IU\
BENEDICTI DE SPINOZA 0 P E R A.
BENEDICTl DE SPINOZA 0 P E 11 A
QUOTQUOT KKPERTA SUNT.
R E C 0 0 N 0 V I'J R V N T
J. VAN VLOTEN i:t J. P. N. LAND.
E D 1 T I 0 A I. T E U A.
TUMiS TERTIUS.
II \ (i A i: (' O M I T V M.
AiTi. M A \{'V I N li M N 1.111 () r l-\
MDCCCVC.
NOV 1 1350
Noviomagi Ex Officina H. C. A. Thieme.
1^« o«
De reliquis quae exstant pliilosophi scriptis Ijrevissime tantum dicendum videtur.
Tractatuli de Deo, Homine, ejusque Salute, cujus versionem tantum vernaculam habemus, utrumque exemphun MS. hodie Bibhothecai Regia) Hagana) est. Horum neutrum ab ipso interprete profectum ; unum ipso Spinoz?e s?eculo nitide exaratum ab indocto homine, qui orthographia utebatur modo prisca modo recentiori; alterum saeculo XVIII ex illo descriptum, et ex Hbidine etsi haud inscito emendatum a Joh. Monnikhoff chirurgo Amstelodamensi philosophiie studioso. Attamen ad illud reverti omnia suadebant, nec quidquam omittere prajter inoptas rerum repetitiones ab interprete in margino factas et eas vocabula scribendi rationes quarum usus jam florentc Spinoza amissus erat. Continuimus autem nos a Latina versione, vel potius restitutione, lectoribus offerenda, ne forte docunieii- torum veritati nostris interpretationibus otticero videremur ; caeterum prostant libelH editiones GermaniciD et CiaHica, ijuas curaverunt viri doctissimi Sigwart, Schaarsclmiidt, Janet.
Principia Cartesiana, Cogitationes Motaphysica^ hbelhis de Iride, ox editionibus principibus ropetita sunt. Hujus tiuum duo exemphxria innotmnint, Haganum unum, ahorum in bihlio- theca D. Bierens do Haan matheseos professoris, in utroque tanquam appendicem invenimus prograniina ((uoddani. ut tuno
VI
loquebantur, ad rrobabiliuni calculum pertinens, quod et ipsuni SpinozaB vindicandum duximus.
Compendium Grammatices Linguae Hebra^a) imperfectum mendis inquinatum erat nemini vel tironi tolerandis, quibusque purgandis vix manum admoverant aut Paulus aut Bruderus. Et quamquam nobis constat, auctorem in libro absolvendo nonnulla qutB scripsisset accuratius expressurum fuisse, tamen emendanda putavimus quae ille ne dormitans quidem scribere potuisset.
Itaque jam absoluto opere restat ut gratias agamus quam maximas omnibus qui et consilio et opera sua nos adjuvarunt, lectorisque veniam petamus si quid a nobis vel praetermissum vel peccatum fuerit. Atque in primo quidem tomo qusedam mutanda esse comiter monuit is qui Ethicam Belgice interpre- tatus est V. d. H. Gorter, nec dubitari potest quin sic scribere oporteat auctore tum editione principe tura verborum contextu:
Pag. 57 vs 1, qui et necessario — p. 59, vs. 7, affecium — p. 96, vs. 9 a. f. Idece — p. 122 vs. 15 a. f. Naturce — p. 157, vs. 2 a. f. CoroUarium I — p. 158 vs. 7 a. f. Co?-ol- larium 11 — p. 175, vs. 6 a. f. affectus — p. 177^ vs. 6 sic definire — p. 198, vs. 5 Schol. 2, Prop. 40, p. 2; — p. 201, vs. 5 et denique — p. 216, vs. 12 a. f. p)er Coroll. 1 Prop. 55, p. 3, — p. 225, vs. 6 a. f. per Coroll. Prop 63.
Quod autem in p. 10 ann. 1 voci causatur negationem a Paulo propositam addere noluimus, explanatur annotatione p. 141 collata pag. 58 vs. 25 sqq. ; etsi nunc, illam eegre desiderari, Sigwartio monenti libenter concedimus.
Sed in his voluminibus qucedam seu mendosa seu minus liquida nos fefellisse facile intelliget quicunque verba Latina, nedum Hebraica punctis instructa, prelo subjecerit.
J. P. N. LAND.
CONTINENTUK JiOC VOLLMINE
P, 1 — 104. KoiiTE Vehhandeling va\ God, de Menscii,
EN DESZELFS WeLSTAND.
P. 105 — 188. IIenati des Caijtes Pkin(ii'Iohum Piiilosophlf,
PaRS I. ET II. MOHE OEOMETKICO DEMONSTKAT.*:.
P. 189 — 234. Appendix. continens Cooitata Metaphysica.
P. 235-247. Stelkonstige Keeckening van den Reoenbooo.
P. 248 —252. Reeckening van Kanssen.
P. 253—356. Compendium Gkammatices Lingu.i: Hebk.e.e.
3
39^3
In cod. B (Johaiinis MonnikhoiVii nianu oxarato) libolli titulus hic est :
ETHIC A
OF
ZEDE-LEER,
VERVAT IN TWEE DEELEN,
WAAR IN GEHANDELD WORD
I. Van Gods bestaan, en Eigenschappen.
IL Van den Mensch, ten opzigte van den aart en oarspronk hunner Hartstogten, het gebruyk haarer Reeden daar omtrent, en welk het middel is waar door zy tot hun Heyl en opperste vrijhijd worden opgelijd.
Benevens een Anhangzel; behelsende, een kort ontwerp over de natuur der Zelfstandighijd ; als meede die van de menschelijke Ziel, en haar vereeneging met het Lichaam.
ZAMENGESTELD
door
BENEDICTUS DE SPINOZA,
EERSTE DEEL
VAN
aoD.
CAP. I.
D A T C; O D I S.
Belangendo dan liet eerste, nanienlijk of * 'er een God is? dat zuggen wy te konnen bewezen worden : Voor eerst {a priori of) van vooren aldus:
1. Alles wat wy klaar en onderscheiden verstaan aan de natuur * van een zaak te beliooren, dat konnen wy ook niet waarheid van die zaak bevestigen;
Maar dat de wezentheid aan de natuur Gods toebehoort. konnen wy khiar en onderscheidentlijk verstaan ; hnjo. Anderzints ook ahhis:
2. De wezentlieeden van de zaaken zijn van alle E^vigheid, «n zullen in alle ewigheid onveran<hMlijk l)lijven;
* Cod. B, : lielanrfende dit, diit. Porro ens scri|)tiono.s, <iuibu8 sennonein tantum ologftntioreni r<Hl<U'ro studuit Monnikhoftius^rrpeteresupersedomus.
* Vorstaat do bej)nal<lo natuur, door <lowelko do /nke is dat ze is, en dat van lianr in gonorl<'i wij/o kan ntgosohoido wor<lon, zonder ook met €on die /nnk to verniotigcn : als <lat tot het wo/on van oen HorK' hohoort dat hy een dnl hobhe, of 't we/on vnn <lo IJerg is dat hy oon *lal hobbo : hetwelk wnarlijk ceuwig »'n onvcrnn<l<rlijk is, on nltij<l inoot /ijn in 't concept van oen lierg, schoon hy nooit wns of is.
4 KOllTE VERirANDELING.
De wezentlijkheid Gods is wezentheid;
Ergo.
{A posteriori of) van agteren aldus :
Indien de mensch een Idea van God heeft, zo moet ^ God fornielijk zijn;
Maar de mensch heeft een Idea van God ;
Ergo.
