jd. , bl. 382 verso.

Digiti

zedby Google

XXXVII

toegezonden , met verzoek om het aan dien bevelhebber te doen toekomen en tevens de verleende commissie buiten effect te stellen onder vermelding der redenen, welke daartoe hadden geleid. De Staten Generaal evenwel verklaarden , noch het een noch het ander te willen doen , en dat zij , // om consideratiën , die verre prevaleren de redenen in den brief van den Raad aangetogen, die men Zijne Exc*''* en hun E. bij hunne terugkomst nader zou doen verstaan , hadden goedgevonden de voorschreven kompagnie niet te laten cas- seeren, maar daarentegen de brief van den Raad aan voornoemden Gouverneur op te houden // ^).

In plaats van zich met kracht tegen deze aanmatiging van gezag te verzetten, en te eischen dat aan het op geldige gronden genomen besluit gevolg werd gegeven, antwoordde de Raad van State eenige dagen later eenvoudig:

V Voor soo vele aengaet die commissie die gedepescheert is op den Gouverneur van Breda tot lichtinge van vyftich carabyn ruyteren, wij hadden seer geerne gesien, dat Uw E. omme den redenen bij onsen voorgaenden verhaelt (de welcke naer ernstige communicatie met Syn Ex*"'® tot der Landen meesten dienst goet gevonden waren) mede voor raetsaem geacht souden hebben, dat deselve commissie soude werden gerevoceert. Dan soo Uw E. sulcx anders syn ver- staende, sullen wy Syn Ex*^^® tselve aen doen dienen enz.// ^).

Verder vinden wij van deze zaak geene melding gemaakt. Alleen blijkt het , dat Heraugière de verlangde kompagnie ruiterij werkelijk opgerigt heeft, daar hij drie maanden later vergunning verzocht, haar tot op honderd hoofden te versterken ^).

Zoo als dan ook niet te verwonderen is, begonnen de Staten Generaal meer en meer den Raad van State slechts als de werktui- gelijke uitvoerders hunner bevelen te beschouwen, en dat zij einde- lijk zelfs, geheel buiten den Raad om, de gewigtigste beschikkingen

1) KesoL der St. Gen., 15 Julij 1591.

l) Missive van den Raad v. St. van den 23 Julij 1591 , in de lias ingekomen bneven van dat jaar. Rijks Arch. M. S. 3) Resol. der St. Gen., 25 October 1591.

Digiti

zedby Google

XXXVIII

omtrent het krijgsvvezen namen , moge uit het volgende blijken :

Na de verovering van Groningen in Julij 1594 was tengevolge van het ongunstige regenachtige weder besloten, het leger uiteen te doen gaan en het gedeeltelijk te ontbinden, gedeeltelijk in de gar- nizoenen te leggen. Toen echter twee maanden later de weersge- steldheid aanmerkelijk verbeterd was, en de Aartshertog Ernst zijne krachten voornamelijk ter ondersteuning van den Hertog van Mayenne naar Frankrijk wendde, veranderden de Algemeene Staten, op sterk aandringen van Maurits en van den Raad van State, van gevoelen, en besloten tot een togt naar het graafschap Zutphen. De Prins verklaarde zich daartoe bereid, doch, zegt Duyck, //wel wetende, dat men van meyninge was, ende belooft hadde vulck naar Vranck- ryck te senden , verclaerde vuytdruckelijk , niet te konnen te velde gaen, soe men tbelooffde volck naer Vranckryck gedacht te senden ende dat hy syne eere ende reputatie met soe weynich volcx niet en wilde hasarderen ofte de saecke in pericule stellen van met schan- den te moeten afftrekken. Oick in gevalle men evenwel voorts ginck ende naederhant als tleger ergens leggen soude, tvolck vuyttet leger soude meynen op te ontbieden om naer Vranckryck te gaen, dat hy se niet en soude laten wechtrecken. Op alle desen werde Syn Ex''*'', geconten teert // ^).

Dientengevolge vaardigde de Prins op den SOsten September en den Isten October de noodige bevelen uit om het krijgsvolk en het geschut den Ssten October te Doesburg en Arnhem bijeen te brengen.

Den volgenden dag kwam een edelman van den Hertog van Bouil- lon te 's Gravenhage aan met brieven van den Koning van Frank- rijk, waarin deze er op aandrong, dat de Republiek terstond de beloofde hulptroepen naar Frankrijk zou afzenden.

Den 3den October werden die brieven in de Staten Generaal ge- opend, en terstond daarop besloten, dat men aan het daarin uitge- drukt verlangen zou voldoen. Van deze resolutie werd noch aan den Raad van State noch aan den Prins kennis gegeven , zoodat deze den 4den October zijne garde naar Rotterdam zond om van

1) Journael van Duyck, II Boek, 24 Sept. 1594.

Digiti

zedby Google

XXXIX

daar de Lek op te varen , waarheen reeds* drie en twintig stukken geschut en al de munitie waren gezonden.

Den 5den October vertrok hij zelf vroegtijdig uit 's Gravenhage , kwam des avonds, zonder iets van het twee dagen te voren genomen besluit te weten, te Utrecht aan, en werd den 6den October gevolgd door den Raad van State, die er even onkundig van was.

Eerst den 8sten October toen bijna het geheele leger te Arnhem en de schepen met geschut en munitie voor Doesburg verzameld waren, kreeg de Prins kennis van de zaak door den Franschen Gezant, die om haar te bespoedigen in persoon tot hem kwam, en de brieven van de Staten Generaal medebragt, waarin gelast werd, zonder verwijl 24 vendelen voetknechten en 5 vanen ruiters naar Frankrijk te zenden.

Maurits, niet zonder reden verontwaardigd over deze handelwijze, verklaarde eerst met den Raad van State te willen delibereeren over hetgeen hem te doen stond, doch de uitkomst daarvan liet zich ligtelijk voorzien, te meer daar het hier eene zaak van bijzon- der belang gold, waarbij welligt de zoo hoogst gewigtige alliantie met Hendrik IV op het spel kon worden gezet. Men gaf alzoo toe, maar de Prins weigerde volstrekt met het te geringe overschot van het krijgsvolk te velde te trekken. Eenige dagen verliepen nog met overleggingen, daar de Raad van State nog altijd hoop scheen te hebben dat de Prins van meening zou veranderen; doch toen ook Graaf Willem Lodewijk van Nassau , die middelerwijl was aan- gekomen, van hetzelfde gevoelen bleek te zijn, en het verzoek om, bij de weigering van Maurits, iets met de troepen te ondernemen ronduit afsloeg, werd den ISden October besloten, de troepen, welke niet voor den togt naar Frankrijk benoodigd waren, weder naar hunne garnizoenen te zenden , het geschut weder in te schepen , en den verzamelden voorraad in de steden te verkoopen.

Hoe de Raad van State over deze handelwijze van de Staten Generaal dacht, Iaat zich afleiden uit de volgende woorden, waar- mede Duyck, die fiscaal van den Raad was, zijn relaas van het hierboven vermelde besluit:

//Ende hiermede//, zegt hij, //liep te niet de voornoemde tocht

Digiti

zedby Google

XL

in tlant te Zutphen gedestineert , alleenlijck omdat de Staeten Geuerael al te souvereioelijck dese saecke badden willen dryven sonder kennisse van Syn Ex*'^® ende den Raedt van Staete, alsoff dselve dienaers van een monarche (van denwelcken alles dependeert) geweest ende niet mette Staeten Generael eedplichtige waeren die een saecke met heml. dreven, twelcke daeromme tot groot bederflF van den ingesetenep van de Veluwe ende Betuwe (door tcrygsvolck vuytgeteert zijnde) ende tot excessive costen van den Generaliteyt quaelijcken affgeloopen is, die biermede aen extraordinaris oncosten van waegen , peert , sceepsvracbten ende anders wel hondert duysent gulden sal moeten betaelen sonder eenige vrucbt daeraff te trecken , alsoff men tzelve geit met voorbedacbten raede in twaeter wierp, alle welcke costen men meest badde konnen verboeden, soe de Staeten Generael belieft badden, haer meyninge in den Haege aan Syne Ex'''* ende de Raeden van Staete voor beur vertreck te open- baeren. Hierviiyt kan men sien wattet is al te absoluyt te willen handelen in een populaire regieringe, daer veelen kennisse van den beleydinge van den saecke beboiren te bebben, ende daer men geen middel en beeft de contraventeurs (als bet groote beeren ofte coUegien syn) te straffen // ^).

Uit een en ander blijkt, dat de Raad van State niet bij magte was, zicb tegen de meer en meer aangroeijende autoriteit van de Staten Generaal te verzetten, en nog beperkter werd bun invloed toen Maurits zich langzamerhand meer op de Staten en hunne afgevaardigden begon te steunen. Een merkwaardig voorbeeld daar- van vinden wij reeds in het volgende jaar, toen na het noodlottige gevecht aan de Lippe, beraadslaagd moest worden wat men verder met het leger zou ondernemen.

Af De gedeputeerden van den Staeten Generael,// zegt Duyck, //begonsten met Syne Ex'^'® ende den Graeff Willem te besongieren op den staet van 't leger, sonder den Raet van Staete daer bij te roupen, niettegenstaande die hier in tleger was, twelcke,// voegt hij er verontwaardigd bij, //geene cleyne verachtiuge van den Raet

1) Journael van Duyck, Il Boek, 13 OMober 1594.

Digiti

zedby Google

XLI

is ende een ai te souvereyne maniere van doen van gedeputeerden , dewyle den raet soe wel een lit van den regieringe van tlant is als syluydeniy ^).

Men ziet tot welk een laag peil het begrip van de magt van het eigenlijk uitvoerend bewind reeds was afgedaald.

Eenige jaren later zegt Duyck het in zijn Journaal met ronde woorden , toen de Prins met betrekking tot het herstellen der ves- tingwerken van het veroverde Lingen maatregelen nam, die in strijd waren met het gevoelen van den Raad: //dat het geschiedde ten onwille van den Gedeputeerden van den Rade, die nochtans niet vlackelijk daertegen en dorsten seggen ende anders oick by Syn Ex""*® weynich geacht waren , omdat se op meest geene poincten naer exigentie van den saken en wilden resolveren, daartegen sy in tparticulier wel claechden, maer voor de cop en dorstet niemant seggen y *).

Doch niet alleen de Algemeene Staten, maar ook de gewestelijke en vooral die van Holland grepen nu en dan regtstreeks in het oorlogsbestuur in, en traden daarbij ongeroepen binnen den werk- kring, die voor den Raad van State was afgebakend. Allerbelangrijkst voor de kennis van de wijze, waarop de Staten van Holland de in- structie voor den Raad van State uitlegden , is het antwoord dat zij den Isten Februarij 1590 aan den Graaf van Hohenlo gaven, op zijn verzoek i^om te hebben verklaringe in wat qualiteyt by hem den Landen vorder diensten gedaen sullen mogen worden //.

Daarin *) lezen wij onder anderen , dat wel is waar aan den Raad van State //de generale dispositie// over de krijgszaken verblijft, maar dat hij zijne resolutien // moet adresseren ende doen executeren aen ende door de Gouverneurs van de respective Provinciën, elx in haer Gouvernementen inder voegen dat op hare Resolutien of be- velen noch andersints geen Volck van Oorlogh uyt of in de Landen of Steden en Sterckten van HoUandt ende West- Vriesland geleyt of

1) Journael van Duyck, n Boek, 7 September 1595.

2) Td., in Boek, 13 Nov. 1597.

3) Zie de Bes. v. d. Staten y. Holland, 2 Febr. 1590.

Digiti

zedby Google

XLII

gelicht en wordt , of marcheert , ten zy hen 't selve by Syn Excell. als Gouverneur en Capiteyn Generael van de voorsz. Landen , of by de Gecommitteerde Raden van de Staten van Hollandt ^) op den name ende van wege Syn Excell. by Patenten bevolen worde, ende blijft Syn Excell. ende de Gecommitteerde Raden van de Staten van Hollandt vry, om in gevalle sy hen in eenige bevelen vanden voorsz. Rade van State bezwaert bevinden, deselve te verthoonen, ende daerop redres te verwachten; ende insgelycx blijft syn Excell. vry op syn ordinaris authoriteyt als Gouverneur ende Capiteyn Generael der voorsz. Landen, met advis vande Gecommitteerde Raden vande Staten voorn., of ingevalle by absentie van de selve Gecommitteerde Raden haer advis te versoecken niet gelegen 2) is , sonder advis derselve het Volck van Oorlogh inde voorsz. Landen, Steden ende Sterckten van dien selfs te veranderen , ende tot af- breuck van de gemene Vyanden, ende dienst der Landen te ghe- bruycken , daer van in sulcken gevalle , Syn Excell. den Rade adverteert tot houdinge van goede correspondentie n.

Hieruit blijkt, hoe naijverig de Staten van Holland voor hunne provinciale Souvereiniteit waakten. De Raad van State het regeringsligchaam dat belast was iret de uitvoerende raagt in al hetgeen de defensie aanging mogt geen krijgsvolk in of uit de provincie doen trekken zonder patenten van Zijne Excellentie, niet als aanvoerder van het leger, maar als Gouverneur en Kapitein Generaal van Holland en West-Friesland. Hij daarentegen mogt, in dezelfde kwaliteit, het krijgsvolk in Holland en West-Friesland op eigen gezag doen marcheren; indien er gelegenheid toe was, moest hij het advies van de Gecommitteerde Raden van de Staten van Holland inwinnen; aan den Raad van State behoeft hij volgens hen slechts berigt te geven om de goede verstandhouding te bewaren.

Tot een bewijs hoe de Staten van Holland zich langzamerhand ook in het administratieve gedeelte van het legerbeheer mengden, moge de aanhaling van een enkel feit onder velen volstaan.

1) Zie hiervoren, bladz. xxxiv, in de 4de aanteekening.

2) MogeUjk,

Digiti

zedby Google

XLIII

In December van het jaar 1596 zonden zij aan den Raad van State eene opgave van 56,000 gulden, die zij verklaarden, af en toe aan het regiment van Vere te hebben verstrekt, en verzochten teruggave van die gelden. Die onverwachte aanvraag verwekte bij den Raad, die dat regiment altijd ten volle betaald had, niet weinig verbaasdheid en bekommering; niet alleen, zegt Duyck, f/ om de cleyne correspondentie wille by die van Hollant daerinne met haer gehouden , datse in ééne plaetse wesende , van heml. niet eens en hadden gevoerdert , hoe het mette Engelschen stonde , als omdat se bevreesden so men dese penninghen souden moeten corten, als die van Hollant versochten , dat tselve regement ganschelijck soude moeten verloopen , ofte ten minste so verswacken , datmen desen somer daeraf geen groote dienste en soude trekken (tot groeten ondienst van den landen, omdat men achte dattet tbeste regement was om voor den viant te mogen gebruycken) f/ ^).

Ook aan de bevelen van den Raad van State met betrekking tot het in dienst houden of afdanken van het krijgsvolk stoorden zich de gewestelijke Staten vaak niet.

Toen "in Maart 1594 de ritmeester Patrick Bruce gestorven was, en men aan een der Schotsche krijgsoversten zijne kompagnie meende te geven , wilde geen dezer haar aanvaarden op de voor- waarden waarop Bruce haar gekommandeerd had. De Raad van State besloot eene nadere beslissing van de Staten Generaal af te wachten en inmiddels de kompagnie in dienst te houden , en schreef te dien einde aan de Staten van Zeeland, haar voorloopig eene maand soldij uit te betalen in mindering van de quote der provincie. In plaats van daaraan gevolg te geven , deden de Staten van Zeeland onmiddellijk de ruiters inschepen en zonden ze naar Rotterdam, waardoor de Raad van State genoodzaakt was, de vaan, die een der schoonste was van het leger, te ontbinden en de ruiters onder andere kompagniën te verdeelen ^).