Het eerste bewijzen wy aldus:
Als 'er een Idea van God is, zo moet de oorzaak deszelfs formelijk zijn, en in zig vervatten alles wat de Idea voorwer- pelijk heeft;
Maar daar is een Idea van God ;
Ergo.
Om het eerste dezes bewijsredens te tonen, zo stellen wy deze volgende grondregulen, te weten :
1. dat de kennelijke dingen oneindelijk zijn ;
2. dat een eyndig verstand het oneyndige niet kan begrijpen ;
3. dat een eyndig verstand door zigzelfs, ten zij het van iet van buyten bepaald wordt, niet en kan verstaan; omdat, gelijk het geen magt heeft alles gelijkelijk te verstaan, alzo weinig heeft het ook magt om te konnen exenipli gratia, dit eer als dat, of dat eer als dit, beginnen of aanvangen te ver- staan. Het eerste dan, nog ook het tweede niet konnende, zo en kan het niets.
De eerste (of major) wordt aldus bewezen :
Indien de verzieringe van de mensch alleen oorzaak was van zijn Idea, zo zoude het onmogelijk zijn, dat hy iet zoude kon- nen begrijpen, maar hy kan iet begrijpen ; Ergo.
Het eerste wordt bewezen door de eerste grondregel : name- lijk dat de kennelijke dingen oneyndelijk zijn. En volgens de
' Uyt de beschrijvinge hierna Cap. 2 van dat God oneyndige eygen- schappen heeft, konnen wy zijne wezentheyd aldus bewijzen : Al dat wy klaar en onderscheide zien tot de natuur van een zaak te behooren, dat konnen wy ook met waarheid van die zaak bevestigen ; maar aan de natuur van een wezen dat oneindige eigenschappen heeft, behoort een eigenschap, dewelke is Zijn; Ergo. Hierop nu te zeggen, dat dit [B. dat is] wel bevestigt van de Idea, maar niet van de zaak zelfs, is vals: want de Idea en bestaat niet materialiter van de eigenschap die tot dit wezen behoort, alzo dat [B. oni. dat] het geen 't welk bevestigt wordt, en is noch van de zaak noch van datgeen 't welk van de zaak bevestigt word ; alzo dat tusschen de Idea en het Ideatum eeu groot onderscheid is: en daarom dat het {B. om. het] geene dat men bevestigt van de zaak,^ dat en bevestigt men niet van de Idea, et vice versa.
DEEL I. CAP
twecde grondregel en kan liy niet alles verstaan, dowijl het nienschelijk verstand bepaald is, en door geen uytterlijke dingen bepaald wordende, om dit eerder als dat, en dat eerder als dit te verstaan, zo zoude het onmogelijk zijn, dat het. volgens de derde regel, iets zoude konnen verstaan. ♦ '
* 13 lianc p<ar<i^'rjiijhui)i ita liabet: Wijders, vijl voltjtyis de eoste fjroml- rcfjel, <le kennelijke dinjen o)i(inde/ijk zijn, en volf/ens de ttre*-de yrond- reegel liet eindifje ver.stcind niet alles kun heyrijjien, en htt zelvi' ro/r/ens df derde (jrond-reeyel <jeen magt heejt om dit eerder als dat, en dat eerder als dit te verstuan, zoo zou, indien het door (jeen utjtlerlijke dinyen daar toe irierd hepaald, H omnoyelijk zijn dut het iet zoude konnen verstaan. Porro perpcrani in orationis contextuni rocopit annotationis jtartom ]»ri- oroni, (]uam A ita in niarKinem relo^'averat, nt altera jjars ad ipNJns vorba andere fdeus voluti nota (jua'(lain sccundaria adjocta esse viderotar.
' Yoorders te zoggcn, dat dozo Idea een verzieringe is, dat is ook vals: want het is onniogelijk die te hebbon zo z'er niet en is ; cn dit «vord hior nu getoont ])ag. 6, daar wy dit nog by doon.
Het is wel waar, dat wy van een Idea die ons eenmaal eorst van de zaako zolfs is hergekomen, en zo in abstracto algemoen van ons gcmaakt zijnde, dat daarna van dio zelve in ons verstand voel bozondero wordon verziert, die wy dan ook voel andeie, cn van andero zaakon atgetrokkone eygenschappon konnon toedigton. Maar dit is onmogelijk te konnen doon, zondor alvorens de zaake zelfs, van dewelke zy aftrekzcls zijn, gckend te hobben. Doch eens gosteld, dat doze Idoa een verzierzel is, zoo moeton dan alle undere Ideas, dio wy hebbcn, niet min verziorzols zijn. Dit zo zijndo, van traar dan komt ons in dezolve zo groot oon ondorscheid V "Want wy zion eeniye die hot onmogolijk is dat ze zijn : o. g. allo mon- sterdioren die men van twoo naturen zoud fzamon zetton, als oen dior dat oon vogcl en een paard zoude zijn, cn diorgelijko, die onmogelijk in do Natuur, die wy bovindon andors te zijn gosteld, j)Iaats konnen hebben; andere Ideu.f, wel mogclijk maar niet noodzakolijk dat zo zijn: van de- wolke nochtans of ze zijn of niot zijn, haar wozon altijd noodzaakolijk is ; als d(! Idoa van een driohoek, on di(> van do liefdo in de ziel zondcr H licliaam, enz.; alzo dat, alschoon ik eorst dacht, dat ik dio ver/.ierd liaddo, daarna nochtans gedwongen wordo te zeggon dat zy nict to min [B add. in] hotzclvo zijn, on zoudeu zijn, schoon ik of gecn mcnsch ooyt om haar godagt haddo. En hierom dan cn zijn zy van my niot verzicrd. cn mooten ook buyten my eeu subjectum hoi)bon hotwelk ik niot cn ben. zondor wolk su])jectum zy niot on konnen zijn. Hoven dezc isscr noch €en derdc ideu, en dio is maar ccn eenigo; cn dozc brcngt nict zig ecn noodzakolijk zijn, en niet als do voorgaando allecn dat zo kan zijn : want dio haar wozen was wcl noodzakelijk, maar nict haar wezonthoid ; maar van deze is de wezcnthcid cndo het wczcn beyde noodzakolijk, on i.-^ zondor do zelve niot. AIzo zio ik dan nu, dat van my geon waarhcid, wozen, of wozontheid van (H-nigo zako afhangt : want, als in de twoede soorte van Ido("n gotoont is, zondor my zijn zy 't geene dat ze zijn : of na 't wezon alleon. of na 't wozon en do wozenthoid boydo. En zo ook dan, ja vocl mccr bcvindo ik dit waar to zijn in doze dorde ccnige Idoa, on dat nict alloon, dat hct van my nict af en hangt, maar in tegondocl, dat \\\ aUeen [hanc vocem om. li.] moet zyn het subjectum van 't goen ik van
6 KORTE VERIIANDELINU.
Uyt alle hetwelk dan het twede bewezen word, namelijk <l(U de oorzaak van de Idea des ntensehe niet is zijne verzierinf/e maar eeniije ui/tivendif/e oorzaak, die hem drimjt het eene eerder als het andere te verstaan, zijnde niet anders, als dat die din- gen formelijk zijn, en hem nader als andere, welkers voorwer- pelijke wezentheid in zijn verstand is. Zo nu de mensch de Idea van God heeft, zo is het klaar dat God formelijk moet zijn, dog niet uytstekentlijk, aangezien boven of buyten hem niet wezentlijker of voortreflfelijker is. Dat nu de mensch de Idea van God heeft, zulks is klaar, dewijl hy zijne eygen- schappen ^ verstaat, welke eygenschappen van hem niet konnen voortgebragt worden, omdat hy onvolmaakt is. Maar dat hy nu deze eigenschappen verstaat, is hier uyt blijkelijk, dat hy namelijk weet, dat het oneyndige van geen verscheide bepaalde deelen kan tezamengezet worden ; datter geen twee oneyndelijke en konnen zijn, maar Een Eenig ; dat het volmaakt en onver-, anderlijk is, als wel wetende dat geen zaake door zig zelf& haar eygen vernietinge zoekt; en meede, dat het tot of in
hem bevestig. Alzo dat indien hy niet was, ik al heel van hem niets en zoude konnen bevestigen ; gelijk nogtans van de andere dingen, schoon zy niet wezentlijk zijn, gedaan word; ja ook, dat hy moet zijn het sub- jectum van alle andere dingen.