Zoo ontbonden de Staten van Holland in Maart 1597 op eigen

1) Joumael van Duyck, UT Boek, 3 December 1596.

2) ld., II Boek, 3 Februarij 1594.

Digiti

zedby Google

XLIV

autoriteit de kompagnie van den Kapitein Obbershuysen , n twelcke u , zegt Duyck, //bij den Raede van State niet ten besten en werde genomen, omdat hy %jcl commissie niet van de Staten van HoUant int particulier maar van de Generaliteyt hadde ontfangen, ende screven daerover een brief aan die van HoUant van den II Aprilis, houdende datse wel verhoopt hadden dat sy sulcken innebreuck in de gemeyne auctoriteyt niet en souden gedaen hebben, dewyle sy wel wisten hoe ongaarne men sulcke particuliere cassatien ende aennemingen van anderen hadde verstaen; hoeseer tselve de Gene- raliteyt altijts tegen de borst was geweest, ende wat eyntelijck daervuyt soude syn te verwachten, ende vermaenden heur daarom dat gelycke saken particulierlijck niet meer en mogten voorgenomen worden, maer ter contrarie datse met heur de publycke auctoriteyt wilden helpen mainteneren// ^).

Meermalen deden ook de gewestelijke Staten hun gezag gelden , daar waar de beoordeeling van de wijze, waarop de troepen moesten gebruikt worden , geheel aan den bevelhebber van het leger behoorde te worden overgelaten. Zoo verklaart bijv. Duyck, na een uitvoerig verhaal te hebben gegeven van het beleg van Hulst in 1596, dat tot het verlies der om die vesting gelegen landstreek voor een groot deel heeft bijgedragen //dat om der huysluyden appelen en kerssen te conserveren de Staten van Zeelant niet en wilden gedogen dat men in tlant van Hulst tusschen de Moervaert en de Spitsenborch eenich volck logeerde // «) ; hetwelk ten gevolge had , dat een der gewigtigste posten buiten de vesting, door de overmagt van den vijand aangevallen, niet bij tijds ondersteund kon worden en ver- loren ging, hetgeen later het verlies van de stad na zich sleepte.

/y Bovendien // , lezen wij verder, //hadde Syn Ex*'® in tlant van Hulst doen commen 50 ruyters om de wacht te houden, maer omdat se den boeren te veel stroys costen , mosten die mede wederom vertrecken , ende om de boeren op geen coste te brengen ,

1) Joumael van Duyck, III Boek, 30 Maart 1597.

2) ld., ld., 8 Jul^ 1596.

Digiti

zedby Google

XLV

werde belet dat de boeren met peerden selfs wacht souden houden ende daeraflF betaelt worden// ^).

Dat ook de oude privilegiën der steden omtrent het innemen van garnizoen groote zwarigheden moesten opleveren, daar de Raad van State door het fide Artikel zijner instructie gehouden was, al de regten , vrijheden en usantiën te eerbiedigen , behoeft wel niet nader te worden betoogd, en evenmin dat daardoor eene inmenging van het burgerbestuur der vestingen in de regeling der krijgszaken ontstond, die de nadeeligste gevolgen kon na zich slepen. Ook hierin was de Raad van State niet bij magte te voorzien, zoo als onder anderen bleek toen de regering van Wageningen in April 1591 bepaaldelijk weigerde het garnizoen in te nemen, dat voor die stad bestemd was. De Raad , hoezeer uitdrukkelijk verklarende , die weigering voor eene minachting van zijn gezag te houden, berustte er in, en gaf den Prins last, de aangewezen troepen niet naar Wageningen te zenden, daar men het ongeraden vond, de gehoor- zaamheid aan de bevelen van de landsregering met geweld af te dwingen 2).

Dergelijke voorbeelden zijn niet zeldzaam, doch werden gelukkiger wijze zoowel aan des vijands zijde gevonden als aan die der Staten ^).

1) Joumael van Duyck, III Boek, 8 Jul^ 1596.

2) #Den Joncker Brienen biDnenstaende is hem verklaert dat den Baede de weygeringe by die van Wageningen gedaen by hare brieven, van de Compagnie rayteren van den Heer Sidney in te nemen, niet en kunnen ten besten verstaen, synde een verachting van de authoriteyt derselve, dan dat nogtans den voorsz. Baede als noch het daerby souden laten rusten

'Syn Excellentie te adverteren, dat sy van Wageningen persisteren in weygeringe van de Compagnie ruyteren van den Heer Sidney in te nemen, sulcx dat deselve sal voor als noch mogen blyven daer deselve is, dewyle niet geraedsaem gevonden wordt met andere middelen tegens die van Wageningen te voorsien-r. (Besol. van den Baad van State, 17 April 1591.)

3) Toen in het jaar 1591 Yerdugo bij de nadering van het Staatsche leger meerder bezetting in Groningen wilde leggen, werd hem dit door den tegenstand der Stedelijke Begering belet, en zelfs Farma gaf in datzelfde jaar zijn voornemen om het garnizoen van Nijmegen te versterken, om dezelfde reden op.

Digiti

zedby Google

XLVI

Hoe de provinciën op het algemeen plan van den veldtogt vaak een overvvegenden invloed uitoefenden , hebben wij hierboven vooral uit het voorbeeld van Friesland gezien.

Bij de aanstelling der officieren eindelijk, was dit eveneens het geval. Het was nog wel niet de tijd, dat iedere provincie de bevelhebbers benoemde bij het onderdeel van het leger, hetwelk ter harer repartitie stond, eene bepaling, die eerst in 1651 werd ingevoerd, maar toch was aan de gewestelijke Staten in dit opzigt eene vrij groote magt gegeven, daar zij regt hadden tot het aan- stellen van den Kapitein-Generaal en van de bevelhebbers der ves- tingen in hun gebied gelegen , en tevens bij het openvallen van Kapiteins- en Luitenantsplaatsen aan den Stadhouder eenige perso- nen voordroegen, waaruit deze eene keuze deed.

De commissiën evenwel, met uitzondering van die voor de hooge krijsbevelhebbers , werden door den Raad van State uitgegeven, hoe- zeer zij gesteld waren op naam van de Staten -Generaal, //bij deli- beratie van den Raad van State// ^).

In den eed van getrouwheid, dien de soldaten zoowel als de be- velhebbers moesten afleggen, werd ook wel bepaaldelijk de provincie genoemd ter welker repartitie zij stonden. Die eed luidde, bijv. voor de Provincie Holland , als volgt ^) :

//Wy beloven ende sweeren den Staten Generael van de Ver- eenichde Nederlanden die byde Unie ende handthoudinge van de Gereformeerde Religie sullen blyven, ende namentlyck die Ridder- schap Edelen ende Regenten vande steden der Graeff'schap ende Landen van HoUandt ende West Vrieslant representerende die Staten

1) Enkele Commissiën werden regtstreeks door den Baad van State verleend. Deze zijn evenwel slechts weinig in getal en voor meer ondergeschikte betrekkingen. In het Commissieboek van den Kaad van State (Rijks Arch.) van 1B88 1591 vinden wij ouder vele honderde Commissiën hoogstens een vijf en twintigtal, die onmiddellijk op naam van den Eaad van State gegeven zijn, en deze behelzen alleen aanstellingen tot Conducteur, Meester mineur, Constabel enz.

2) Eedt van den Volcke van Oorloghe te Lande mutates mutandis gearresteert den eersten Juny 1588. (Eedtboeck van 1582—1675. Eijks Arch.)

Digiti

zedby Google

XLVII

vanden selven Lande, mitsgaders die Staten vande andere provin- ciën, daerinne wy gebruyckt sullen worden, ende oock de Regenten vande steden soe binnen de provincie van Hollandt ende West Vries- landt als daer buyten daerinne wy in garnisoen gelegt sullen worden gehouw ende getrouw te wesen //.

Uit al het voorgaande blijkt , dat het opperbestuur over het leger , al ondervond het dan ook van verscheiden kanten belemmeringen, die nu en dan een vrij storenden invloed op de geregelde werking van het geheel uitoefenden, op het oogenblik dat de gedenkwaardige veldtogten van Maurits een aanvang namen , nagenoeg in zijn ge- heelen omvang berustte bij de Staten Generaal, en dat de wettelijke bepaling , volgens welke de Raad van State oorspronkelijk met dat gezag was bekleed geworden, in den loop der voorafgegane vier jaren meer en meer ter zijde geschoven en eindelijk geheel en al op den achtergrond gesteld was. Daar waar de Raad niet slechts adviserend, maar ook beslissend optrad, geschiedde het als het ware op mandaat van Hunne Hoog Mogenden.

Wanneer nu de vraag rijst, of een zoodanig verplaatsen van het oppergezag voordeelig was voor het beleid der oorlogszaken, dan aarzelen wij niet, die toestemmend te beantwoorden.

Het is eene onmiskenbare waarheid, dat het zooveel mogelijk concentreren van het oppergezag een der beste waarborgen voor het welslagen van krijgsoperatiën is, en dat het verleenen der meest uitgebreide volmagt aan den legeraanvoerder, ook al wordt daardoor eene groote verantwoordelijkheid op zijne schouders geladen den man van genie oneindig minder drukt dan het looden wigt der beperkende voorschriften door toegevoegde raden of gedeputeerden te velde gegeven. Het lag evenwel geheel buiten de rigting van het pas opgekomen republikeinsche bewind om zoodanige magt in de handen van zijn Kapitein -Generaal neder te leggen, en in zoo verre kon het zeker vrij onverschillig heeten, of hij die magt deelde met den Raad van State of met afgevaardigden uit de Staten Gene- raal. Maar toen het hoogste gezag in den Staat zich langzamerhand meer en meer in den boezem van het laatste ligchaam terugtrok,

Digiti

zedby Google

XLVIII

was het van veel meer belang , dat Maurits daar zijn steun zocht , dan dat hij, toegevende aan de overigens niet ongegronde gevoelig- heid van den Raad van State, zich afwendde van hen, die feitelijk de magt in handen hadden , en die , door het al of niet toestaan der benoodigde gelden, beschikten over de zenuw der oorlogsvoering.

INWENDIG ZAMENSTEL VAN HET LEGER.

De lüfaitterle.

De Infanterie van het Staatsche leger was ingedeeld in vendels of kompagnieën , die van verschillende sterkte waren, hoezeer voor de normale formatie der nieuw opterigten kompagnieën in het tijd- perk toen Maurits zijne veldtogten begon, 113 man schijnt aange- nomen te zijn. Immers de commissiën, die na het vertrek van Leicester en het invoeren der noodige bezuinigingen aan de Kapiteins der infanterie gegeven werden , luidden alle , op weinige uitzonderingen na, op vendels van 113 man, waaronder het kader begrepen was. Zoodanige kompagnie was zamengesteld als volgt:

Een Kapitein, \

Een Luitenant, ( ieder met hun jongen.

Een Vendrig, )

Twee Sergeanten ,

Twee Tromslagers,

Een Pijper,

Drie Korporaals,

Een Fourier of Klerk,

Een Chirurgijn,

Achttien Muskettiers,

Vier en twintig Spiessen 'met korsseletten ,

Zes Hellebardiers ,

Drie Rondassiers edellieden.

Zes en veertig Harquebusiers.

Digiti

zedby Google

XM3t

De dertien eerstgenoemden werden officieren genoemd.

De Kapitein of Hopman was het hoofd der kompagnie, hoewel hij niet altijd in den strikten zin des woords haar aanvoerder kon genoemd worden. Verscheidene bevelhebbers van kompagnieën toch bekleedden andere, hoogere betrekkingen in het leger, en het bevel over een vendel voetvolk of eene vaan ruiterij werd hun alleen ge- geven opdat zij het geldelijke voordeel, dat daaraan verbonden was, zouden genieten.

Op den Kapitein volgde de Luitenant , die , zoo als de naam aan- duidt, zijn plaatsvervanger was en gedurende zijne afwezigheid het bevel voerde.

Bij elke kompagnie was een vaandel, dat aan den Vendrig was toevertrouwd, en het eigendom was van den Staat ^). Bij het ont- binden (casseeren) eener kompagnie werden de vaandels met eene zekere plegtigheid van de stangen gescheurd en de stangen zelve gebroken ^).

Ten opzigte van de Tromslagers schijnt reeds toen in het leger van Maurits dezelfde verkeerde gewoonte te zijn aangenomen als later bij de meeste legers het geval was, namelijk dat men daar- voor de minder goed physiek ontwikkelde manschappen bestemde. Wij lezen toch in een voorstel tot verbetering van het krijgswezen

(1) Als historische bijzonderheid mogen wij hierbij voegen , dat de uaiformiteit , die ten tijde van Maurits in zoo vele onderdeelen van het krijgswezen werd inge- Toerd, zich toen ook tot de vaandels der kompagnieën heeft uitgestrekt. Door den Baad van State werd namelijk dea 4den April 1591 besloten , u dat in de nieuwe vaendels sal gestelt worden die Leeuwe in conformiteit soo die int cachet van den Baede werde gebruykt, doende den Leeuwe stellen in couleur den regten Leeuwen soe naer mogelijck gelijck.# Den volgenden dag werd deze laatste bepaling echter gewijzigd ea in de plaats van de kleur der natuurlijke leeuwen werd goedgevonden, 'dat denselven sal syn van roode couleur, dewyle meest van de provintien sulcx liebben in haer wapenen. 9

Sedert dien tijd voerden de Staatsche vaandels en ook die van de Schotsche kompagnieën in dienst van de Vereenigde Nederlanden den rooden leeuw.

2) £ene beschrijving van het ontbinden van eenige kompagnieën en het scheuren der vaandels vindt men in het II Boek van het Journael van Duyck, den 6den Augustus 1594.

IV.

Digiti

zedby Google

dat in het jaar 1618 gedaan werd: //Dat de Compaignien sullen moeten versien wesen van bequame tromslagers hebbende den ouder- dom van ten minsten van achthien jaren , versien met goede trom- men, alsoo men bevindt dat by veele capiteynen daertoe onbequaeme ende oock jongers worden gebruyckt//.

De Fourier of Klerk was den Kapitein of zijnen Luitenant behulpzaam in het voeren van de administratie zijner kompagnie, terwijl de werkzaamheden van den dertienden Officier, den Chirur- gijn, van zelve worden aangeduid. Wij komen later op de genees- kundige dienst, zoo als zij in dien tijd bij het leger bestond, terug.

Eene geregelde onderverdeeling, zoo als in lateren tijd plaats had, in sectiën en escouades, schijnt in die dagen nog niet bestaan te hebben. Alleen vinden wij eene enkele maal van //korporaalschap- pen// als onderdeelen van een vendel gewag gemaakt ^). Dat aan de Sergeanten ieder afzonderlijk een gedeelte der kompagnie ter surveillance was aangewezen, is evenwel waarschijnlijk, hoewel het ons nergens gebleken is. De betrekking van Korporaal was ten minste bij de Engelsche hulptroepen hier te lande slechts tijdelijk; hunne benoeming schijnt eenigermate van de soldaten afhankelijk te zijn geweest, daar wij in het lOde artikel van de // Instructiën voor de Officiers van de monsteringe van het krygsvolck ten laste van Hare Majesteit van den Isten Februarij 1586// lezen: //De Corporaels van elcke Compagnie sullen verandert worden alle maenden, ende vernieuwt bij consent van de Compagnie ofte een deel van dien // ^).

Zoo als uit het bovenstaande blijkt , was de organisatie der Infan- terie zeer eenvoudig. De kompagnie of het Vendel was de adminis- tratieve, en in zeker opzigt ook de taktische eenheid. Uit de tijdelijke zamenvoeging van eenige kompagnieën ontstond een regiment, waarover een // Colonel // of // Overste Colonel // het bevel voerde.

1) a Den 23 May (1585) ben ick met derde halff corporaelschap in de stadt Sloten getogen, latende die reste, onder tgebiedt van mynen Lieutenant in de Lemmer y. (Van Vervou, Eenige gedenkw. geschiedenissen, bl. 31.)