Behalven dan dat uyt het tot noch toe gezeide klaar blijkt, dat de Idea van oneyndige eigenschappen aan het volmaakte wezen geen verzierzel is, zo zullen wy dit volgende noch daar by doen :
Na voorgaande overweginge van de Natuur, zo en hebben wy in de- zelve tot nog toe niet meer konnen vinden, als alleen twee eygenschap- pen die aan dit al volmaakte wezen toebehoren. En deze en geven ons geen vergenoeginge door dewelke wy ons zelve konnen voldoen : want dat [intelUge: wel verre dat] deze het al zoude zijn, van de welke dit vohuaakte wezen zoude bestaan, ja maar integendeel bevinden wy in ons zulks iets hetwelk ons opentlijk aanzeid van niet alleen nog meer, maar ook van nog oneyndige vohuaakte eigenschappen, die dit vohiiaakte wezen eigen zijn, eer 't volmaakt gezeid kan worden. En van waar is deze Idea van volmaaktheidV Dit zulks iets dan en kan niet voortkomen van deze twee: want twee en geeft maar twee, en geen oneyndige. ergo dan van waar? Van my altijd niet, of ik most ook dat ik niet hadde konnen geven. Van waar dan anders als van de oneyndige eigenschappen zelve, die ons zeggen dat z'er zijn, zonder nogtans ons tot nog toe te zeggen wat zy zijn : want van twee en weten wy maar wat zy zijn.
' Zvjne eygenschappen : beter is 't, dewijl hy 't geen aan God eigen is verstaat; want die dingen zijn geen eigenschappen Gods. God is wel zonder deze geen God, maar niet door deze, dewijl ze niet zelfstandigs te kennen geven, maar zijn alleen als adjectiva, die substantiva vereischen om verklaart te worden.
DEEL I. CAP. I. 7
iet beter nict en kan veranderen \ aangezien het volmaakt is, 't welk het als dan niet en zoude zijn ; of ook dat het zulks niet en kan onderworpen zijn, door iet dat van buyten komt, nadien het almagtig is, enz.
Uyt dit alles dan volgt khuirlijk, dat men en (a priori) van vooren en {a posferiori) van agteren bewijzen kan dat God is. Ja nog beter a priori. Want de dingen, die men als zoodanig hewijst, moet mcn door haar uytterhjke oorzake betonen, het wolke in haar is een openbaarc onvohnaaktheid, als dewelke liun zelvc door hun zelvc niet en konnen te kennen geven, iiuiar allecn door uytterlijke oorzaakcn. Dog God, de eerste oorzaak allcr dingen, en ook dc oorzaak zijns zelfs, die geeft hcm zelvc te kenne door hem zelve. Weshalven van niet veel })elang is het zegge van Thoinas Aqnina, namcntlijk dat God a priori nict cn zoude konnen beweezen worden, omdat hy kwansuys gcen oorzaak heeft.
CAP. II.
W A T G 0 D I S.
Nadat wy nu als bovcn bcwezen hcbben, dat God is, zo zal liet nu tijd zijn te tonen wat liy is. Namelijk hy is, zeggen wy, feii trezen van dcwelkc allcs ofte oneynddijkc eygenschap- pen gczeyd worden '^, van wclkc eygenscliappcn een yder des- zelfs in zijn gcshigte oncyndclijk vohnaakt is. Om dan onzc meeningc in dczen klaar uyt tc drukkcn, zullen wy deze vier navolgcnde dingen vooraf zeggen :
' Do oorzaak van dozo voraiuloiiiif^o zondo inooton zijn van bnyton of in liaar. Nict van bnvton, wawV ^'oon zoil'stainli;,'hoiil ilio als dozo »loor zig zolfs is, lianf<t vaii iot.s bnyton lioin al": orgo goon verauderiwj diiar- >(in onderirurpen. Ook niet in haar ; wnnt j,'oon zaak, vccl min dozo, \\i\ zijn zolf.s vordorf; allo vordorf is van buytou anukomendo,
'^ Do rodon is, omdat dv .\/V/ f,'oon eijifonschapj^on konnondo hobbon, do Af dan allo oit^onsohaitpon moot hobbon ; on zo ilan do Siet ^vvi\ oi},'onschai)pen hobbondo, onidat hy nict is, zoo hoeft cb' let oij,'onsohai>- 1)011 oindat hy let is. Krgo tlan lioo hy inoor lot is hoe hy moor oigon- schappon inoot hobbon, on dionv(»l^'cndo dan CJod tlo volniaaksto, de onoyiulit,'o. d(> alle I(>t zijndo, zo inoct hy ook oiicindiKo, volinaakto, eu allo cigenschappon hobbcn.
8. KORTK VERIIANDELINO.
1. Datter geene bepaaldo zelfstandiglieid en is *, niaar dat alle zelfstandigheid in zijn geslagte oneyndelijk volmaakt moet zijn, te wete, dat in het oneyndelijke verstand Gods geen zelfstandigheid volmaakter kan zijn als die alreeds in de Natuur is.
2. Dat er ook geen twe gelijke zelfstandighecden zijn.
3. Dat d'eene zelfstandigheid d'ander niet kan voortbrengen.
4. Datter in het oneyndehjke verstand Gods geen zelfstan- digheid is, als die formelijk in de Natuur is.
Wat dan aangaat het 1., namehjk dat 'cr geen bepaalde zelfstandigheid en is, enz., zo iemand het tegendeel des zelfs zoude willen staande houden, die vraagen wy aldus, te weete : of deze zelfstandigheid dan bepaald is door zig zelfs, nament- lijk, dat ze zig zelfs zo bepaald, en niet onbepaakler heeft willen maaken ; dan of zy zodanig is door haar oorzaak, welke oorzaak haar of niet meer heeft konnen of niet meer heeft willen geven? Niet het eerste is waar, omdat het niet mogelijk is, dat een zelfstandigheid zig zelfs zoude hebbe willen bepaalen, en dat zo een zelfstandighcid die door zig zelfs geweest is.
^ Kounende dan bewijzen, datter geen Bepaalde zelfstandlgheid kan zijn, zo moet da.n alle zelfstandlgheid onbepaaid aan 't goddelijk wezen behooren. Dit doen wy aldus : 1. Of ze moet haar zelfs bepaald hebben, of haar moet een ander bepaald hebben. Niet zy haar zelve, want, onbe- paald geweest zijnde, zoude zy haar geheel wezen moeten verandert hebben. Van een auder isse ook niet bepaalt: want die moet zijn bepaald of onbepaald; niet het eerste, ergo het leste ; ergo 't is God. Deze dan zoude moeten bepaald hebben of omdat het hem aan de magt, of aan de wil ontbrak: maar 't eerste is tegen de almachtigheid, het tweede tegen de goetheid. 2. Datter geen hepaalde zelfstandigheid kan zijn is hier uyt klaar, omdat ze alsdan noodzaakelijk iet zoude moeten hebben, dat ze van de Niet heeft, 't welk onmogelijk is. Want van waar heeft ze dat daar in ze verschilt van GodV Niet van God altiid, want die en heeft niet onvolmaakts of bepaalts, enz. ergo dan van waar als van de Niet? Ergo: geen zelfstandigheid als onbepaald. Waar uyt volgt. datfer geen tivee gelijke onbepaalde zelfstandigheeden konnen zijn; want deze stellende, isser noodzakelijk bepaling. En uyt deze volgt wcder, dat de eene zelfstandigheid d'ander niet kan voordbrengen; aldus: De oorzaak die deze zelfstandigheid zou voortbrengen, moet hebben dezelfde eigenschap van deze voortgebrachte, en ook of eeven zo veel volmaaktheid \B has septem voces omittit], of meerder, of minder. Niet het 1., want dan waren twee gelijke. Niet het 2., want dan wasser een bepaalde. Niet het .3., want van de niet komt geen iet. — Ten anderen : als van de onbepaalde een bej)aalde kwam, zo wierd de onbepaalde [jB; de oorzaak] ook bepaald, enz. Ergo de eene zelfstandigheid kan d' ander niet voortbrengen. En uyt dit volgt dan alweer, dat alle zelfstandigheid formelijk moet zijn, want niet zijnde daar is geen mogelijkheid te konnen komen.
DEEL I. CAP. II. 9
Ergo (lan, zeg ik, isse door haar oorzaak bepaald. de welke noodzaakelijk (Jod is. Voorder, indien zy dan door haar oor- zaak bepaald is, zo moet dat zijn of omdat die oorzaak niet meer heeft konnon geven 6f omdat die niet meer heeft willen geeven. Dat hy niet meer zoud liebben konnen, zoude strijden tegen zijn ahiuigtiglieyd ^ ; dat hy niet meer zoude hebben willen, aangezien liy wel konde, smaakt na wangunst, dewelke in God, die alle goet en volheid is, geen zins en is.
Het tweede beUingende, (latter (jem iwe fjeJiJke zelfstandig- heden zijn, bewijzen wy, omdat ieder zelfstandigheid in zijn geshigte vohnaakt is ; want zoo er twe gelijke waren, zo most noodzakelijk de een de andere bepaalen en dienvolgende niet oneyndelijk zijn, gehjk al voor dezen bewezen hebben.
Nopende dan het derde, te wete, dat de eene zelfstandigheid d'ander niet en hucn voorthrengen : zo weederom iemand het tegendeel mogt staande houden, dat [JJ: die] vragen wy, of de oorzaak die deze zelfstandigheid zoude moeten voortbrengen, dezelfde eygenscliappen van het voortgebragte heeft, of niet €11 lieeft? Niet liet laatste is, want van de Niet kan geen let voortkomen ; Ergo dan het eerste. En dan vragen wy voorder, of in die eygenschap, die oorzaak zoude zijn van dit voortge- bragte, even zo veel volmaaktheyd is, of datter minder of datter meerder in is, als in dit voortgebragte? Minder kander niet in zijn, zeggen wy, om reeden vooren. Meerder ook niet, zeggen wy, omdat als dan deze tweede bepaakl zoude zijn. hetwelk strijd tegen 't geen nu al van ons bewezen is. Ergo dan even zo veel, ergo dan gehjk, en twe gelijke zelfstandig- heeden, klaarlijk strijdende niet ons voorige bewijs. Verder.
' Hierop te zeggon, dat de natnur ran de zaak ztilk rereischte, in (ierhalven niet ander.-i kunde zijn, is niot \Ii: niots] ge/eit : want do natuur van de zaak kan niots vereischen als zo niet en is. Zogt gy dat men nogtans kan zien wat tot do natuur van een zaak behoort die niet en is : dat is waar ^«o ad e.ristetifiani, niaar goen zins qno ad e.s^-ientiani. En hierin is 't ondorschcid tusschtMi schejtpen cii f/enereren. .Si'hop])on daii is oon zaake daarstoilon tjuo ad e.^^.^entiani et e.ii^tentiam .^innil ; niaar goneroren is, dat oon zaako voortkoint (jiio ad existentiatn .^tolani. En daarom isser nu iii do Natuur gooii schoppen maar aUoon gonororon. Zo dat dan als God schopt, /o scliopt hy do natunr van de zaak mot de zaak gelijk. En zo zoudo hy dan wangunstig zijn, zo hy (wel konnende maar iiiot ^iUoiido) do /aak /odaiiig had goscJiapon, ihit /y mot haar oor/aak iii ^^■nlta et e.ri.^tentia niot /ouiii» ovcroon komoii. Doch "t g»'t'ii wy hior schoppcii nocmoiu cn kan (Mgcntlijk niot go/oid wordon ooyt goschied te zijn, on is \^^\' om aan to wij/on, wat wy, tusschcn schepiien en rjenereren ondorsHiiJp stollendo, daar van konnen zeggen.
10 KOIITE VERIIANDELING.
't geene geschapen is, en is geon zins voortgekoomen van de Niet, maar moet noodzaakelijk van hem, die wezentlijk is, geschapen zijn. Maar dat van hem iets zoude voortgekomen zijn, 't welke iets hy niet als dan en zoude minder hebben nadat het van hem is voortgekomen, dat en konnen wy met ons verstand niet begrijpen. Eyndelijk, zo wy de oorzaak van die zelfstandigheid, die het beginzel is van de dingen dewelke uyt haar eygenscliap voorkomen, willen zoeken, zo staat ons dan al wederom te zoeken de oorzaak van die oorzaak, en dan weder de oorzaak van die oorzaak, et sic in infinitum; zodat, indien wy noodzaaklijk ergens moeten stuyten en rusten, gelijk wy moeten, zo is 't noodzaakelijk te rusten op deze allene zelfstandigheid.
Ten vierden, dat er geen zelfstandigheid of eggenschappen in het onegndelijk verstand Gods zijn, als die formelijk in de Natuur zijn, dat kan en word van ons bewezen, 1. uyt de oneyndehjke magt Gods, omdat in hem geen oorzaake en kan zijn door welke hy zoude hebben konnen beweegt worden, het eene eerder of meerder als 't ander te scheppen ; 2. uyt de eenvoudigheyd van zijne wille; 3. omdat hy 't geen goet is, niet kan nalaten te doen, gelijk wy hierna zuUen bewijzen ; 4. om dat \B. add. het] geene nu niet is het onmogelijk zoude zijn dat het zoude konnen komen, dewijl de eene zelf- standigheyd de ander niet en kan voortbrengen. En dat meer is, zo doende zouden er oneyndelijke zelfstandigheeden meer niet zijn als er zijn, het welke ongerijmt is. * Uyt alle deze dan volgt : dat van de Natuur alles in allen gezeyt word, en dat alzo de Natuur bestaat van oneyndelijke eygenschappen, van dewelke een ieder deszelfs in zijn geslagt volmaakt is. Hetwelk ten eenemaal overeenkomt met de beschrijvinge, die men van God geeft.
Tegen 't geene dat wy nu gezeyt hebben, namentlijk dat geen ding in het oneyndelijk verstand Gods is, als 't geen formelijk in de Natuur is, willen eenige op deze wijzen argu- menteren : Indien God alles geschapen heeft, zo en kan hy niet meer scheppen; maar dat hy niet meer zoude konnen scheppen strijd tegen zijn almogentheyd ; Ergo.