2) Groot Placeaetboek, ü, bl. 241.

Digiti

zedby Google

Voor zoodanig regiment was evenwel geene bepaalde organisatie aangegeven; nu eens vinden wij regimenten van 7, dan weder van 20 kompagnieën ^). Het doel, waartoe eenige Vendels onder één hoofd gesteld werden, regelde de sterkte, die men aan zoodanig regiment gaf. De waardigheid van Kolonel of Overste-Kolonel werd dus gegeven aan hem, dien men met het bevel over een onderdeel van het leger, dat uit verscheidene kompagnieën was zamen- gesteld, belasten wilde, zonder dat de sterkte van dat onderdeel altijd bepaald was aangegeven. Gewoonlijk was de Kolonel ook Kapitein over een Vendel, dat alsdan den naam droeg van de Compagnie-Colonelle, waarover de Luitenant het speciaal bevel voerde. Aan sommige Kolonels werd het bevel gegeven over Infan- terie en Kavalerie. Zoo kreeg bijv. Ploris van Brederode bij zijne aanstelling tot Overste-Colonel het kommando //over het krygsvoick, soowel te paard als te voet, tsij met heele of halve vanen en vendelen, minder of meer getal, sulcx als de noot van den lande vereischen sal// •).

Het voetvolk werd blijkens de bovenstaande formatie , verdeeld in muskettiers , harquebusiers, piekeniers, hellebardiers en rondassiers. Het opmerkelijkste bij die indeeling, en waarbij ook de geschiedenis der taktiek het meeste belang heeft, is de verhoudiijg tusschen de vuurwapenen en de pieken, opmerkelijk daarom, omdat het blijkt, dat Maurits langzamerhand de eerste in verhouding tot de laatste vermeerderde.

Het is bekend, dat zelfs nog lang nadat de draagbare vuurwa- penen in gebruik waren gekomen , verreweg het grootste gedeelte der voetknechten met pieken gewapend was, en dat deze ook later bij de uropesche legers niet zijn afgeschaft daa nadat men de bajonet behoorlijk op het geweer had leeren bevestigen om zoodoende

1) Den 7den April 1B86 werd Sire Philippe de Sidney, benoemd tot » Chef et Colonel dHing regiment de nngt compaignies » ; anderen , als Jeban Piron (11 Maart 1586), de Ueeren van Lokeren (10 Sept. 1686) enz., kregen regimenten van 10 vendelen. (Commissieboek van den Gouverneur, Graaf van Leicester. Bljks Arch.)

2) Gommissieb. van den Baad van State van 1588^1591 , bl. 103 , verso. Bljks Arch.

Digiti

zedby Google

Ln

den infanterist zoowel voor het gevecht met de blanke wapenen als voor het vuurgevecht geschikt te maken. Zoo lang dit niet het geval was, kon aan eene afschaffing van de piekeniers niet gedacht worden, daar het rappier, waarmede ieder voetknecht gewapend werd, niet voldoende was om bij de toenmalige vecht wijze de piek te vervangen.

Maurits zag evenwel het groote voordeel in, dat van het vuur- gevecht te trekken was , en bij de vendels voetknechten , die de hoofdsterkte van zijn leger uitmaakten, vinden wij dan ook aan de musketten en roeren al zeer spoedig een groot overwigt boven de spiessen gegeven.

Bij eene kompagnie van 113 man bevonden zich, zoo als boven gezegd is 64 vuurwapens tegen 30 spiessen en hellebaarden.

Eene kompagnie van 150 man telde 82 man met vuurwapenen en 49 met spiessen en hellebaarden gewapend ^).

Bij kompagniën, welker sterkte hiervan afweek, vinden wij onge- veer dezelfde verhouding, als:

Op eene sterkte van 130 man, 60 vuurwapenen en 39 spiessen en hellebaarden *);

Op eene sterkte van 180 man, 105 vuurwapenen en 56 spiessen en hellebaarden ^);

Op eene sterkte van 200 man, 117 vuurwapenen en 64 spiessen en hellebaarden ^);

Op eene sterkte van 300 m§n, 152 vuurwapenen en 120 spiesseu en hellebaarden ^).

Wanneer men de hieronder in de aanteekeningen aangehaalde datums met elkander vergelijkt, bespeurt men, dat de verhouding van de vuurwapenen tot de pieken, die in Januari} 1589 ongeveer als 1 tot 0,79 stond, reeds kort daarop toen Maurits invloed op de

1) Commissieboek van den Baad van State, S Maart 1591.

2) ld. 18 Aprü 1690.

3) ld. 21 Aprü 1589.

4) ld. 23 Junij 1589.

5) ld. 21 Januarij 1589-

Digiti

zedby Google

LI 11

l^rorganisatie begon uit te oefenen, zeer ten voordeele van de eersten gewijzigd werd, en in Maart 1591 reeds in de verhouding van 1 tot 0,47 veranderd was.

De vuurwapenen der infanterie waren het musket en de harque- buse of haakbus (zoo genoemd omdat zij in den beginne voor aan den loop van een haak voorzien was tot steun bij het vuren). Dit laatste wapen werd veelal //vuurroer// of f/ roer//, en de harque- busiers dikwijls eenvoudig //schutten// genoemd.

Het musket O was een lang, zwaar en daardoor niet gemakkelijk te behandelen wapen ; het moest wanneer het afgeschoten zon worden ,

1) Het is bier de plaats niet om in nadere bijzonderheden omtrent de verschil- lende vuurwapenen enz. af te dalen. Alleen zij hier opgemerkt , dat het eene dwaling is, wanneer verscheidene schrijvers op het gezag van Strada en Brantóme, de invoering van het musket, als vuurwapen voor de infanterie te velde, aan Alva toeschrijven.

Strada zegt, na de zamenstelling van het leger des Hertogs, dat naar de Neder- landen trok, o|^geven te hebben:

*Le front de chaque compagnie estoit couvert par une invention nouvelle de qoinze soldats , qui marchoient devant les autres , armez de mousquets et de four- chettes pour appuyer Ie mousquet en tirant, car on ne se servoit auparavent de ces sortes d^armes, comme estant trop pesantes, que sur les murailles des villes, d^ou encore on ne pouvoit les tirer qu' apres les avoir posées sur des cavaliers//. (His- toire de la guerre des Pays-Bas, traduite par P. du Rieu, Tom. I, liv. VI, pag. 409).

Strada was hier verkeerd ingelicht, of wel hij bedoelt met //une invention nouvelle 0 de indeeling van vijftien muskeltiers bij elke kompagnie, dat werkelijk door Alva het eerst gedaan werd ; vroeger waren de muskettiers in afzonderlijke kompagnieën lereenigd. Hoyer, die de M^m. de Bellay, Liv. XI, pag. 55 aanhaalt, zegt, dat Karel Y de musketten in 1521 voor het eerst bij zijn leger te velde zou gebruikt bebben. Dat zware draagbare vuurwapens , die bij het afvuren op een vork gelegd werden, van veel ouder dagteekening zijn, blijkt uit het Trattato della Militia da Ursus de Ursinus, hetwelk in 1477 het licht zag, en waaruit L. Napoleon (Etudes sur Ie passé et Tavenir de rartillerie, I, pag. 94) de volgende regels overneemt: ' Parmi les six mille fantassins , il y a . . . . cinq cents arquebusiers (scopetóieri) , dont un certain nombre porte une petite cerbatane qui tient Ie milien entre Pescopette et la cerbatane, et qu^on place sur une fourchette pour tirer. Quand on est loin de Tennemi on peut la placer sur la voiture. ^ De musketten zijn bij het Neder- landsche leger langzamerhand meer handelbaar gemaakt, en hebben reeds lang voor de afschaffing der pieken de vuunoeren geheel verdrongen,

Digiti

zedby Google

LIV

op een ijzeren gaffel of furquet worden gelegd, dien de soldaat te dien einde bij zich droeg en vóór zich in den grond plantte^ en schoot een kogel van 12 in het pond. De harquebuse of het roer was veel kleiner en ligter, werd uit de hand afgeschoten en schoot een kogel van 24 in het pond. Beide vuurwapenen waren van lontsloten voorzien.

De manschappen moesten hun kruid en lood in het eerst zelve aanschaffen; bij de Engelsche hulptroepen werd daarvoor een gulden per man in de maand van de soldij ingehouden ^). Later werd hierin eene zeer wenschelijke verandering gebragt, en werd de munitie door de Artillerie geleverd; de vendrigs der kompagnieën namen haar in ontvangst ten bedrage van 30 pond kruid en lonten in de 48 dagen voor eene voltallige kompagnie van 150 man, en deelden haar uit aan de manschappen O, van wier soldij de kosten naderhand werden afgetrokken.

Deze inrigting was noodzakelijk, zoowel om te zorgen, dat de munitie altijd bij de kompagnie voorhanden was, als om de verkwis- ting te voorkomen, die tot groote en nuttelooze kosten leidde.

De spiessen of pieken, waarmede een gedeelte der Infanterie gewapend was, hadden eene lengte van ten minste 18 voeten; bovendien droegen de piekeniers, even als de hellebardiers, welke

1) Ar£n daar de harquebusiers ordinaris tef^nwoordelyck hebben 10 gl. ter maand, sal een gulden voor elke harquebusier of roerdrager hem geemployeert werden in Buspoeder , hem dienende in de dagen van syne excercitie boven syne wachten. » (Instructie van 1 Februarij 1686. Gr. Placcaetboek , U, bl. 239.)

2) # Item la fine ponldre pour les pietons se distribuera par poix a leurs ensingnes et seront les Capitaines des dits pietons tenuz envoier vers Ie Capitaine General pour avoir ordonnances audit maitre (de rartillerie) ou Lieutenant, en son absence contrerolleur et commis , pour leur en fumir selon ladite ordonnance , et lesdits de rartillerie marqueront Ie jour de la delivrance et y tiendront Ie respect qu'il convient. Daultant que les pietons sont fort desraisonables et eschillent beaucoup de ponldre sans besoingir. (Instruction et ordonnance advisée faicte et conclute par son Ëx*^. par ladvis de ses consaulx d'estat et des finances sur la conduicte des Maistres et OflBciers de son artillerie tant en temps de paix que de guerre. 20 Aug. 1586. In het Instructieboek 1586—1588 op het Eijks Archief, M. S.)

Digiti

zedby Google

LV

laatste slechts in zeer kleinen getale bij de vendels ingedeeld waren ^ een rappier of zwaard.

Bij elk vendel voetknechten bevonden zich zoogenaamde rondas- siers, die een schild of rondas droegen en wijders met een hellebaard geweend waren. Deze rondassiers waren door Maurits ingevoerd en bij de organisatie van 1589 was hun aantal op drie per kom- pagnie bepaald O- Waarschijnlijk waren zij tot persoonlijke bescher- ming van den aanvoerder of van het vaandel en vinden wij er daarom altijd bij iedere kompagnie slechts drie^ hoe groot de sterkte moge wezen.

Dat wij aan deze of eene soortgelijke bestemming mogen denken, laat zich ook daaruit afleiden, dat de betrekking van rondassier, ten minste oorspronkelijk, alleen aan edellieden gegeven werd.

Overigens werden de rondassen door Maurits veel gebruikt bij de belegeringen om er zich zoowel in de loopgraven als op de wallen der vesting bij het bespieden van den vijand mede te dekken; zij waren dan van een vizier voorzien. Bij het beleg van Groningen in 1594 had hij er het leven aan te danken, toen bij het bezigtigen van het ravelijn bij de Oosterpoort een kogel op het rondas afstuitte. Toen de Graaf van Solms in 1595 binnen Hulst belegerd werd, verzocht bij onder anderen in een brief van den 26 Julij , // dat men hem doch geit wilde seynden met 30 of 40 scheutvreye rondassen ende heimetten ende waert mogelijck de rondasse van Syn Ex^*"// ').

1) Hoezeer de indeeling van rondasaiers bij de kompagnieën tot de veelvuldige wgzigingen behoorde, die Maurits bij zijn leger invoerde, stellen sommige schrijvers het ten onregte voor , dat wij hier aan eene eigenlijk gezegde uitvinding van Maurits te denken hebben , die haren oorsprong verschuldigd was aan zijne studiën over de krijgskunst der oude volken. Bij de Duitsche legers toch droegen de bevelhebbers öok somtijds kleine schilden of tartschen. (Georg von Frundsberg, Kriegsthaten , folio 165), en bij de Spanjaarden, Franschen en Italianen waren de piekeniers door- gaans van kleine ronde schilden (rondelles) voorzien, terwijl de officieren er ach nog tot het einde der zestiende eeuw van bedienden. (Mémoires de Bellay, LIt. VII, p. 398.) Ook een gedeelte der Duitsche landsknechten, die met helle- laarden of slagzwaarden gewapend waren, droegen rondassen of kleine ronde schil- dtD aan een riem om den hals. (Hoyer, Gesch. der Kriegskunst, I, bl. 236.)

2) Journael van Duyck, III Boek, 26 Julij 1596,

Digiti

zedby Google

LVI

Het blijkt dat de Prins er ook aan gedacht heeft, een grooter gedeelte van het leger met schilden te wapenen, hoewel dit plan niet tot uitvoering gekomen is. ^). De rondassen zijn voortdurend bij het leger van Maurits in gebruik gebleven; immers in de Reso- lutiën der Staten Generaal van den 8sten Junij 1611 wordt gemeld: //Is Jacob Dircxz. de Swart, custodiemaker alhier in den Hage, opt serieuse recommandatie van Zyn Excell. geaccordeert octroy, omme voor den tyt van vyff jaren naestcommende, alleene in de ver- eenichde provinciën te mogen maecken sekere soo ronde als lang- werpige targiën by hem geinventeert. n

De KaTalerle*

De Kavalerie van het Staatsche leger was verdeeld in twee soorten: lanciers en carabiniers , welke laatste ook harquebusiers of // ruyterec vierroers voerende// genoemd werden.

Zij was ingedeeld in vanen of escadrons, die tot het jaar 1591 van zeer ongelijke sterkte waren, daar Commissiën uitgegeven wer- den voor 60, 75, 80, 90, lOü en 150 man ^). In den regel was elke vaan uit ééne soort van ruiterij zamengesteld; slechts bij uit- zondering vindt men bij eene vaan zoo wel lanciers als harquebusiers ingedeeld ')•

1) #Syn Ex®** had de overlange eenigegroote schilden ofte targes laeten maeken, op de Romeynsche faecoen, om te sien off men daer mede een bataillon piecken soude konnen breecken, dVelc hy tot meermaelen in den Haege hadde doen besoucken (beproeoen) ende bevonden tot dien eynde van goede effecte te wesen, waeromme hy dselve mede op desen dach in tieger onderde Engelsen dede besoucken, die wel met piecke vechten , ende bevont tselve mede alsoe , omdat de targes door alle de piecken doordrongen ^r. (Journael van Duyck, II Boek, 6 Aug. 1595.)

M De Schotten versochten onder den heuren eens de targes a la romeine

gemaeckt ende bevonden dselve van sonderlinge cracht om een bataillon piecken te breecken-'. (ld. 27 Augustus 1595.)

2) Zie onderscheidene aanstellingen in het Commissieboek van Leicester en van den Baad van State. (K\jks Archief.)

3) «Commission pour Ie Capitaine Johan Balford ....... une Compagnie de

cent chevaulx asschavoir Cincquante Lanciers et Cinquante Harquebousiers ^ . (Com* missieboek van Leicester, bl. lö.)

Digiti

zedby Google

LVII

Reeds in Augustus 1590 verzocht de Prins aan den Raad van State, dat men de kompagnieën ruiterij op 100 man zou brengen, met uitzondering van die, welke 150 man telden en dezelfde sterkte zouden behouden *).