Het eerste belangende, wy staan toe dat God nietmeerkan scheppen. En wat het twede aangaat zeggen wy, ^t wy be- kennen, indien God niet alles zoude konnen scheppen wat
* Hsec sententia in B non legitur, ^^^
dp:el I. CAP. II. 1 1
scheppelijk is, zulks zoude strijden tegen zijn ahnogentheid, maar geen zins indien hy niet zoude konnen scheppen 't geene in zig zelven strijdig is; gelijk het is te zeggen dat hij alles geschapen heeft, en evenwel nog meer zoude konnen sclieppen. En zeker, het is een veel grooter vohnaaktlieid in (iod, dat hy alles wat in zijn oneyndelijk verstand was gescliapen heeft, als dat hy liet niet en zoude gescliapen he])ben, noch nooyt, zo zy spreeken, zoude hcbhen konnen scheppen. En waaroni dog hier van zo veel gezeyd? En argumenteren zy zelve niet aldus *, off en moeten zy niet aldus argumenteren : Indien God alwetende is, zo en kan hy dan niet meer weten ; maar, dat God niet meer weten kan, strijd tegen zijn vohuaaktheid ; Eryo — 'i ])og indien (Jod alles in zijn verstand heeft en door zijn oneyndelijke vohnaaktheyd niet meer kan weten ; wel waarom dan en konnen wy niet zeggen, dat hy ook alles wat hy in zijn verstand hadde, heeft voortgehragt, en gemaakt, dat het formelijk in de Natuur is of zoude zijnV
Dewijl wy dan nu weten dat alles gelijkehjk in het oneyn- delijk verstand Gods is, en dat 'er geen oorzaak is^ waarom dat hy dit eerder en meerder als dat zoude geschapen liebben, en alles konde in een ogenblik voortgebragt liebben, zo laat ons dan eens zien of wy niet tegen haar even de zelve wape- nen konnen gebruyken, die zij tegen ons aanneemen; aldus namelijk :
Indien (Jod nooyt zo veel kan scheppen of hy zoude nog konnen meerder scheppen, zo kan hy nooyt scheppen 't geen hy kan scheppen ; maar dat hy niet kau scheppen 't geen liy kan scheppen, is strijdig in zig zelve ; Kryo.
De reeden dan, om dewelke wy gezeyd hebben, dat alle deze eygenscliappen, die in de Natuur zijn, maar een eenig wezen is en geen zins verscheyde (want wy die, de eene zonder de ander, en d'ander zonder de ander [li. om. ha>c sex vocabula|, klaar en onderscheyden konntn verstaan), die zijndeze: 1. omdat wy nu al vooren gevonden hebben, dat 'er een oneyndelijk en vohuaakt wezen moet zijn, door hetwelke niet anders kan verstaan worden als zodaanig een wezen, van 't welke alles in allen moet gezeyt worden. Want hoe? aan een wezen, 't welk eenige wezentheyd lieeft, moeten eygenschappeii
' Dat is: wanneer wy hnar ii\ t (lc/.f l)t.'kcnteniss(> vnn dtit (iod aliif- tende in, doen argamenteren, dan en kunncn zy niet nls nldiis ar^unKMi- teren.
12 KOUTE VERIIANDELING.
gezet worden, en zo veel wezentheyd als men het meei* toe- schrijft, zo veel eygenschappen moet men het ook meer toe- schrijven, en gevolglijk, zo het wezen oneyndehjk is, zo moeten ook zijne eigenschappen oneyndelijk zijn, en even dit is het dat wy een vohnaakt [B. een oneindig] wezen noemen.
2. om de eenigheid, die wy alom in de Natuur zien. In dewelke ^ zo verscheyde wezens waaren, zo en konde de eene met de ander onmogelijk niet vereenigen.
Ten 3. omdat, gelyk wy nu al gezien hcbben, dat de eene zelfstandigheyd de ander niet kan voortbrengen, noch ook dat zo een zelfstandigheyd niet en is, het onmogelijk is dat ze zouden beginnen te zijn, En evenwel nogtans zien wy, dat in geen zelfstandigheyd (die wy niet te min weeten dat in de Natuur is), afzonderlyk begrepen zijnde, eenige noodzakelijk- heid is, om wezenthjk te zijn, aangezien geen wezentlijkheyd aan hare bezondere wezentheyd toebehoort ^. Zo moet nood- zakelijk volgen, dat de Natuur, dewelke van geen oorzaaken komt, en die wy nogtans wel weten dat is, noodzakehjk een volmaakt wezen moet zijn, aan dewelke wezenthjkheid toebe- hoort.
Uyt dit alles dan, dat wy nu dus verre gezeyd hebben, blijkt, dat wy de uytgebreydheyd een eygenschap van God stellen te zijn ; dewelke in een volmaakt wezen geen zins en scheynt te konnen vallen: want nademaal de uytgebrej^dheyd deelbaar is, zo zoude het volmaakte wezen van deelen bestaan,
1 Dat is, zo [B add. 'r] verscheyde zelfstandigheden waren die niet tot een eenig wezen betrokken wierden, zo dan was de vereeninge onmo- gelijk, omdat wy klaarlijk zien dat zy al heel geen gemeenschap te zamen hebben als denking en uitgebreidheid, daarvan wy nogtans bestaan.
2 Dat is, indien geen zelfstandigheid kan zijn als wezentlijk, en even- wel nogtans geen wezentlijkheid volgt uyt haar wezen, wanneer ze afge- scheide begrepen word, zo volgt dat ze niet iets bezonders, maar iets, dat is een eigenschap, moet zijn van een ander: namentlijk het een, alleenig en \B: of] alwezen. Of aldus : Alle zelfstandigheid is wezentlijk, en geen wezentlijkheid van eenige zelfstandigheid, op zig zelfs begrepen, en volgt uyt zijn wezen ; Ergo dan, geen wezentlijke zelfstandigheid kan op zig zelve worden begreepen, maar moet tot iets anders behooren. Dat is, met ons verstand de zelfstandige denking en uytgebreidheid ver- staande, zoo verstaan wy die niet als in haar wezen en niet in haar wezentheid, dat is dat haar wezentheid noodzakelijk aan haar wezen toebehoort: dog omdat wy bewijzen dat ze een eygenschap van God is, daar uyt bewijzen wy a priori dat ze is, en a poHeriori (ten aanzien van de uytgebreidheid alleen) uyt de wijzen die noodzaakelijk dit tot haar suhjectiim moeten hebben.
DEEL I. CAP. II. 13
't welk aan Ciod alhoel niet kan toegepast worden, dewyl liy een eenvoudig wezen is. Daar en boven, als de uytgebre^d- heid word gedeelt, zo isse lijdende, dat ook geen zins in (iod (die onlijdelijk is, en van geen ander kan lijden, nadien hy van alles de eerste werkende oorzaak is) plaats kan hebljen. Waarop wy antwoorden : 1. dat deel en geheel geen waare of daadelijke wezens zijn, maar alleen wezens van reeden, en dienvolgende en zijn in de Natuur ^ nog geheel nog deelen. Ten 2. een zaake, te zaamen gezet van verscheide deelen, moet zodanig zijn, dat de delen deszelfs, in het bezondor ge- nomen, de een zonder de ander kan bevat en verstaan worden. Als by exempel in een uurwerk, dat van veele verscheide raderen en touwen en anders is te zaamen gezet; daarinkan, zeg ik, een yder rad, touw, etc. bezonder bevat en verstaan worden, zonder dat het geheel zo als 't samengezet is daar toe van nooden is. Desgelijks meede in het water, hetwelke van regte lankwerpige deeltjes ])estaat, kan yder deel deszelfs bevat en verstaan wordeii, en bestaan, zonder 't geheel : niaar de uytgebreydheyd, zijnde een zelfstandigheyd, van die eii kan men niet zeggen dat ze deelcn heeft, aangezien ze nocli kleynder noch grooter kan worden, en geen deelen deszelfs bezonder zoude konnen worden verstaan, dewijl zy in haar natuur moet oneyndelijk zijn. En dat ze nu zodanig moet zijn, volgt liier- uyt, namentlijk om dat, indien zy zodanig niet en is. maar
' In de Natuur, dit is in de zelfstandige uitgebroidheid ; want, die gedeeld wordendo, zo word haar natuur on wezen feenmaal vernietigt, als die alleen bestaat in oneyndige uytgebreydheid of geheel tezyn,dat het zolfde is.
Maar, zult gy zeggen, isser geen deel in de uytgebreydheid voor alle wijze ? Geenzins, zeg ik. Maar, zegt gij, alsser bewoging in do st<»f is, die moet in ecn deel van dc stof zijn, want nict in 't geheol, dowijl die oneyndig is ; want waarhoen zou die bcwogen wordenV buyton haar is niet. Ergo dan in een decl. Antw.: Daar is geen bewoging alloon, niaar bewcging on stilte zanien; on dozo is in liot gohool on nioot »b»ar iii zijn, want daar is geen dool in do uytgobioydhoid. Zo gy nog al ja zogt, zogt my dan : als gy dc lieele uytgol)reidhoyd doolt, dat diol dat gy mot u fyersitand van h^ar afsnijd, kont gy ook na de natuur van alle doeh'n daar van afscheido; dat dan godaan zijnde vraag ik, wat isser tussohon dit afgosneode docl en de rostV gy moot zoggon, of oon yilol of oon ander lichaam, of dat van do uijtgehreidhiijd solvo; daar is goon vier<lo. Niet het oorsto, want daar is goon ydol, dat stollig on goon ligchaam is: niot hct twoodo, want daii was 'or wijzo, dic 'or nict kan zijn, want k\o uyt- gebrcidhoid als uytgobroidhoyil is zondor on voor allo wij/.o. Krgo «lan het derde; en zo 'er issor geen dool, maar tlo nytgobroydlu^vil gohtol [B: maar de uytgebr. enkel cn ondeolbaar.J
14 KOKTE VfJRIIANDELING.
dat ze zoude van deelen bestaan, zo en waar zy geeiizins door haar natuur oneyndelijk, als gezeyd : Dog dat in een oneyndelijke natuur deelen zoude konnen worden geconcipieert, is onmogelijk, want door liaar natuur zijn alle deelen eynde- lijk *. Doet hier nog by : indien zy van verscheyde deelen zoude bestaan, zo zoude dan konnen verstaan worden, dat, eenige deelen deszelfs vernietigt zijnde, evenwel nogtans de uytgebreydheyd zoude blijven en niet door eenige vernietigde deelen meede vernietigt worden ; een zaak dewelke klaarlijk tegenstrijdig is, in zo iets, hetwelke door zijn eygen natuur oneyndig is, en nooyt bepaald off eyndig kan zijn off verstaan worden. — Voorder, wat dan nog belangt het deelen in de Natuur: daarop zeggen wy, dat de deehnge noyt, gelijk al vooren mede gezegt is, en geschied in de zeltstandigheid, maar altijd en alleen in de wijzen van de zelfstandigheid. Ik dan, willende water deelen, deel alleen maar de wijze van de zelfstandigheid, en niet de zelfstandigheid zelve. Welke wijze, nu van water, dan van wat anders, altijd het zelve is **.
De deeling dan of lijdinge geschied altijd in de wijze ; gelijk, als wy zeggen dat de mensch vergaat of vernietigt word, zo word dat alleen verstaan van de mensch ten aanzien hy zo een 't zamenstel en wijze is van de zelfstandigheyd, en niet de zelfstandigheid van dewelke hy afhangt zelve.
Ten anderen: wy hebben alreeds, gelijk wy ook nog hier na zuUen zeggen, gesteld, datter buyten God niets niet en is, en dat hy een Inhlijvende oorzaak is. Dog de lijdinge, zo wanneer de doender en de lijder verscheyden zijn, is een tas- telijke onvolmaaktheid, want de lijder moet noodzakelijk van datgeene afhangen, hetwelke hem van buyten het lijden heeft veroorzaakt ; het welk in God, die vohnaakt is, geen plaats heeft. Voorder van zo een werker, dewelke in zig zelfs werkt, en kan men nooyt zeggen dat hy die onvolmaaktheid heeft van een lijder, dewijl hy niet van een ander lijd; gelijk als daar is het verstand, hetwelke, zo ook de Philosophen zeggen. een oorzaak is van zijn begrippen, maar aangezien het een
* B: nadlen alle die deelen door haar natuur oneindeUjk zouden moeten zijn.
** B : ik dan, deelende het water, deel niet de zelfstandigheyd, maar alleen de tvijze van de zelfstandigheid ; u-elke zelfstandighei/d, schoon verscheidend- lijk gewijzigd zvjnde, altoos de zelve fs\
DEEL I. CAP. II. 15
inblijvende oorzaak is, wie zoiide * dorven zeggen dat het onvolinaakt is, zo dikwijls liet van zig zelven lijd? P^yndelijk de zelfstandigheyd, dewijl zy *^' het beginsel is van alle liaare wijzen, zo kan zy m(it veel grooter regt een doender als een lijder genoemt worden. En met dit gezeyde agten wy alles genoegzaam beantwoord.
Daar word voorder tegengeworpen, datter nootzakelijk een eerste oorzaak, die dit lichaam doet bewegen, moet zijn, want het zig zelfs als 't rust onmogelijk niet bewegen kan. YjW aangezien het klaarlijk blijkt, datter in de Natuur ruste en bewegingo is, zo moet die, meenen zy, nootzaakelijk van een uytterlijke oorzaak lierkoomen. I)og hgt is liet voor ons, hier op te antwoordcn; want wy staan toe, dat indien het hghaani een zaake was door zig zelfs bestaande, en anders geen eygen- 8chap en hadde als lang, ])reet, en dic}), dat alsdan in het zelve geen oorzaak zou zijn, indien liet waarhjk ruste, om zig zelfs te beginnen te bewegen; maar wy hebben als vooren gesteld de Natuur een wezen te zijn, van het uelke alle eygen- arhappen gezeid tvorden, en dit zo zijnde, zo en kan haar niets ontbreeken, om voort te brengen alles wat voort te brengen is.
Tot hiertoe dan gesprooken van wat God is, zullen wy van zijn eygenschappen maar gelijk als met een woord zeggen, hoe dat dezelve, welke ons bekent zijn, maar bestaan in twee, namelijk Denking en Uiifgebrcgdhcid ; want hier spreeken wy maar alleen van eygenscliappen dic men zoude eigene eggcn- schappen Gods konncn nocmen *^*, door dewclke wy hcm in zig zelf en niet als wcrkcnde buytcn zig zclfs komen te ken- nen. Al wat dan dc mcnschcn aan God ))uytcn dcze twee eygenschappcn mcer toeschrijvcn, dat zal (iudicn lict andcrzius tot hem behoord) moeten zijn off een uytwendigc bcnaming, gelijker wijs als dat hy is door zig zelfs hestaande, Eeuig, Kenig, OnveranderliJ/:, enz., ofte, zeg ik, in opzigt van zijne wcrkingc ; gelijkcrwijs als dat hy is een oorzaak, een Voorbe- scliikker, en Jiegeerdcr van allc dingen: welke alle eygen aan God zijn, zonder nogtans te kcnnen tc geeven wat hy is. Edog, hoe cn op wat wijzc dcze eygenschappen nogtans in
* B: En hoeuvl /itl rirstant/, </>/iJ/i' (/»' WijslMiiferiyc zegijrn, ten tnn-ziiak: zijner hegrippen is, iiiini/ezien Itet een inhlijrende tmrznali- i.v, %rie znl.