In Januarij 1591 werd met het oog op den te ondernemen veld- togt besloten, alle kompagnieën 120 ruiters sterk te maken 2), met uitzondering van twee, die op de sterkte van 150 man zouden blijven. De geheele Kavalerie, die toen immers op het papier 1290 paarden sterk was, werd daardoor gebragt op 1620 paarden, verdeeld in 13 kompagnieën, namelijk die van Prins Maurits, van den Prins van Espinoy, van Barchon, Dubois, Kinsky, Paulus Bacx, Etmont, Lespini, Marcelis Bacx, Potlis, den Graaf van Valckensteyn , Sleijer en Balen.

De beide laatsten waren zoogenaamde vanen Duitsche ruiters ') van 150 man.

Kort daarna besloot ook de Raad van State, dat men de Koningin van Engeland zou verzoeken, de vier kompagnieën ruiterij van de hulptroepen, namelijk die van Sidney, Vere, Parker en Pauü eveneens tot op 120 paarden te versterken.

Evenmin als bij de Infanterie bestonden er bij de Kavalerie ten tijde van Maurits regimenten. Uit eene missive, door Hunne Hoog Mogenden in het jaar 1671 aan de Staten van Friesland geschre- ven ^), blijkt, dat er van het begin van den oorlog met Spanje tot het jaar 1635 of daaromtrent geen vaste geformeerde regimenten kavalerie in dienst van den Staat geweest zijn, dat ook toen ver- scheidene provinciën zich nog tegen de invoering daarvan bleven

1) Besol. van den Eaad van State, 14 Augustus 1590.

2) Resol. van de St. Gen., 21 Januarij 1591.

3) Zie over de Duitsche ruiters, v. Hoyer, Gesch. der Kriegskunstjijbl. 292. Een uitvoerige beschrijving van hunne zeer karakteristieke vechtwijze wordt gevonden in: La vraye et entiere kistoire des troubles et choses memorables avenues en tant en Francc qu'en Flandres, et pays circonvoisins, depuis Tan 1562, liv. IX, pag. 273, verso.

4) Deze missive is in haar geheel geïnsereerd in de notulen van de Staten Generaal, van den 26sten Maart 1671.

Digiti

zedbyGoOglê

LVIII

verzetten, en dat zij eerst tegen het einde van den oorlog bepaal- delijk zijn opgerigt.

Evenwel blijkt het, dat er door Maurits nu en dan tijdelijk regimenten Kavalerie geformeerd werden, waarover alsdan aan een der Ritmeesters het bevel werd gegeven ^). Vóór dien tijd vinden wij ook bij de Nederlandsche Kavallerie melding gemaakt van hoogere rangen dan die van Ritmeester. Zoo werd bijv, George Everard Graaf tot Solms, den 27sten Februarij 1586 benoemd tot Overste en Colonel over u vyf kompagnien ligte peerden // ^) , terwijl in een brief van Maurits aan de Staten Generaal van den 6den April 1591 wordt gezegd, dat de Barchon //Luitenant Colonnel van den peerdevolcke is geweest ^). //

Het kader bij eene vaan ruiterij, hetwelk door de Ritmeesters benoemd werd 0> bestond uit:

Een Luitenant, Een Cornet, Een Kwartiermeester, Twee Trompetters, Een Fourier, , Een Hoefsmid.

De bewapening der Kavalerie bestond voor de Lanciers, behalve de lans, uit een rappier en ten minste één wkort roer;// voor de Karabiniers uit een rappier en een // lang of een kort roer. // Spoedig evenwel kwam hierin verandering. Het taktische gebruik, hetwelk men in die dagen van de Kavalerie maakte, wier grootste kracht

1) Journael van Duyck, VII Boek, 17 Junij 1602. Wanneer wij overigeas nu en dan (bijv. in het Journael van Duyck , Il Boek , 4 en 20 Mei 1594 lezen van een tf batail- loui' ruiters, dan komt dat woord .daar in dezelfde beteekenis als «r regiment^ voor, en dient alleen om de tijdelijke vereeniging van eenige kompagnieën aan te duiden.

2) Commissieboek van Leic, bl. 16, verso.

3) Verzameling van bij de St. Gen. ingekomen brieven, 1591. (Rijks Archief.)

4) i^En luy donnans plain pouvoir, authorité et mandement especial de la pour- veoir , d*UDg lieutenant , cornette et aultres officiers » , luidde het in de commissiën voor de ritmeesters der kompagnieën Kavalerie. (Commissieboek van Leic. passinf. Kijks Arch.)

Digiti

zedby Google

LIX

niet zoo als tegenwoordig de snelheid van beweging en den schok gezocht werd, daar de aanval hoogstens in den draf geschiedde, bragt mede, dat het schietgeweer langzamerhand de lans verdrong. Nadat herhaaldelijk de gewigtige uitkomsten waren gebleken, die met de vuurwapenen te verkrijgen waren, werd den Sden Januarij 1597 eene geheel nieuwe bewapening voor de Kavalerie vastgesteld, waarbij de lansen afgeschaft en , behalve het rappier , alleen de kara- bijnen of lange roers en pistolen of korte roers bijbehouden werden. De loop van de eersten moest minstens drie groote mans voeten lang zijn; de laatsten hadden een loop van 20 rijnlandsche roeduimen lengte, die geboord was op een kaliber van een kogel van 30 in het pond, terwijl de kogel zelf -j*y pond woog, of, zoo als men het noemde, zij moesten een kogel schieten van 32 rollende en 30 sluitende in het pond. Beide vuurwapenen waren van radsloten voorzien. Twee jaren later werden er nog eenige minder belangrijke wijzigingen in de bewapening en uitrusting der Kavalerie gebragt^-

De Artillerie.

Voor de Artillerie bij het leger der Staten bestond geene zoo ge- regelde organisatie als voor de Infanterie en de Kavalerie. De reden hiervan lag in de eigenaardigheid van het wapen, dat zich in ver- gelijking met de andere, eerét kortelings had ontwikkeld, en in den aanvang geheel den vorm en de inrigting had van een gilde, hetwelk onder de bescherming van de Heilige Barbara in onderscheidene steden werd opgerigt, waaruit zich langzamerhand eene stedelijke Artillerie ontwikkelde, die onder de leiding der busmeesters, zoo als de gildebroeders genoemd werden, in het geheim aan de vol- making hunner kunst arbeidden, en weldra een krachtig element van verdediging vormden in den tijd toen iedere stad voor een groot gedeelte voor hare eigene veiligheid had te zorgen.

1) Zie de Ordre op de wapening van de compagnien Euyteren Curassiers, voerende de korte roers, en die voor de compagnien Euyteren Harquebousiers , beide van den 6den Februarij 1599. (Groot Placcaetboek , II, bl. 249 en 2B3.)

Digiti

zedby Google

LX

Al zeer spoedig evenwel namen ook de landsregeringen het nieuwe krachtige oorlogswapen in handen, en vermeerderde het geschat in alle rijken naarmate men het belang daarvan meer en meer begon te erkennen. Ook de Staten van Holland bleven hierin niet achterlijk , en zoo kon Willem van Oranje in de laatste dagen van zijn leven reeds over een vrij aanzienlijk materieel beschikken, dat in de magazijnen van Holland te Delft voorhanden was, terwijl te 'sHage, Enkhuizen en Rotterdam geschutgieterijen , te Amsterdam, Pur- merend, Monnikendam en elders buskruidmolens waren opgerigt.

Eene eigenlijke Veld- Artillerie , als integrerend deel van het veld- leger, bestond evenwel niet, en is eerst in veel later tijd ingevoerd. Het aantal stukken en het materieel, dat noodig werd geoordeeld ^), werd bij een op handen zijnde veldtogt vastgesteld en in gereedheid gebragt '); de noodige Kanonniers of Constabels werden ter tijde-

1) Het eigenlijk veldgeschut was gewoonlijk slechts m zeer geringen getale bij het leger aanwezig. Één stuk op de duizend man werd voor rijkelijk gehouden. Bij Turnhout had Maurits vier stukken en bij Nieuwpoort niet meer dan zes. Op den togt, dien hij in 1602 naar de Zuidelijke Nederlanden ondernam, om Ostende te ontzetten , voerde hij met een leger van 18942 man , 12 halve kanous en drie kleine metalen stukjes mede. (Joumael van Duyck, VII Boek, 21 Junij 1602.)

2) ' Item Ton fera ung estat d^aultant de pieces d'artillerie grosses et petites que Son Ëx*^. ordonnera et voudra estre meiiées aux champs avecq aussy la quantité de pouldre, nombre de balies, picques, lances, demi lances, harnas, picques pales, hoyaulx et aultre munition servaut au train de lad. artillerie, avecq aussy Ie nombre des gentilhommes, conducteurs a cheval et a pied, qui auront chascun la garde et conduicte de la munition, comme sera cy apres declaire avec aussy les canoniers et aultres servans a icelle artillerie, les pionniers, chevaulx tant limoniers que rolliers. Le quel estat sera signe de Sad. Ex^. et desd'*. finances , etc. (Instruction et ordonnance advisee etc, pag. 63.)

Somtijds werd ook het geschut geleend van de steden , welke nog altijd hare eigene artillerie hadden, waarover de Staten en de Prins niet konden beschikken. Bij de verovering der steden bleef haar geschut in den regel haar eigendom, terwijl dat van den vijand door de Generaliteit in bezit werd genomen. Dit was bijv. het geval met Nijmegen in 1592. /^ In de stadt sr , zegt Duyck , m werde bevonden een dubble Canon, drie halve Canons, een slange ende XXI cleyne stucken alles van metael, ende noch 11 ofte 12 cleyne ysere stucken, ende omtrent 8000 pont pulvers,

Digiti

zedby Google

LXI

lijke aanvulling van die , welke in vaste dienst waren , aangenomen , nadat omtrent hunne bekwaamheid het advies van den Generaal der Artillerie was ingewonnen.

Deze Constabels ontvingen hunne Commissie regtstreeks van den Raad van State, somtijds alleen voor den tijd, dat de troepen werkelijk te velde waren ^) , en in sommige gevallen luidde hunne aanstelling tot Constabel in eene of andere vesting. Hun tractement bedroeg 10, 16 of 20 gulden per maand.

Aan het bevel over het geschut was reeds vroeg door de vorsten eene onderscheiding verbonden , welke bij voorkeur aan edellieden werd toegekend, hetgeen aanleiding gaf om aan hen, ook al viel later de keuze niet uitsluitend meer op adellijke personen, de be- naming te geven van Edelluyden van het geschut of der Artillerie, die hier te lande tot het laatst der zeventiende eeuw in gebruik bleef.

toecommende de stadt, soe sij seyden ^. 25 Octobris . . . werden de drie halve canons in de stadt gevonden, daer vuyt genomen ende byde batterie van de Gene- nliteyt gevoncbt, om redenen dat dselve by den Prince van Parma daer gelaeten waren, ende de stadt niet thoe en quaemen^. (Joum. van Duyck, IBoek, 22 en 25 Oct. 1592.) Den Ssten Julij 1599 vroeg Manrits aan de stad Utrecht vier stukken geschut voor acht of tien dagen te leen om ten dienste van het land gebruikt te worden , elk voorzien van 300 kogels en het benoodigde buskruid. (Dodt van Flensborg, Archief voor kerk. en wereldl. gesch. , VU, bl. 320). Twee dagen later verzocht de Prins in een schrijven uit Bommel om ten minste twee kartouwen met affuiten, gereedschap, 300 scherp en kruid, met den meest roogelijken spoed tegen recepis van den Controleur van der Does te willen afgeven (ld. bl. 321.)

1) In de aanstellingen der kanonniers luidde het:

#Die Baden van State der Vereenichde Nederlanden noodich bevindende noch enighe goede Canouiers aen te nemen , omme tot dienste van den Lande in den Legher gebruyckt te wordden , ende geinformeert zijnde vande ervarentheyt ende

bequaemheyt van daerop gezien hebbende het advys van den heere

van Famars, Grenerael van de Artillerye, hebben den zei ven gecommitteert ende geaathoriseert, committeeren ende authoriseeren by dezen omme sich als canon ier in den Legher te laten gebruycken , daer ende zoo hem ten dienste van den Lande geordonneert zal worden. Op een tractement van twintich ponden van veertich grooten vlaems tstuk ter maent, zoo langhe hy in den Legher te velde zal wezen, ende nyet Lmgher , enz. (Commissieboek van den Baad van State, bL 139 verso, e. a.)

Digiti

zedby Google

LXII

Het opperbestuur over het geschut en al wat daartoe behoorde werd gegeven aan een Meester Generaal der Artillerie, een titel, waarvan de herinnering nog is blijven voortleven in de benaming van Grootmeester der Artillerie, die tot in onzen tijd is blijven bestaan.

Ten tijde van Maurits was de benaming Generaal der Artillerie in gebruik. Volgens de instructie van den Sisten Maart 1599 ^) had hij de // superintendentie , opsicht ende gesach over het grof geschut met syne equipage , materialen , instrumenten ende munitien van oorloge // , mitsgaders over de officieren , handwerkers , pionniers en arbeiders; over de ponten, trek- en lamoenpaarden ; over de constabels en kanonniers en in 't algemeen over het geheele personeel der Artillerie. Hij moest uitvoerige registers aanhouden van al het personeel en materieel, en deelde met voorweten van den Raad van State de constabels en kanonniers in de grenssteden en garnizoenen in, waar zij naar zijn oordeel de meeste diensten zouden kunnen bewijzen.

Bij het aannemen van nieuwe kanonniers werd zijn advies inge- roepen en was hij verpligt hen eerst // wel ende scherpelick te exa- mineren op hare wetenschap ende er varen theyt/7. Hij moest de noodige maatregelen nemen , wanneer er geschut moest marcheren , dat zulks met den meesten spoed geschiedde en dat het behoorlijk geconvoijeert werd, omtrent welk laatste punt hij in overleg moest treden met den Kapitein Generaal. Bij belegeringen was het zoeken van de emplacementen voor de batterijen even als het aanleggen of het aanbesteden daarvan aan zijne zorg opgedragen , en bleef hij , wanneer het vuur tegen de vesting geopend was, het algemeene toezigt daarover houden. Was de vesting veroverd, dan zorgde hij voor het in bewaring nemen van het aanwezige artillerie-materieel en bij het opbreken van het leger gaf hij de noodige bevelen tot het opladen of inschepen van al wat tot de Artillerie behoorde. Hij was bovendien verpligt, eens in het jaar de frontierstedeu , vestingen en forten te inspecteren, om te zien of de Artillerie en

1) Groot Placcaetboek, H, bl. 328.

Digiti

zedby Google

LXIII

de munitie zich in behoorlijken staat bevonden; tot de noodige herstellingen moest hij last geven en daarvan bij zijne terugkomst eene beknopte opgave doen.

Het was van oudsher, ook hier te lande, gebruikelijk, dat de klokken van de veroverde vestingen gegeven werden aan den Gene- raal der Artillerie , welke gewoonte evenwel in het laatst der 16de eeuw werd afgeschaft. De Heer van Famars deed nog in 1691 zijn vermeend regt op de klokken en de aangebroken tonnen buskruid in een rekwest aan de Staten Generaal gelden O l °iaar zijn verzoek werd afgewezen met betuiging van den Raad van State aan de Staten Generaal, die het rekwest om advies gezonden hadden //dat men niet en weet te spreecken van eenige ordonnantie militair 't synen propooste dienende // ^).

In de instructie voor den Generaal der Artillerie van den Sisten

Maart 1599 staat uitdrukkelijk in Artikel 14: // sonder dat

de Meester Generael aen alsulck Geschut i/ (uit de veroverde plaat- sen) ff al waer 't ghebroocken ofte geborsten , wapenen , materialen , ofte oock eenige kloeken , 't zij groot ofte kleyn , yetwes voor hem selven sal hebben te pretenderen , onder deksel van emolumenten , ofte andersins in wat manieren het zy f/ ').

De betrekking van Generaal der Artillerie werd eigenlijk slechts alleen vervuld gedurende den tijd, dat het veldleger op de been was. Van exercitiën, zoo als bij de overige wapens plaats hadden, van proefnemingen, die aan zijne leiding zouden toevertrouwd zijn, vinden wij geen spoor. Hoogstens moest hij de nieuw aan te nemen kanonniers examineren, doch wat van zoodanig examen te wachten was, laat zich afleiden uit de bijvoeging, dat hij //is 't noot, hen-

1) ir Die Heeren van Keenenburg ende Pauli instaende , geven aen , dat die Heere Tan i'amars aen Syne Ex^^* . versoekt ende pretendeert groote gerechticheden ; als Generael van tgeschut , soo van syne gedaene diensten voor de ingenomen plaetsen als voor toekomende, namentlyck de doeken, ook die tonnen van Pulvers die opgeslagen syn ende andersints^. (Besol. van den!Raadvan State, 12 Maart 1591.)

2) fiesol. der St. Gen., 6 April 1591.

3) Gr. Placcaetboek , II, 1. 328.

Digiti

zedby Google

LXIV

luyden een proeve met een grof stuck zal laten doen, omme geen onbequame aen te nemen //.

Om den Generaal der Artillerie bij zijne afwezigheid te vervangen , werd bij het begin van den veldtogt gewoonlijk een Luitenant der Artillerie aangesteld ').

De Artillerie bleef, ook na hare meer bepaalde vereeniging met het overige gedeelte van het leger , haar karakter van gilde behouden : de wetenschap, later in de zoogenaamde constabel-boekjes neer- gelegd, werd door den meester aan de gezellen en leerlingen onder- wezen. Even als de smids-, timmermans-, wagenmakers-, lijn- draaijers- , kuipers- , mandemakers- en andere gilden hunne werklieden aan de Artillerie leverden wanneer er een veldtogt op handen was, zoo werden ook de buitengewone constabels voor dien tijd aange- nomen en na het eindigen van den veldtogt weder ontslagen.

De gewigtigste betrekking na die van den Generaal en zijnen Luitenant, was die van Contrerolleur van het geschut, die met het opperste toezigt over en de verantwoording van het artillerie-materieel belast was, een naamlijst van al de kanonniers te velde moest aan- houden, en wat het administratieve gedeelte betreft, nagenoeg de- zelfde instructie had als de Generaal der Artillerie -). Hij hield de algemeene registers van het materieel van den lande, waartoe de

1) K Comme ainsi soit que pour la deffense des provinces unies et pour faire teste a lennemy, avons trouvé expediënt de dresser en ceste premiere saison ung camp et qu'a ceste cause soit besoing de commettre quelque personne idoine et qualifiée a Testat de lieutenant de Tartillerie , scavoir faisons que ce considéré et pour Ie bon rapport qui nous a esté faict de Tartillerie, Avons, ladvis de ceulx du conseil d'estat, ensemble par l'advis de messire Charles de Levin , Seigneur de Famars, M". General de la dicte artillerie, Icelluy Nicolas Pluncquef commis et establi , commettons et establissons par ceste au dict estat de Lieutenant , En luy donnant plain pouvoir autborité et mandement especial pour en absence du dict M". General deservir ledict Estat, vacquer et entendre au faict et conduicte dicelle artillerie , Ie tout suivant Tlnstruction ce dressée ou que Ion pourra dresser cy apres etc*. (Commissieboek van Leic, bl. 28 verso.)

2) Zie de Commissie voor Jan Pauli als u Contrerolleur van tgroff geschut ende wes voirts den treyn desselffs aengaet^sf. (Commissieboek van den Baad van State, van 1588—1591, bl. 138.)

Digiti

zedby Google

LXV

Commiesen Stapeliers van de magazijnen te Dordrecht en te Delft *) en alle andere Commiesen van amunitie hem de vereischte opgaven moesten doen. ' Hij had een tractement van 30 gulden in de maand. Bij het leger te velde bevonden zich steeds twee Conmiiesen , waarvan de eene de Commies van de Artillerie al het grof geschut met wat daartoe behoorde , en de andere de Commies van amunitie het kruid en lood en de lonten voor de Infanterie en Kavalerie, de draagbare wapenen , gereedschappen , het hout- en ijzerwerk , de stormbruggen enz. onder zijne bewaring had ^).

Zij namen een zeker aantal Conducteurs aan, die gedeeltelijk bereden waren , wier dienst bestond in het overbrengen der munitiën naar de plaatsen , waar zij noodig waren , als de batterijen , de loop- graven , enz. , terwijl overigens aan ieder hunner het toezigt gegeven was over een onderdeel van den voorraad materieel, die mede te velde genomen werd ^). De werkmeesters moesten de benoodigde gereedschappen bij hen ontvangen en weder inleveren.

De edellieden van het geschut voerden het bevel over een of meer stukken, zoo te velde als bij belegeringen. Zij werden tegen het openen van den veldtogt gewoonlijk ten getale van twintig beschreven *).

De Kanonniers of Constabels *) waren bestemd voor de eigenlijke

1) Zie de instructie voor den Commies-Stapelier van de magazijnen van ammu- nitieii tot Delft, en de commissie voor Huyck Cornelisz. van *8 Qravesande. (Com- missieboek van den Raad van State van 1588 1591, bl. 70.)

2) Zie de commissie voor IJsbrand van der Does, als Commies van ammu- nitiën. (ld., bl. 137.)

3) # Si comme Tun des cuvelliers aura la pouldre en garde , ung aultre les boulletz , ung aultre les picques , hallebardes , lances , corseletz , harcquebutes , meisches et aultres cboses y servans, ung aultre les picques pales, hoyaulx, congnees^ ferremens, et ainsy en avant selon qu*il y aura beaucoup de munition, et que Ie train est grand'. (Instruction et ordonnance advisée etc, uit het Instructieboek 1586—1588, bl. 61 verso. Rijks Arch. M. S.)

4) Militaris instructien en ordonnantien, bl. 21, op het Rijks Archief. M. S.

5) De woorden konstabel en kanonnier worden meestal willekeurig voor dezelfde betrekking gebezigd. Aanvankelijk evenwel schijnen de konstabels eene soort van onderofficieren geweest te zijn, en zelfs in den tijd, dat het onderscheid niet meer

Digiti

zedby Google

LXVl

bediening van de stukken. Zij waren of permanent in dienst (Ordinaris Canoniers) en dan in de vestingen en forten in garnizoen , of wel zij werden voor den tijd van een veldtogt of belegering aan- genomen (extra-ordinaris). In beide gevallen ontvingen zij even als de OflBcieren eene afzonderlijke Commissie. Tot de dienst op- geroepen, moesten zij zich voorzien van een telstok, lontstok, kruidhoorn, ruimnaald en passer ^). Aan hun hoofd was gesteld een zoogenaamde Veld-Constabel ^).

Waarschijnlijk is deze Veld-Constabel dezelfde, die elders Meester! Constabel genoemd wordt, met het opzigt over de anderen belastj was, en dagelijks de batterijen moest langs rijden. Hij hield eene jijst aan, waarop al de kanonniers, die men in dienst had, nomi- natief vermeld stonden, opdat hij altijd den Generaal zou kunnen inlichten , waar de beste Kanonniers te vinden waren.

Men rekende in den regel op ieder stuk geschut twee Kanonniers ^i terwijl de verdere bediening bestond uit handlangers , die gewoonlijl^

algemeen in acht genomen werd, vinden wij hier en daar de constabels en kanon^ niers nog afzonderlijk genoemd. Zoo werden er in September 1591 tot bedieninj van acht stukken geschut, die ter ondersteuning van Hendrik IV naaf Frankrijl gezonden werden , gedeputeerd : eene commissie voor » Claes Beeckman als conj nestabel » , en voorts commissicn fr voor de canonniers tot negentien in getale » (Hes. St. Gen., 7 Sept. 1591.)

1) Groot Placcaetboek, II, bl. 337.

2) i^Ende opdat alles met beter ordre geschieden, sal de Veldt-Ck)nstabel q alle canoniers van 't Leger particuliere opsicht hebben , ende op yeders goet devoir enz. (Groot Placcaetboek, bl. 338.)

3) » Item les gentilhommes de TArtillerie seront soubz Ie Maitre , en son absent soubz Ie Lieutenant, et auront Ie soing et conduite des pieces d'Artilleries ainj que led. Maitre et en son absence Ie Lieutenant leur ordonnera avecq les canni niers ordonnez a scavoir pour chascune piece deux ». (Instruction et ordonnani advis^e, pag. 63 verso.)

In 1599 werd bepaald, dat bij ieder stuk in batterij twee of drie kanonniers zoud< gesteld worden , en zoo veel timmerlieden , bootsgezellen en arbeiders » om tzelve wenden, keeren en handelen als van noode zal wezen ff. (Groot Pkccaetboek, I bl. 828.-— Zie ook de Instructie voor de bootsgezellen van 't geschut, id. , bl. 3411

Digiti

zedby Google

tXVJtl

uit het scheepsvolk geBomcQ vtrerdoQ en baotsgezalloo van 't geschat werden genoemd ^).

Wanneer het leger te velde ging werd nog bovendien het vol- gende personeel bij de Artillerie aangenomen:

Twee meester timmerlieden, elk met 80 a 36 of meer goede timmergezellen, ieder met zijn gereedschap ^);

Twee meester Smids met twee knechten;

Twee Wiehnakers met ieder een kiuecht;

Een Kuiper;

Een Schanskorfmaker met een knecht;

Een Rijswerker;

Een Lijndraaijer of Gareelmaker;

Drie of vier hamiqueurs of affuitsmoarders , die belast waren om, zoowel op marsch als anders , altijd bij hot gesehut te zijn om het oog te houden op alle touwwerk > haamknuppals en ander tuig van de trekpaarden, het zoo noodig te repareren en de assen en raderen goed gesmeerd te houden.

In het laatst van 1591 werden op varaoek van Hendrik IV ^)

1) # Tot bet geschut te bewegen en te steOen hebben sy (de Stuten) Uoeck schips- Yolck uitgekoren, die sy daertoe specialijcken deden aennemen en onderhouden, beyindende dat volck seer bequaem ende gheschickt om het gescbut in de schepen te kden, weder te lossen, planten, vervoeren, en dat zelfde metter handt, bij gebreck van paerden, in noodt treckende over alle Dijeken en Morassen: Item dat te planten ende afleschieten , en voorts alles wat tot het gesehut behoort, met eene wonderlijcke behendigheyt-r. (Van Meteren, Hist. der Nederl., XVI, bl. 295.— Editie van 1663.)

Voor den veldtogt van 1591 werden 500 bootsgeseflea aangenomen iromme b^ H geschat te gebruycken », (Joumael van Duyck, in ds inleiding van 't jaar 1593.)

2) De meester timmerman voerde het bevel over al de timmerlieden en hunne knechts, had het opzigt over het werk, dat door hen gedaan werd, en deed verant- woording van de materialen en het gereedschap. (Zie het Commissieboek van het Raad van State van 1588—1591 , bl. 50.)

3) i'Exhibë a Tassemblee de messieurs les etats generanx par Ie sleur ambassa* deur de france, de Buzanva), Ie 2S de Juin 1591 «r. (Bc^gister viin ingekomen brieven, bl. 286 verso. Bijks Archief.)

Digiti

zedby Google

Lxvni

vier heele en vier halve kartouwen naar Frankrijk gezonden om ge- bruikt te worden bij het beleg van Rouaan.

Daarbij waren ingedeeld: //een edelman met een substituut om te kommanderen , een commis met 5 conducteurs , een M' tymmerman met 4 andere goede werklieden, 2 harnacqueurs , een cuyper eo 16 canonniers//. Verder werden medegenomen: //boven d'ordinaris affuten, 2 affuten voor heele en 2 affuten voor halve cartouwen, 2 paar raders tot heele en 2 paar raders tot halve cartouwen; 64000 pond kruid voor 4000 schoten, 4000 kanonkogels en 16000 pond lonten//. De kosten waren geraamd op 50000 gulden ^).

Later werden behalve het hier boven vermelde personeel nog aan de Artillerie toegevoegd vier of vijf petardiers, die in een daartoe aangewezen huis buiten den Haag hunne petarden moesten maken en daarmede het leger te velde volgen ^).

Bovendien had de Generaal der Artillerie onder zijne bevelen eene of meer kompagnieën pionniers ook esplanadeurs genoemd ^) ieder ter sterkte van een kapitein, een luitenant, twee korporaals, een tamboer en 50 man in gewone dienst, die wanneer het leger te velde was met nog 30 gravers vermeerderd werden, en vooral bij het transport te lande van het geschut en de voertuigen tot verbetering der wegen als anderzins werden gebruikt. Na den veld- togt van 1591 vooral werd door den Raad van State op de ver- meerdering van pionniers aangedrongen, «'die welcke in de voer- gaende tochten grootelycx van doene zyn geweest ende voertaene niet gemist en zullen kunnen wordden // ^).

1) Resolutiën der Staten Generaal, 1 en 9 Augustus 1591.

2) Eene uitvoerige beschrijving der toenmalige petarden vindt men bij Strada» Hist. de la guerre des Pays Bas, II, pag. 746.

3) Item les pionniers qui seront retenuz en service en TArtillerie seront parti- culierement soubz la charge du M". d'Icelle. (Instruction et ordonnance advisée.) In Julij 1586 werd Jan Duyck aangesteld tot Overste en Colonel van alle de Nederlandsche pionniers. (Commissieboek van Leic, bl. 85.)

4) Resolutie der Staten Generaal, 5 November 1591. Begbter van ingekomen brieven, bl. 495 verso.

Digiti

zedby Google

LXIX

Tot het transport te water werden gewoonlijk vijf of zes scheeps- kapiteinen met hunne ponten en pleiten aangenomen.

Zij bleven, ieder met ongeveer 70 a 80 man van hun bootsvolk, altijd bij het geschut.

Een provoost van de Artillerie had het opzigt over de schepen en moest in het bijzonder er voor waken, dat geen materieel werd ontvreemd. Eindelijk was bij de Artillerie te velde een Chirurgijn ingedeeld *).

Dat een Veldheer als Maurits bij de bijzondere gesteldheid van het oorlogstooneel , waarop hij werkzaam was, eene bijzondere zorg aan het ponton wezen wijdde, behoeft wel niet gezegd te worden^).

Het opzigt over dit belangrijk gedeelte van het legermaterieel was opgedragen aan eenen Brugmeester, die al de ponten voor het grof geschut, de schepen, aken, schuiten van de schipbrug, de zeilen, kabels, touwen, enz., onder zijne bewaring had ^). Bovendien was er een bijzondere Commies of Opziener van de schepen aangesteld.

Ook voor bruggen, die bij belegeringen tot het overtrekken der grachten moesten dienen, werd het noodige materieel medegevoerd. Herhaaldelijk vinden wij bewijzen, hoe Maurits ook hierin gewigtige

1) De dienstverrigtingen voor de onderscheidene aan het wapen der Artillerie verbonden personen worden aangegeven in de » Instmctie voor de gemeene officieren van den train van de Artillerye ^c (Groot Placcaetboek , IT, bl. 333.)

2) irZ. Exc. heeft aan de Staten van Holland sonderling gerecommandeerd om eene schipbrug te maken. Die hebben Comelis Maas belast een specificatie te maken van 't geen daartoe noodig zou zijn^'. (Eesolutie van den Baad van State, 16 November 1590.)