** B. — A: Deirijl zij en Jiet heginsel. Kortussi': de t»orztiak en het be- ginsel.
*," 15: ilie nitn intiirelijk (itnls eii/en^c/itip/ien nnennii k:tin.^
16 KORTK VKHHANDKLING.
God plaats konnen hebben, zullen wy liierna in de volgende liooftdelen zeggen. Maar tot beter verstand dezes en naader opening, hebben wy goet gedagt, deze volgende reedenen hier by te voegen, bestaande in een
ZAMENSPREEKING
tusschen het
Verstand, de Liefde, de Reede, en de ]5egeerlijkheid.
LiEFDE. Ik zie, Broeder, dat ten eenemaal mijn wezen en volmaaktheid afhangd van uwe volmaaktheid ; en nadien de volmaaktlieid van het voorwerp 't welk gy begrepen hebt, uwe volmaaktheid is, en uyt de uwe weeder de mijne her- voortkomt, zo zegt my eens, ik bid u, of gy zulk een wezen begreepen hebt, dat ten oppersten vohnaakt is, niet konnende door iets anders bepaald worden, en in het welk ik ook begrepen ben?
Verstand. Ik voor my en aanschouw de Natuur niet anders als in zijn geheel, oneyndehjk, en ten oppersten volmaakt, en gy, zo gy daaraan twijffeld, vraagd het de Reeden, deze zal het u zeggen.
Eeeden. De waarheyd hier van is mij ontwijffelijk, want, zo wy de Natuur willen bepaalen, zo zullen wy hem, 't welk ongerijmt is, met een Niet moeten bepalen, en dat onder deze volgende ^pygenschappen, namehjk dat hy is Een, Eeuwig, door zig zelfs onegndelijk ; welk ongerijmtheid wy ontgaan, stellende dat hy is Een Eemvige Eenheid, oneindig, almagtig, enz. ; de Natuur namenthjk oneyndig, en alles in dezelve begreepen ; en de ontkenninge dezes noemen wy de [B. 'n] Niet.
Begeerlijkheid. Ey dog ! dit rijmt zig al wonderlijk, dat de Eenheid met de Verscheidentheid die ik alomme in de Natuiir zie, te zamen overeen komt. Want hoe? ik zie dat de verstandige zelfstandigheid geen gemeenschap heeft met de uytgehreide zelfstandigheid, en dat d'een de andere bepaakl ; en indien gy buyten deze zelfstandigheeden nog een derde wilt stellen, die in alles volmaakt is, ziet zo wikkeld gy u zelven in openbaare strijdigheeden ; want zo deze derde gesteld word buyten de twee eerste, zo ontbreeken hem dan alle de eigenschappen die deze twee toebehooren; het welk immers in een geheel, buyten 't welk geen ding is, geen plaats kan
DEEL I. CAl*. II. 1 t
hehben. ]^aar en hoven, zo dit wezen almagtig is ende vol- maakt, zo zal het zoodanitj; dan zijn, om dat het zig zelfs, en niet om dat hot ocn andor heoft voroorzaakt ; en nogtans zoude hy almagtiger zijn, die dowelko en zig zelvo en daar en hoven nog eon ander kondo voorthrongen. En eyndoHjk^ indien \i.\ *t {B. hem| alwotende noemd, zo is 't noodzaakolijk dat liot \B. hyj zig zolfs kenne; en met een moet gy vorstaan, dat de kennisse van zig zelfs alleon minder is, als d<! kennis van zig zelfs te zamen met de kennisse van de andere zolfstandig- heeden. All het welk openl)aare tegenstrijdigheden zijn. En daarom wil ik de Liefdo geraadon hehhen, dat zy zig gerust houde met hetgene ik liaar aanwijze, en na geen andere din- gen om te zien.
LiEFDE. Wat dogh, o Eerlooze, heht gy my aangeweze anders als datgene uyt lict welke terstond mijn verderf ge- vloeyd is. Want zo ik my ooit met datgcne 't welk gy my hebt aangewezen hadde vereenigd, aanstonds was ik vervolgd geweest van twee liooftvyanden dos menschehjken gcslaghts, de Haaf namcntlijk, cn lict Brroiuc, cn van Ver^jeelenheid ook mcnigmaal ; cn alzo kcer ik my andermaal tot de Reeden, en dat \B. op dat] iiy maar voortgaa en aan dezc vyanden dcn mond stoppe.
Reede. Dat gy dan, o ]3cgeerlijkhcid, zegd, verschcidc zclf- standigheden te zien, dat is, zeg ik u, valsch: want klaarlijk zie ik dat 'er maar een Eenige is, de ivelke door zi</ zelve hestaat, en van alle de andcre eicjenschappen een ondcrhoudcr is. En byaldien gy dan het lighaamclijkc en het verstandige wilt nocmcn zclfstandighccden in opzigt van de wijzen, dic daarvan afhangig zijn, wcl aan, zo moct gy haar dan ook wijzcn noemcn in o])zigt van dc zclfstandighcdcn \B. zclfstan- dighcid] van dewclkc zy afhangcn : want als door zig zelfs hcstaandc, en worden zy van u niet bcgrcpcn. ]^n op dezclvc manicr, als hct willcn, gcvoclcn, verstaan, beminncn, cnz. vcr- scheydc wijzcn zijn van 't geeno gy ecn denkondc zclfstandig- heid nocmd, die gy allcs tot een brengt, cn van allc dczc ccn maakt * ; alzo ik dan ook hesluyte, door uw eygen hcwijzcn, dat En de Onci/ndi(jc uijtychreidheid cn den/iinj, niitst/adcrs andere oncijndige cjjcnschdppcn (of volgens uw styl andoro zelfslandighecdcn) nict andcrs zijn als wijzcn van dat F.rnliu.
I» : U(i(ir tof ;/i/ dii nllc firfni/d »71 /"/ «'«■/* inaak-f. 111.
18 KORTE VERHANDELING.
Eemvige, Oneindige, door zigzelfs hestaande weezen; en van alle deze stellen wy, als gezeid, JEen Kenige ofte Eenheid, buyten welke * men geen zaake verbeelden kan.
Begeerlijkheid. In deze uwe manier van spreeken, zie ik, zo my dunkt, een zeer groote verwerringe; want gy schijnt te willen, dat het geheel iets zoude zljn buyten of zonder zijn deelen, dat voorwaar ongerijmt is. Want alle philosophen zeggen eenparig, dat het geheel is een tiveede kundigheid, en dat in de Natuur huyten het menschelijk hegrip geene zaake en is. Daar en boven, zo ik uyt u Exempel afneem, zo vermengd gy het geheel met de oorzaak: want, gelijk ik zegge, het ge- heel hestaat alleen van of door zijn deelen, en alzo is 't dat gy de deiikende kraght verbeeld als een zaak van dewelke het Verstand, de Liefde, enz. afhangd. En gy kont die geen Ge- heel noemen, maar een Oorzaak van de Uytiverkzelen van u nu al genoemd.