In het meermalen aangehaalde manuscript: Militaris instructien en ordonnantien enz., komt op bl. 20 verso voor eene ir Lijste van behoeften bij Zijn Ex®", in 'tjaer 1605 noodigh bevonden om een vloth te maecken over een rivier van 2000 voeten breet, die de twee leste jaeren mede te velde hebben geweest, ende bij Schenkenschans over de Wael en Bijn gelyck zijn geslaegen^r en op eene «^Gene- raele Lijst van de materialen ende behouften desen aengaende, soo men ordinaris plach te velde te nemen, (bl. 17') worden vermeld: f^ Biese bruggen van vijtftich stucken, yder stuck lanck 10 voet, breet 6 voet //.

3) Zie de Instructie van den Brugmeester van den 31sten Maart 1599. (Groot Placcaetboek, H, bl. 354.)

Digiti

zedby Google

verbeteringen trachtte in te voeren en te dien einde vele proef- nemingen liet doen ^).

Wanneer men den oorsprong en de ontwikkeling der Artillerie in aanmerking neemt, dan is het zeer natuurlijk, dat er eene groote verscheidenheid van geschutsoorten bestond, die zoowel in kaliber als in zwaarte, lengte en uitwerking verschilden. De nadeelen, die daaruit voor de praktijk ontstondai, waren dan ook te gewigtig, om niet tot vereenvoudiging te leiden. Hoewel wij er nergens de onmiddellijke bewijzen voor gevonden hebben , is het toch meer dan waarschijnlijk, dat de krachtige organiserende geest van Maurits ook op dit veld werkzaam geweest is , en dat hij in dit even als in de overige onderdeden van de leger-inrigting , eene regelmatigheid in het leven heeft geroepen, die vroeger niet bestond.

Immers terwijl wij in zijnen tijd nog gewag gemaakt vinden van eene menigte verschillende kalibers, als van 48, 3C, 24, 18, 12, 10, 7, 6 pond enz., treffen wij in het leger, waarmede hij zijne veldtogten in 1591 begon, slechts drie soorten van geschut aan, namelijk :

de heele kartouw (of het heele kanon) van acht en veertig pond;

de halve kartouw (of het halve kanon) van vier en twintig pond;

bet veldstuk van 12 pond.

De beide eerste gesóhutsoorten werden stukken van batterie (be- legeringsgeschut) genoemd *).

Als uitzondering vinden wij nu en dan melding gemaakt van Valkonetten (ligtere veldstukken van zes pond) ; van drielingen , ook

1) Zie over de {H'oeven met stonnbragf^en van kark bet Journael van Duyck , III Boek, 12 en 18 Jalij, 6 en 8 October 1597.

2) *Btenwick ist mitt ganz ünd halben Carthaunen beschossen worden, welche fast uf der alte manier gemacht gewesen , welche sie alhier besser als Kürtze und Mchte stück en veltt oder ein orth zu beschisen halten, diewyll sie nicht weitt znrück lauffen, auch besser zwisch den schantzkorben und durch die brustwehren (wie ich seibste mit Vleischz darauf achtung gehabt und gesehn) können gebrauchtt werden *f. (Brief van Jan de Jonge , Graaf van Nassau , aan zijnen vader Graaf Jan de Oude; zonder datum, maar ontvangen te Dillenburg, den 25sten Julij J692. Archief van Z. M.)

Digiti

zedby Google

LXXI

wel fransche kartouwen genoemd, die 36 pond ijzer schoten en meest tot bewapening der vestingen dienden , daar zij te zwaar waren om te velde te worden medegevoerd en te ligt om bres te schieten; van ISponders, die gewoonlijk voor scheepsgeschut dienden, en een enkele keer ook van lüponders, die ook tot het veldgeschut werden gerekend. Met uitzondering van de drielingen waren alle deze stukken van brons.

Behalve deze kanons gebruikte Maurits bij zijne belegeringen ook mortieren. ,

De heele kartouw (48ponder) was geboord op een kaliber van 52 pond; de lengte was 11 -f Mechelsche of 10^^ Rijnlandsche voeten*); het gewigt 150 maal de kogelzwaarte (7000 a 7200 pond). De gewone lading bedroeg 20 pond kruid, waarmede men de vol- gende uitkomsten verkreeg:

het kemschot (in 't poyn-blanck) 250 geometrische passen

ff vizierschot (horisontaal met de spijs) 500 // //

onder 45 graden 2913 // //

(ledere geometrische pas van 5 geometrische voeten).

Men rekende dat een heel kanon in 12 uren tijds 100 of ten minste 80 schoten kon doen, waarbij het elke 10 of 12 schoten met natte haren kleeden werd afgekoeld.

Het was bespannen met 31 paarden (15 span en een lamoenpaard).

De halve kartouw (24ponder) was geboord op een kaliber van 28 pond; de lengte was lOJ Mechelsche (9|ff Rijnlandsche) voe- ten; het gewigt omtrent 190 maal de kogelzwaarte (4500 pond).

De gewone lading bedroeg 12 pond kruid, waarmede de volgende uitkomsten werden verkregen:

het kernschot op 200 passen; ff vizierschot // 400 ff onder 45° 2585 //

De halve kartouw werd bespannen met 23 paarden (11 span en een lamoenpaard) ^).

1) Be Mechelsche voet was f^ Bijnlandsohe.

2) Somtijds waren de halve kartouwen met veel minder paarden bespannen.

Digiti

zedby Google

LXXII

De velds tukken (12ponders) waren geboord op 14 pond; hunne lengte bedroeg 8| Mechelsche (7|^ Rijnlandsche) voeten; hun | gewigt was 266 maal de kogelzwaarte (3200 pond)

7-

De uitkomsten van het vuur met de gewone lading waren: !

het kernschot op 150 passen; i

// vizierschot if 300 v !

onder 45"» 1900 //

Het veldstuk werd met 11 paarden (5 span en een lamoenpaard) bespannen.

De valkonet, (6ponder op een kaliber van 7 pond geboord) woog 2100 pond, dus ongeveer de helft van het gewigt der halve kartouw. Daar zij bijna 'even lang was als deze (10 Mechelsche voeten), moet zij aanmerkelijk minder ijzerdikte gehad hebben. Haar kern- en vizierschot (met eene lading van 4 pond) was gelijk aan die van de halve kartouw. Zij was met 7 paarden bespannen.

Uit de mortieren werden granaten van 100 pond, groote brand- kogels en steenen geworpen ^), maar de afstand welke men bereikte, bedroeg geen 600 pas ^). De bommen werden, wel is waar, nog niet veelvuldig gebruikt, maar waren toch reeds sedert ongeveer eene eeuw bekend *). Dat men de buizen temperde naar gelang l van den te bereiken afstand, blijkt uit hetgeen Duyck den 28sten i Augustus 1592 bij gelegenheid van het beleg van Koeverden schrijft : i //Men schoot desen dach eenige vierballen, doch sonder effect,

het beschrijven van den marsch van Maurits naar Bislich in 1595, zegt Duyck: f Hiemaer volchde 't geschut ende alle de carroye , hebbende elcke halve canon j soe 16 als 17 peerden ende de veltstukken 11 peerden ü^. (Journael, 26Aug. 1595.)

1) «rDes nachts werden (bij het beleg van Groningen) mede geplant beoosten den heerwech 2 mortierstucken om vierwerck ende granaeden ende oock steenen in de stadt te doen werpen en de begonstet mette mortieren noch dien nacht keyen in de stadt te schieten /i^. (Journael van Duyck, II Boek, 20 Junij 1594.)

2) Delprat, Verband, over de vorderingen in den aanval en de verdediging: der sterke plaatsen.

3) Zie Hoyer, Gesch. der Kriegsk., I, bl. 262, waar hij de onjuiste opgave van Sjrada ook bij verscheidene onzer schrijvers gevolgd dat de uitvinding door een burger van Venio zou gedaan zijn, verbetert.

Digiti

zedby Google

liXXIII

eensdeels omdat men meent, dat de ballen niet wel getempert en syn, overmits dselve al te vrouch branden ende dickwils geconsu- meert syn eerse nedercommen ende eensdeels omdat den M'" geen propositie en hielt om die te werpen, d'eene reyse die te corte werpende, ende d'andere reyse over^.

In 1602 schoot de bezetting van Ostende tdt hare kanons kar- tetsen van musketkogels in sterk zeildoek gewikkeld. Ook vinden wij nu en dan melding gemaakt van vuurpijlen, die echter aan- vankelijk niet bijzonder schijnen voldaan te hebben ^). Later even- wel kwam hierin eenige verbetering, daar de fachinendammen en borstweringen der Spanjaarden voor Ostende door vuurpijlen in brand geschoten werden ^).

De inrigting der affuiten en van het verdere artillerie-materieel was een onderwerp van Maurits bijzondere zorg, en terwijl men nog in het jaar 1 590 het veroverde geschut tot model nam ^) , vin- den wij later vele gewigtige verbeteringen als het resultaat van de verkregen ondervinding en van zorgvuldige proefnemingen aangebragt. Zoo liet de Prins de affuiten van kistjes voorzien, bevattende 6 kardoezen , G kogels , een buskruidmaat en een kruidhoorn. Tusschen de zijwangen van het affuit werd eene kist aangebragt, waarin twee spaden, eene groote en eene kleine bijl, een houweel, een koevoet, een stelhout en een lontstok.

De paarden, welke tot bespanning van het geschut en de andere voertuigen noodig waren, werden slechts voor den tijd dat de veldtogt duurde in dienst genomen , en zoodra het leger uit elkander ging, weder afgedankt. De zorg daarvoor was opgedragen aan een commies van de togtpaarden die 20 of 30 conducteurs onder zijne bevelen had.

1) Journaal van Duyck, I Boek, 21 Junij 1593.

2) Diego Uffano Trattato della artilleria y uso d'ella , Bruxellas 1613 , III , cap. 23.

3) Duyck zegt in de u corte voorrede // van zijn Journael , dat de Staten » de maniere ofte faetsoen niet en hadden, daernaer men aUe affuyten ende andere gerectschap maeken mostte, 't welcke liaere wcrckluyden vuyt dese veroverden affayten lichtelijcken geleert hebben ü^.

Digiti

zedby Google

LXXIV

Deze requireerden de benoodigde paarden , die dus eigenlijk slechts voor onbepaalden tijd gehuurd werden. De eigenaars waren verpligt , bij ieder span paarden een knecht te leveren en er twee gareelen en twee paar strengen bij te voegen. Wanneer deze laatsten ont- braken, werden zij door het land verstrekt en van de huurprijs gekort. Alleen het tuig van de lamoenpaarden , dat omtrent 40 gulden kostte , behoefde om den hoogen prijs niet geleverd te worden. Om te voorkomen, dat de paarden voor andere einden, als tot bespanning der zoetelaarswagens enz., werden gebruikt, werden zij met een braudteeken, waar een kanon op stond, gebrand.

Op dezelfde wijze als de paarden werden de noodige wagens door den Wagenmeester in dienst genomen ^). Buitendien werden er somtijds paarden ten gebruike van het leger aangekocht ^).

Ingenleiirs en Mlneiirfl.

De werkzaamheden, welke bij een leger te velde in onzen tijd aan de Genie, als een op zich zelf staand gedeelte van het leger worden opgedragen, stonden in den tijd van Maurits onder het algemeen toezigt der Artillerie. De aanleg daarentegen van nieuwe fortificatiewerken, zoowel vestingen als forten, en het onderhoud der reeds bestaande, werd door den Raad van State of den Opper- bevelhebber van het leger opgedragen aan Ingenieurs, die den titel

1) II ende resolveerde men den 24 Sepiembris, dat men den 8 Octobris

mettet leger tot Doesborch soude wesen, daer men eer niet commen en konde omdat men waegens ende treckpeerden met meenichte soude moeten hebben, die soe op een stont niet te becommen en waeren, waeromme men den 26sten vuyt sondt den Waegenmeester Claes de Wael om te huyren tgetale van 500 waegens ende last gaff om aen te nemen 400 treckpeerden om daermede 22 ofte 23 stucken geschuts te lande te moegen voeren, daer men die begeeren sondeer. (Journael van Duyck, Il Boek, 28 Sept. 1594.)

2) ii\% goetgevonden dat men door den Commis Moyal aen handen van den voorsz. de Jongh sal doen tellen 250 ponden onmie daermede twaelff arbeytspeerden te koopen//. (Besol. v. d. Raad van State, 20 Augasius 1590.)

Digiti

zedby Google

LXXV

voerden van Meester Ingenieur, ook wel Fortificatie-meester of Ingeniaris ordinaris genoemd ').

Eene andere betrekking, die dikwijls met die van Ingenieur werd vereenigd, was die van Meester-mineur, ook wel Kapitein van de Mineurs genaamd, aan wien alle werkzaamheden tot den mijnen- oorlog behoorende, zoowel bij de verdediging als bij den aanval van vestingen opgedragen werden ^).

1) Zie de commissie, den 21sten Julij 1588 gegeven aan M'. Pieter Timmer- mans, als Ingeniaris ordinaris, ^r omme soe dikwils hem sulcx geordonneert sal worden 8ich te laten vinden in alle steden , casteden ende schantzen om aldaer te visiteren de fortificatien , ende opt onderhout derselver ende oock om nieuwe te maeken allen goet advys te gheven ende de selve in werck te stellen ende te vorderen soe hem sulcx belast wordt. Oock den crychsoversten tallen tyde te dyenen met syn goet advys ende vernuftheyt tzy in vuyrwercken oft andere handwercken ende behendic- heden des hy sich is verstaende », Zijn tractement was 40 gl. in de maand. (Com- missieboek van Leic, bl. 17 verso.) Ten tijde van Maurits' eerste veldtogten had de Hepubliek nog den uitstekenden Adriaan Anthonieszoon in dienst, die eerst door Prins Willem I aangesteld als Ingenieur en Eaad der foiüficatiën, naderhand den titel voerde van Sterk te-bouwmeester der Vereenigde Nederlanden en de ontwerpen gemaakt heeft van de meeste sterkten in zijnen tijd aangelegd, als bijv. van de Bourtangerschans , de Bellingwolderschans , de Schenkenschans, Enkhuizen, Lingen, ïïarlingen, enz. (Vriemoet Athenae Frisiacae, pag. 98.) Hij was een uitstekend wis- en sterrekundige , die groote diensten bewees bij het beleg van zijne vader- stad Alkmaar, waar hij de betrekking van Schepen en daarna verscheiden jaren die van Burgemeester bekleedde (Boomkamp, Alkmaar en deszelfs geschiedenissen). Vijf en veertig jaren later werd hij door Maurits weder in de Vroedschap dier stad aangesteld. (Brandt, Historie der Reform., II, bl. 858.)

2) #Robert etc. Comme pour Tadvancement de notre service arons trouvé con- venir d'avoir quelques mineurs pour besoigner en terre , tant en villes assiegées que siegement d'icelles, scavoir faisons que pour Ie bon rapport que faict nous a esté de Ia personne de Adrien de la Croix et de son idoineté et experience au faict des mines, mesmes d'avoir esté encloz en la vilie de Maestricht et y avoir faict preuve de son art. L'avons commis et retenu, commectons et retenons par cestes pour M' mineur avec aucthorisation pour tant mieux effectuer sa dicte charge lever trente mineurs pour servir en dessoubz luy au traictement asschavoir pour sa per- sonne a Tadvenant de cincquante livres de XL gr. pour Ie dict de la Croix et pour les aultres trente mineurs dixhuict semblables livres Ie tont par mois , et en besoignant aox mines anront augmentation jusques trente livres par mois dont ils seront tenuz

Digiti

zedby Google

LXXVI

Hij voerde het bevel over het Korps Mineurs, dat onder het opzigt stond van den Controleur van het geschut *), en waarbij sedert oudsher gewoonlijk Luikerwalen werden in dienst gesteld, wier aantal naar gelang van de behoefte vermeerderd of vermin- derd werd.

Het traktement van ieder mineur was achttien gulden , en wan- neer hij in de mijnen werkte werd het hem berekend tegen dertig gulden in de maand.

De loopgravenarbeid bij belegeringen behoorde geheel en al tot den werkkring van den Generaal der artillerie *).

Zoo als reeds vroeger gezegd is, voerde Maurits, daartoe voor- namelijk aangespoord door Willem Lodewijk, bij zijn leger de gewoonte in om den schansarbeid door zijne soldaten te doen ver- rigten. Voor het opwerpen der circumvallatie- en contravallatie- liniën, iets dat tot hunne eigene veiligheid en bescherming tegen den vijand diende, werd hun geen afzonderlijke betaling gegeven, doch het delven der loopgraven en gallerijen, het opwerpen van batterijen, schansen, katten, in één woord, al wat tot de eigenlijk gezegde belegering behoorde , geschiedde tegen daggeld , tenzij er afzonderlijk pionniers voor dat werk aangenomen waren, of wel,

d^apporter rectification du general de rartillerie ou son L*^* des jours par eulx ouvrez auxdits mines ensemble passer monstre soubz rolle endroict leur gaiges susd^ par devant Ie commissaire des monstres de rartillerie sy aulcun y at, sin on par ledit general ou lieutenant comme dict est^r etc. (Commissie voor André de la Croix, van den 2den Julij 1586 in het Commissieboek van Leicester, bl. 51 verso.) Op den Staat van Oorlog van 1588 en 1589 (Rijks Archief) komt Andries de la Croix voor als Kapitein van 31 mineurs.

1) ir De heeren Staten hebben noch in ordinaris dienst een Comp^ mineurs sterck dertich persoonen , welcke den Controlleur "van de artillerie bevolen wort int leger synde te monsteren, ende opsicht te nemen off sy oock conform de rollen ende lysten van betaelin ge sterck syn^'. (Militaris instructiën en ordonnantiën , bl. 24.)

2) /^Item led. M' et soubz luy Ie Lieutenant et Prevost de Tartillerie conduiront les trenchiez avecq Ie M' des trenchies et aultres officiers, et feront les approches aux ville chasteaux et places et ordonneront les bateries ainsy que par Ie Capp" general, aura estë commandé/'. (Instruction et ordonnance advisée. Instructieboek van 1586—1588, bl. 63 verso.)

Digiti

zedby Google

LXXVII

het werd aanbesteed aan aannemers, die dan op hunne beurt de werklieden moesten betalen '). De soldaten, tot het werk gekom- mandeerd , ontvingen boven hunne soldij , het voor dien tijd zeer aanzienlijke daggeld van 10 a 15 stuivers '). Wanneer men digt bij de vesting kwam, en het graven dus zeer gevaarlijk werd, werden de approches dikwijls^bij de roede aanbesteed ^).

Dat aanbesteden van den loopgravenarbeid bleef nog in gebruik lang nadat de Stadhouder zijne troepen er aan gewend had, tot den schansarbeid gekommandeerd te worden. De bezwaren , daaraan verbonden, bleven echter daarom niet onopgemerkt, want, zoo als Duyck bij het beschrijven der belegeringswerken voor Oldenzaal zegt *) : ff omdat d' aennemers van alsulcke wercken dickwils veel willen winnen ende daerom de werckers weynich geven, die dan geen groot gevaer willen staen, blyven sulcke periculeuse wercken dickwils onvolmaeckt als in desen geschiede, want omdat van den Stadt seer geschooten worde, liepen de werckers wech ende de korven bleven ongevult//.

1) Groot Flaccaetboek, JI, bl. 343.

2) Orleni, Oorlochsdaden van Maurits, bl. 143. Volgens de Militaris In- stractiën en ordonnantiën , bl. 36, kregen de werkers (soldaten) 10 en de comman- derenden, ^mits dat sy de soldaten aendry?en ende selffs medewerken 20 stuyvers daegs. Dan op dangereoze ende perykeloose plaetsen geeft men somwylen meer doch met consideratie hetselve getrocken wort in consequentie i^.

3) Joumael van Duyck, II Boek, 19 Julij 1595. Op de onmiddellijk volgende datums vindt men verscheidene opgaven vermeld van de prijzen, waarvoor de be- legeringswerken werden aanbesteed, als bij voorbeeld:

Voor eene batterij van 10 stukken, binnen eenen dag op te werpen, 350 gl.;

Voor een tranchee, om de beide legers buiten de stad (Grol) te vereenigen, 38 stuivers de roede;

Voor eene gallerij door de gracht, in vier dagen te voltooijen, 1400 gl.

Elders (6 Julij 1596) vinden wij in Breda aanbesteed het opwerpen van eene halve maan met voorliggende gracht ter breedte van 30 voet en ter diepte van S| voet beneden den waterspiegel tegen 18 gl. de roede;

6 Augustus 1596 het opwerpen van het fort van Neuzen , hebbende volgens het bestek een walgang van 600 roeden, 42000 gl.

4) Journael, IH Boek, 21 October 1597.

Digiti

zedby Google

tXXVIII

De aanbesteding der werken geschiedde door eenen ControUeur van fortificatiën , terwijl het opzigt over den batterijbouw opgedragen was aan twee batterij meesters, ook Conducteurs van de batterijen genoemd.

Aan eene eigenlijke opleiding van Ingenieurs werd in den tijd vóór Maurits niet gedacht, daar men tot het vervullen dier betrek- king eenvoudig zoodanige personen uitzocht, die men daarvoor geschikt oordeelde, gewoonlijk wiskunstenaars of bouwkundigen, die zich door eigen studie met de militaire fortificatie hadden ver- trouwd gemaakt. De Prins evenwel wijdde ook hieraan bijzondere zorg; hij liet de toekomende ingenieurs bijzonder onderwijs geven aan de Universiteit te Leiden en zond ten dien einde in Januarij 1600 aan de Curatoren eene instructie, die hij door Simon Stevin had doen opmaken, en waarin zoowd het theoretische als het praktische onderwijs geregeld werd ^).

Nadat in dit stuk eerst de bepalingen zijn opgenomen omtrent de uitgebreidheid aan het onderwijs in de wiskunde en het land- meten te geven, luidt het verder:

//Hierin genoeg ervaren wesende sullen bequaem syn om tot de fortificatie ofte sterk-bouwinge te komen, waertoe bereid sullen worden houten ofte aerde botsen ^) van schanssen ende bolwercken, ende daermede geleerd hebbende de eigen namen, soo sal het trecken van plannen ofte grondteekeningen van steden haer luiden ligt vallen, 'twelk men hun van steden ook dadelyk sal doen te werk stellen.

Sy sullen ook tekenen op 't papier den omtrek van schanssen ofte steden met vier ende meer bolwerken, waar af men alsdan hen luiden de maten sal geven, ende sullen daarna sulcke sterkten op H veld tekenen met bakens.

1) Instelling en Instructie van en voor een Lector of Leezer in de Duitsclie taaie om de telkonsten en 't landmeeten ten dienste der Ingenieurs, en Vestin?- bouwkunde op de Universiteit te Leyden te leeren. (Extract uit de Eesolutiën van Curatenren en Burgemeesteren den 10 Januarij 1600. Van Mieris, Hand- vesten enz. van Leyden, bl. 526.)

2) Nabootsingen.

Digiti

zedby Google

txxix

Dusverre gekomen zynde, sullen mogen in de somer trecken na 't leger, ofte ter plaetse daar sterckten gebouwd werden, 't welk den genen best gelegen sal zyn , die als soldaten , in dienst wesende , dan te velde moeten komen, ende sien daer de saken selfs, ja helpen die met er daet bevorderen.

Ende daertoe gekomen wesende , dat sy 't land alsoo oorbaren dienst konnen doen , sullen henluiden , die willen , des winters tot Leyden mogen oefenen , als voren geseid is , in diepsinniger stoffen , die daer geleerd sullen werden, om tot alle saken, de Ingenieurs ontmoetende, nog vaster ende volkomelijcker voorsien te wesen.

De lessen van telling ende meting op papier sullen een half uur lang gedaen 'werden in 't gemeen , 't ander half uur sal volbragt werden met elek een in 't bysonder te beantwoorden ende onder- wysen van 't geene sy vragen ende uit de gemeene lessen niet verstaan hebben.

Ende, want degenen die dadelyk met Ingenieurshandel omgaan, met malkander geen latyn en spreken , of immers seer selden , maar dat men in elk land des lantsspraak gebruikt; soo en sullen desen lessen niet in 't Latyn , Franpois of andere tale gedaen werden , maar alleenlijck in 't Duits.

Men verstaet ook, dat alle diegeenen die tot 't leeren deser konst van Ingenieurs toegelaten werden, eerst sullen beloven ende sweren aen den vyand deser landen daermede geen dienst te doen v.

Op voormelden datum (10 Januarij 1000) werd de bekende Ludolf van Keulen tot leeraar in de wiskunde aan de Universiteit te Leiden aangesteld.

Ctoneeskvndlge dienst.

De militaire geneeskundige dienst liet in die dagen veel te wen- schen over, hoewel ook hier, even als in de overige onderdeelen van het krijgswezen, verbetering merkbaar was.

Voor de gewone dienst bij het leger te velde was, zoo als reeds boven gezegd is, bij ieder vendel voetknechten en bij de Artillerie een zoogenaamde Chirurgijn aangesteld. Wanneer wij evenwel de

Digiti

zedby Google

LXXX

bekwaamheid van deze Chirurgijns, die ook meermalen onder den naam van barbiers voorkomen , afmeten naar het aanzien , waarin zij stonden , dan was zij voorzeker maar zeer gering. Niet alleen toch , dat zij bij de vermelding van het kader , dat tot de kompagniecn behoorde, onder de korporaals en tamboers gerangschikt werden, maar hunne gagie bedroeg ook niet meer dan 12 gl. in de maand, terwijl die van de korporaals 16 gl. was.

De Meester-Chirurgijns daarentegen stonden in alle opzigten op veel hooger trap, en werden rijkelijk bezoldigd '). Hun aantal was zeer gering, te oordeelen naar de weinige commissiën, die wij van hen vinden opgeteekend. Bovendien is dit ook af te leiden uit de omstandigheid, dat zelfs nog op den 12den Maart 1591, dus zeer kort voor dat het leger te velde ging, door de heeren van Keenen- burg en Pauli in den Raad van State werd te kennen gegeven, // dat Syne Excellentie wel goedt ende noodigh soude vinden , dat een medecyn tot 's Lands gagiën aengenomen werde , om in den Leger onder het Crys-volck te dienen, ende dat Doctor Augustinus Strobanus daertoe soude mogen aengenomen worden o ^).

1) ^'Volcht noch int leger een Doctor in de Medecyne die ordinaris by Syn Ex*'" is, ende houd des swinters zyn residentie in den Haege, plach ordinaris ter maent te hebben hondert guldens ende in de leste jaeren heeft hy niet meer gehadt als vyfbich guldens, ende te velde zynde noch hondert guldens ende all ten twee en dertig dagen en deffroyement van wagen en scheeps vrachten ende de tafel van Zyn Ex«'«.

iO'Item syn noch in dienst drie chirurgyns, die gehouden zyn, het leger te volgen ende haer te vernoegen, waar sy gesonden worden, tsy in belegerde plaetsen ofte elders, ende zyn dese gehouden, tot haeren coste medetenemen medicamenten voor 't geheele leger tot dry verbanden buyten costen van gequeste, hebbende yder sjaers 800 guldens, boven defroyementen van wagens en scheepsvrachten , ende de vrije tafel te velde zynde by de Edelluyden van Syn Ex''" //. (Militaris Instructicn en Ordonnantiën , bl. 46.)

2) Op den Staat van Oorlog van 1595 wordt Strobanus //Doctoor in de mede- cyne H vermeld met een tractement van 150 gl. in de maand , wanneer hij in het leger was en eenen apotheker hield ; buiten het leger trok hij slechts 50 gl. (Resol. van den Baad van State,. 12 Maart 1591.)

Digiti

zedby Google

liXXXl

In het Commissieboek van den Raad van State ^) vinden wij ook het bewijs, dat er in het jaar 1588 eene betrekking werd ingesteld, die eenige overeenkomst had met die van Inspecteur van de genees- kundige dienst in onzen tijd. Immers in de commissie, waarbij M'. Adriaen van de Spiegel ^) tot Meester-Chirurgijn wordt benoemd , lezen wij niet alleen, dat hem uitdrukkelijk belast wordt, //opsicht ende sorge te draghen over allen den gequetsten ende crancken soldaten ende bootsvolck in slandts dienste wezende zoo te water als te lande , dieselve te visiteren ende nae syne goede experientie met Gods hulp te cureren // , maar daarenboven : // oyck de goede opsicht te hebben over de andere Chirurgiens onder onzen Com- pagnien te water ende te lande dienende, ten eynde sy hun totten gequetsten ende crancken ernstelick quyten ende dezelve nyet en versaymen n. Deze Adriaen van de Spiegel had een tractement van slechts honderd gulden in de maand, //waerop hij gehouden wordt alle medicamenten ende wat daer aen is clevende op zijn eigen costen te besorgen , ende oyck twee geschikte dienaers t' onderhou- den//. Natuurlijk moeten hier onder »alle medicamenten// alleen die verstaan worden, welke hij persoonlijk in zijne eigene praktijk noodig had, zoo als dan ook eene dergelijke bepaling in de com* missiën van ieder der meester-chirurgijns voorkomt. De medicijnen enz. , welke zij en ook de chirurgijns van de kompagnieën behoefden , werden door den Apotheker bij het leger te velde medegevoerd *).

1) BI. 60 verso.

2) Adriaan van de Spiegel had reeds gedurende het beleg vau Antwerpen als Chirurgijn van het leger gediend. Bij de komst van Leicester was zijne Commissie o[^houden. Hij is daarna Chirurgijn van den Graaf van Hohenlo geweest (Bor, ÏXI, pag. 752) en overleed in 1617.

3) M Ëenen Apothecaris is mede gehouden het leger te volgen met een winckel gestoffeert volgens de lyste daervan gemaeckt tusschen hem en de Heeren Staten ende versiet dezen Apothecaris alle frontiersteden van alle medicamenten , ende heeft desen geen tractement, dan alleenlycken defroyement van scheeps- en wagen- vrachten , ende de vryheit dat nimant in 't quartier van Syn Ex*^* eenige speceryen mach vercoopen dan hy alleen ü^. (Milit. Instr. en Ordonn. bl. 46.) Hierna laat de schrijver eene uitvoerige lijst volgen van hetgeen de Apotheker verpligt was te velde mede te nemen.

VI.

Digiti

zedby Google

LXXXII

Eigenlijke militaire hospitalen bestonden er toen ter tijde nog niet; alleen vinden wij ergens melding gemaakt van eene ambulance bij het leger te velde ^). Van oudsher was het gebruik, dat wan- neer er eenig gevecht was geleverd, de gekwetste soldaten in de nabijgelegen steden werden opgenomen en verpleegd door de stads- chirurgijns, die daartoe op de tractementen , welke zij van de stedelijke regeringen trokken, verpligt waren, en hoogstens nog eene kleine vergoeding van de manschappen daarvoor konden vorderen ^).

Dat dit dikwijls aanleiding tot afpersingen gaf, blijkt niet alleen uit den hieronder aangehaalden brief, maar ook uit eenen dergelij- ken van eenigzins lateren datum, insgelijks uit het archief van Wijk bij Duurstede afkomstig ^), waarbij de Raad van State zich beklaagt, dat twee chirurgijns aldaar de paarden en de wapenen van gekwetste ruiters, die zij onder hunne behandeling hadden, aangehouden en als pand voor de door hen gevorderde betaling in beslag genomen hadden. //Is derhalve//, zegt de Raad, //alsnoch onse ernstige meyninge, by UL. ordre gestelt worde, dat de arme soldaten niet beschat ofte verongelijkt, noch heur peerden gearres- teert en worden tot slants groot achterdeel. Maer begeeren UL. hun authoriteyt interponeren , dat de chirurgijns met redelicken sallaris hun sullen laten genoegen , d' welck aen der soldaten gagiën allencxkens soude mogen gevonden ende ingehouden worden //.

Sedert den tijd van Maurits zijn ruim twee eeuwen verloopen

1) In het akkoord omtrent het vrijlaten en loskoopen der wederzijdsche ge- vangenen in 1602 met den Aartshertog Albertus gesloten , wordt gesproken van » alle de Officiers van 't gasthuis des legers tf. (Journael van Duyck , A'^II Boek , 14 Mei 1602.)

2) /rEnde want buyten alle goede oude gewoente, maniere van doene ende alle redelicheyt is » een goede soldaet in zynen buydel te slaen , dye in zyn lichaem smarte genoech geleden heeft, zoe men oyck in alle voorgaende oorloghen altijt gesien heeft, dat de gequetste werden in den nae|t gelegen steden gebracht alwaer deselve by de stadtchirurgijns op de gagie dye zy van de selve steden ontfangen, ende op eenighe extraordinaire vergeldinghe plegen gecureert te worden is^. (Brief van den Baad van State aan de regering van Wijk bij Duurstede , van den 7den Augustus 1585, opgenomen in de Kronljk van het Hist. Genoots. te Utrecht , UI Serie , 4de deel, bl. 34.)

3) ld., bl. 85.

Digiti

zedby Google

txxxni

voordat de geneeskundige dienst de plaats innam, waarop zij billijkerwijze in het welbegrepen belang van het leger aanspraak mogt maken.

Eenlge andere betrekkingen bQ het leger.

De hoogste waardigheid was die van Kapitein-Generaal , de eigen- lijke Opperbevelhebber van de krijgsmagt. Deze betrekking was van de vroegste tijden af verbonden aan die van Stadhouder; de plaatsbekleeder van den Vorst was in het gewest, waarover hem het bestuur was gegeven, uit den aard der zaak tevens bevelhebber van de troepen. Na de vestiging der Republiek bleef ook deze iürigting even als zoo vele anderen regtens bestaan , en dientengevolge was Maorits van Oranje aanvankelijk slechts Kapitein-Generaal van Holland en Zeeland; later werd hij het van Gelderland en Utrecht enz., naar gelang ook deze gewesten hem tot hunnen Stadhouder benoemden ^). Hoezeer hij in de werkelijkheid als Opperbevel- hebber van het leger der Republiek optrad, is hem echter nimmer, even als later aan Frederik Hendrik en zijne opvolgers, eene aan- stelling als Kapitein-Generaal van de Unie gegeven.

Op den Kapitein-Generaal volgde onmiddellijk in rang zijn plaats- vervanger, die den titel van Luitenant-Generaal, of ook wel dien van Overste-Luitenant voerde ^) ; terwijl ook nog in enkele gevallen de rang van Veldmaarschalk gegeven werd, eene betrekking, waaraan het opperbevel over het krijgsvolk verbonden was, en de authorisatie om het tegen den vijand te gebruiken, //met voorweten, corres- pondentie ende Consent van de Heeren Gouverneurs der respective Provinciën f/ ').

1) Den 19den Jalij 1588 werd Maurita ook aangesteld tot Kapitein-Generaal van Brabant en Vlaanderen . (CJomraissieboek van den Raad van State van 1 58 8 1 591 , bl. 45 .)

2) Zie de Cïommissie voor Johan Philips, Graaf tot Valckesteyn, tot Overste- Luitenant van den Graaf van Nieuwenaar in het kwartier van Zutphen, van den lOden Maart 1589. (ld., bl. 71.)

3) Zie de Commissie voor Joost de Zoete , Heer van Yillers , tot Yeldmaarschalk

Digiti

zedby Google

hxxxiv

Het bevel over de vestingen werd gegeven aan Gouverneurs. Zij voerden het komman do over het garnizoen , waren verpligt de vrij- heden , regten en privilegiën der ingezetenen te beschermen , de ordonnantiën op het stuk van den krijgshandel en andere zaken tot de gemeene welvaart dienende, scherpelijk te onderhouden, en over alle voorvallende zaken met de Staten Generaal te corresponderen. Zij mogten geen krijgsvolk in of uit de hun toevertrouwde sterkte laten trekken, dan met goedvinden van Hunne Hoogmogenden en met patenten van Zijne Excellentie *).

De kommandanten der forten voerden den titel van Hoofd- en Superintendent.

De Gouverneur eener vesting werd hoofdzakelijk in zijne werk- zaamheden ondersteund door een Wachtmeester, wiens betrekking het best vergeleken kan worden met die van de plaatselijke kom- mandanten van onzen tijd. Hij was verpligt altijd in persoon bij het openen en sluiten der poorten tegenwoordig te zijn, de wachten te stellen, ff de loose of het woord//, te ontvangen van den Gouver- neur en het aan de officieren die de wacht hadden , mede te deelen en voorts goede discipline onder het krijgsvolk te doen onderhouden, en voor het bewaren van vrede en eendragt tusschen militairen en burgers te waken. Hij moest het opzigt houden over de wallen, de grachten, het geschut enz., en van al wat daaraan mogt ontbreken kennis geven aan den Gouverneur. Een dadelijk kommando over de troepen had hij in zijne hoedanigheid van Wachtmeester niet ').

In belangrijke vestingen hadden deze Wachtmeesters den rang van Sergeant-Majoor, die ongeveer gelijk was aan dien van Generaal- Majoor in onze dagen , en zoo vinden wij dan ook herhaaldelijk

van de Vereenigde Provinciën van den 9den Augustus 1588. (ld., bl. 21.) Ka zijnen kort daarop gevolgden dood is evenwel de betrekking van Veldmaarschalk voorloopig niet meer vervuld.

1) Zie onder anderen de Commissie voor Charles de Ileraugière , als Gouverneur van 't Slot en de Stad Breda van den 26sten Maart 1590. (ld., bl. 125 verso.)

2) De instructie voor de wachtmeesters, van den 9den December 1593, is to vinden in het Eeceuil van Flaccaten rakende den Oorlog , I deel , N°. 21.

Digiti

zedby Google

hxxxy

gevrag gemaakt van den Sergeant-Majoor van deze of gene vesting *).

Bij het leger te velde was ook een Sergeant-Majoor of Wacht- meester-Generaal aangesteld, wien opgedragen was //te houden en bij het krijgsvolk, zoo te paard als te voet te velde wezende, te doen houden alle goede wacht en wake, zoo, bij dag als bij nacht, zoo de tijd en gelegenheid vereischen zal// ^). Hij was belast met het opstellen der wachten, het uitzenden van verkenningen naar de zijde van den vijand, het inwinnen van berigten, in één woord, met alles wat op de veiligheidsdienst in de legerkampen betrekking had ^).

De dislocatie van het leger was opgedragen aan een Kwartier- meester ^), die in overleg met den Opperbevelhebber, aan de verschillende troepenafdeelingen van het leger te velde hare kwar- tieren moest aanwijzen.

1) Zie de Commissie voor den Kapitein Lambert Charles, als Sergeant-Major Tan het Slot en de Stad Breda, van den 26sten Maart 1590. (Commissieboek van den Kaad van State van 1588—1591, bl. 126 verso.)

2) Zie de Commissie voor Adrien Flouchart, gezegd Cressonnière , als Sergeant- Major of Wachtmeester Generaal van het leger, van den 2l8ten November 1591. (ld., bl. 122 verso.)

3) «Robert, Conté de Leicester etc scavoir faisons que pour la bonne

cognoissance que nous avons de Ia personne de Thomas Cheston et de ses leaulté, experience et bonne diligence, luy avons establi, ordonné et commis, establissons ordonnons et commectons par ces presentes en Testat de Capitaine et Chef d'es- coutte et de guet, dict en anglois Schoutmeester, lui donnant plein pouvoir autho- rité et mandement especial d'Icelluy estat doresnavant tenir et desservir, poser et asseurer les Corps des gardes du camp pour meilleure asseurance dicelluy en tel nombre et endroict que conviendra et luy sera ordonnë par Ie genera! ou mareschal da Camp , avoir bon soing que par les geus de guerre soit tenu bon guet et garde tant de jour que de nuict, poser et mectre lesd. Corps des gardes et sentinelles a cheval, recepvoir Ie mot de guet du dict general ou mareschal de Camp et apres la distribuer a ceulx qui seront des gardes quHl appertiendra , porter bon soing et vigilance que Ie general ou mareschal de Camp soit adverti de toutes entreprinses embuscades et intelligences qu^il descouvrira de Tennemy tant aux advenues du Camp que ailleurs-», etc. (Commissieboek van Leic. , bl. 48.)

4) Zie de Commissie voor Seino van Dort, Heer van Dort, als Kwartiermeester, van den 4den Mei 1590. (Commissieboek van den Baad van State van 1588 1691 , bl 119 verso.)

Digiti

zedby Google

LXXXVI

De Advocaat-fiscaal van den Raad van State was belast met het onderhouden van de plakkaten en ordonnantiën //mitsgaders om der gemeene saecke gerechticheid in 's landts saecken onder den Raede van State der Vereenichde Nederlanden ressorterende voor te staan, te sustineren, ende te defenderen//.

Als zoodanig was hij ook de voornaamste regterlijke beambte voor de krijgsmagt, en //gehouden de Veldoversten ende Maerschalck van den legher als fiscael te assisteren, de aenclachten helpen formeren, ende de saecken te instrueren, totter sentie excluz// ').

Het in hechtenis nemen en bewaren van de beschuldigden en het executeren der veroordeelden was opgedragen aan den Generaal geweldige provoost over al het krijgsvolk te voet en te paard ^) , die in alles wat zijn ambt betrof, in overleg trad met den Auditeur- Generaal ^), en wien tot uitvoering zijner bevelen een zeker aantal beredene en onberedene geregtsdienaars was toegevoegd *).

Bovendien waren er, tot handhaving der militaire justitie in de verschillende gedeelten van de Republiek , Auditeurs-Militair aange- steld *), en bij de onderscheidene afdeelingen van het leger afzon-

1) Zie de Commissie voor Anthonis Duyck als advocaat fiscaal van den Eaad van State. (Commissieboek van den Kaad van State van 1588 1591, bl. 41.)

2) Zijne uitvoerige instructie is te vinden in het Commissieboek van Leicester» bl. 73 verso.

3) ld., art. 6 der Instructie, bl. 73' verso.

4) De Kaad van State schreef den 14den Augustus 1590 aan de Staten der

gewesten onder anderen: // ende dewijlen den soldaten dagelij ckx loopen

moescoppen uyt het leger, den huysluydt^n groeten overlast aendoende, dat Sijn Excellentie soude goedt vinden dat den Generaal Provoost mogte met twaelff dienders, als ses te peerde en ses te voete, werden versterckt. (Resol. van den Baad van State, 14 Augustus 1590.)

6) Aan deze schijnt, wanneer hun regtsgebied zich over eene of meer grens- vestingen met de omliggende lanrlstreek uitstrekte, den naam van Commissaris in de frontierplaatsen gegeven te zijn. Immers de instructie voor den Auditeur militair binnen Bergen op Zoom, Ambrosius Martini (Commissieboek van den Kaad van State van 1588 1591, bl. 62 verso) is volkomen gelijkluidend met die voor den Commissaris in de frontierplaatsen van de Meijerij van den Bosch, Verreyck. (ld., bl. 116 verso.)

Digiti

zedby Google

LXXXVII

derlijke provoosten, die hunne rapporten aan den Provoost-Generaal moesten inleveren. Eindelijk vinden wij nog melding gemaakt van de aanstelling van een Gerichtscholte over het krijgsvolk in het Vorstendom Gelder, Graafschap Zutphen en de stad, steden en landen van Utrecht, wiens betrekking ongeveer dezelfde schijnt geweest te zijn als die van Auditeur-Militair,

Hem was opgedragen om v Clage ende antwoort rede ende weder- rede aen te hooren, een yegelicken sonder aensien van persoonen den rijcken als den armen, ende den armen als den rijcken, goet cort ende onvertogen recht te laten wedervaren ende voorts alles te doen wat eenen oprechten ende vromen Gerichtscholte schul- dich is ende behoort te doen , volgende den inhoud der Keyserlicke Malefizrechten ende hercomen, mitsgaders alzulcke placcaten, ordon- nantien ende acten gemaeckt op de krijchsdiscipline 't stuck van sauvegarden ende dergelicke tenderende tegens de foulen, ongere- geltheden ende andere disordren van de soldaten// ').

De militaire regtspleging eindelijk was opgedragen aan krijgs- raden , die niet uit een bepaald aantal personen waren zamengesteid , maar waartoe alle t/ presente Capiteynen , Lieutenanten en Vaandrigs if , onder het voorzitterschap van den kommanderenden Officier werden bijeengeroepen ^).

De Artillerie-Officieren werden niet tot leden van eenigen krijgs raad gekomhiandeerd , tenzij de aangeklaagde een artillerist was als wanneer de krijgsraad uitsluitend uit Artillerie-Officieren bestond ')

Overigens was de Raad van State de opperste militaire regter hoezeer Maurits den zoogenaamden Hoogen Krijgsraad oorspron keiijk niets anders dan een krijgsraad te velde tot een permanente regtbank gemaakt schijnt te hebben.

1) Commissieboek van den Baad van State van 1588—1591, bl. 62.

2) Zie Art. 65 van den Articulbrief van 1590.

3) Dit blijkt uit de Order van den SOsten October 1752, waarin wij lezen: 'Aangezien d'Artillerie Bediendens in de Garnisoenen door het gering getal hunner Officieren, geen particulieren krijgsraad kunnen formeeren, gelijk voor dezen in het Veld, zoo zal voortaan in de garnisoenen een Officier van d'Artillerie bij de te houdenc krijgsraden worden gecommandeert » , enz.

Digiti

zedby Google

liXXXVIII

Aan dezen Hoogen Krijgsraad werd van de vonnissen , door de krijgsraden gewezen, geappelleerd, en zulks niettegenstaande men ook aan den Raad van State appelleerde *), eene onregelmatigheid, die nog lang daarna schijnt voortgeduurd te hebben. In geval van gemeene delicten werden de informatiën en de krijgsraad door magistraatspersonen bijgewoond ^).

Wat ten slotte de aanstelling betreft tot de verschillende hier boven omschreven betrekkingen bij het leger, deze ging, zoo als vroeger gezegd is , in het algemeen van den Raad van State uit, behoudens het regt van de Provinciale Staten om enkele be- noemingen zelf te doen, en tot anderen eene voordragt van eenige geschikte personen op te maken.

In het jaar 1618 werd er eene regeling omtrent het aanstellen van de Kapiteins en mindere Officieren door de Staten Generaal vastgesteld, waarin onder anderen het volgende voorkomt ^).

^/Dat eenige Ritmeesterschappen van de Inlandtsche natie ver- vallen wesende, de respective betaelende provinciën nomineren sullen drye persoonen tot elck vacerende compaignie , wel lettende op der- selver personen bequaemheyt , boven dewelcke oock noch de Lieutenant ende Cornette derselver Corap'® voor genomineert sullen gehouden worden, vuyt welcke vijff persoonen de Heeren Stadthouders res- pective eenen tot Ritmeester sullen kiesen.

1) Rapport der Commissie van Mil. Wetgeving, 8 April 1807. ZieVreede, Ontwerpen van strafwetten en regtspleging, 1ste stuk, bl. 19.

2) Van Hasselt, De Judicio MUitari, I, pag. 26.

3) Ordre by Zyne Ex **, Zyne G. Graeff Willem Lodewijck van Nassau, Stadt- houder enz, de Heer e Prince Henrick Fred. van Nassau enz. ende den Raedt van State, volgens de resolutie der Ho. Mo. Heeren Staten Generael vanden 2 May 1616 geraempt, om deser landen Crychsvolck, soo te peerde als te voete, tot derselver landen dienst bequaemer te maecken