Eeede. Ik zie vast hoe gy tegen my alle uwe vrunden te zamen roept, en alzo 't gene gy niet vermogt hebt, met uwe valsche redenen uyt te werken, dat tragt gy nu te doen met dubbelzinnigheid van woorden, gelijk gemeenlijk het werk is dergenen, die zig teegen de waarheid kanten. Dogh 't en zal u, om door dat middel de Liefde tot u te krygen, niet ge- lukken. Uw zeggen dan is, dat de oorzaak {aangezien zy is een Veroorzaker van de uytwerkzelen) derhalven huyten dezelve moet zijn. En dit zegd gy daarom dewijl gy maar alleen en weet van de oovergaande en niet van de inhlijvende oorzaak, dewelke geenzins iets buyten zig zelve voortbrengd, by voor- beeld het Verstand, het welk oorzaak is van zijn begrippen. En daarom word ook het verstand van my (voor zo veel, of in opzigt zijne begrippen daar van afhangen **) genoemt een oorzaak ; en wederom, in opzigt het bestaat van zijne begrip- pen, een geheel: alzo ook God en is met zijne uytwerkzelen of schepzelen geen ander, als een Inhlijvende oorzaak, en ook een geheel, in opzigt van de tweede aanmerkinge.
B : . . . iveezen, waar in alles een en eenig is, en huyten welke eenheid. ■ B. — K: het van zijne begrippen afhangt.
DEEL I. CAP. II. 10
TWEEDE ZAMEN8PREEKINGE,
DIENENDE EENSDEELS TOT DAT VOORCJAANDE, ANDERDEELS TOT IIET TWEEDE NAVOIAJENDE DEEL, TUSSCIIEN
E R A S M U M EN T II E O I' H I L U M.
Erasmus. Ik heb U, o Theophilo, hooren zeggen, dat (jlod een oorzaak is van alle dinyen, en daarby dat hy (leen andere oorzaak kan zijn, als een Inhlijvende. Indien hy dan een in- bitjvende oorzaak is van alle dinyen, hoe dan kon gy heni een verder [Ji. eerderj oorzaak noeinenV Want dat is in een Inblijvende oorzaak oninogelijk.
TiiEoPHiLus. Wanneer ik gezegd hebbe, dat God een verder [7i. eerder] oorzaak is, zo is dat van niy niet gezegd, als in opzigt van die dingen, dewelke God (zonder eenige onistandig- heeden, als alleen zijne wezentlijkheid) onniiddelijk heeft voort- gebragt ** ; maar geenzins dat ik hem absoluyt een verder [Ji. eerder] oorzaak hebben genoemt: hetwelk gy ook uyt mijne woorden klaar hebt konnen afneomen. Want ik heb ook gezeid, dat wy hem in eeniger manieren een verder [A = Ji\ oorzaak konnen noemen.
Erasmus. 't Geen gy my wilt zeggen, verstaa ik nu genoeg- zaam ; maar ik merke ook aan, dat gy gezegd hebt, daf het gevrogte van de [J^: eener] innerlijke oorzaak op zodanig een wijze met zijn oorzaak vereenif/t hlijft, dat het met dezelve te zamen een geheel maakt. En indien dit zo is, zo en kan, dunkt my, God geen inblijvendo oorzaak zijn. Want, zo hy en 't geene van hem is voortgebragt te zamen een geheel maaken, zoo schryft gy God op de eene tijd meer wezen toe, als op de andere tijd. Neemt my, ik bidde u, deze twijttel weg.
Theopiiilus. Zo gy, Erasme, uyt deze verwarriiifj; wihl geraa- ken, zo neemt eens wel in acht, liet geen ik u hier zal zeggen. Het wezen van de zaak en neemt niet toe door liet vereenigen van een ander zaak, met dewelke het een gelieel maakt ; maar in teegendeel het eerste blijft onveranderlijk. Ik zal u. op (hit gy my te beter zoud verstaan, een voorbeeKl stelhMi. Ken beehlhouwer die heeft van liout gemaakt versclieyde gechiante, na de gelijkenis van de deelen eenes menschelijken hghaams; hy neemt een van deze, 't welk de gedaante h(»eft van e(»n menschelijke borst, hy voogd het te zamen met een ander, dat
* Ex hnc sententia quicdnm excidisse in nprico ont. Cf. infrn p. 21.
20 KOKTE VERHANDELINO.
de gedaante hceft van een niensclielijk hooft, en maakt van deze twec een geheel, hetwelk het bovenste gedeelte van een menschelijk Hghaam vertoond; zult gy nu daarom zeggen, dat het wezen van het hooft heeft tocgenomcn, omdat het vereenigt was met de borst? Dat is bedrog, want het is het zelfde dat het te vooren was. Tot meerder klaarheid zal ik u een ander voorbeekl stcllen, namentlijk een dcnkbeekl, hetwelk ik hebbe van een driehoek, en een ander ontstaande door uytstrekking van een van die hoeken, welke uytgestrekte of uytstrekkende hoek noodzakelijk gelijk is met de twee teegengestekle inner- lijke, en zo voort. Deze, zeg ik, hebben voortgebragt een nieuw dcnkbeeld, nl. dat de drie hoeken van den driehoek gelijk zijn met twee regte. Welk denkbeeld met het eerste zo vereenigd is, dat het zonder dezelve niet bestaan nogh begreepen kan worden. [En van alle denkbeelden, die een ieder heeft, maaken wy een geheel, ofte {'t welk hetzelfde is) een wezen van reeden : 't welk wy Verstand noemen.] * Ziet gy nu wel, dat alschoon dit nieuw denkbeeld zig vereenigd met het voor- gaande, dat daarom in het weze van 't voorgaande geen ver- andering vald, maar integendeel zonder de minste verande- ring blijft. En hetzelve kont gy ook zien in een iegelyk denkbeeld, dat in zig liefde voortbrengd : welke liefde in gee- nerlei wijze het weze van het denkbeeld doet toe neemen. Maar waar toe zoveel voorbeelden opgehoopt? daar gy zelve in het voorgebeelde, waaraf wy nu spreeken, dit klaarlijk kond zien. Ik heb duydelijk gezegd, dat alle eygenschappen, die van geen ander oorzaak afhangen, en om welke te beschryven geen geslagt van nooden is, aan het wezen Gods toebehooren : en dewijl de geschapen dingen niet magtig zijn, een eygenschap te stellen, zo en vermeerderen zy door deze het wezen Gods niet, hoe naauw zy ook met het zelve komen te vereenigen. Doet hierby, dat het Geheel maar is een ivezen van Reeden, en niet en verschild van H aigemeen, als alleen hier in, dat het algemeen gemaakt ivord van verscheide Nietvereenigde ondeilhaare, maar het Geheel van verscheide Vereenigde ondeilbaare ; en ook hierin, dat het Algemeen maar begrijpt deelen van het zelve geslagt, maar het Geheel deelen en van hetzelve en van een ander geslagt. **
* Sententia e margine irrepsisse videtur.
** B: . . . verscheide niet vereenigde ondeelbare, van hetzelfde geslagt; maar het geheel van verscheiden vereenigde ondeelbare, zo van een ander als van het zelfde
DKKL 1. rAl*. II. 21
Erasmus. Zoveel dit }jelung<l liobt gy niy voldaan. Maar boven dit hebt gy nog gezegd, dat het tjevroyte van de [li: 'nj inrierlijke oovzaak niet en kan vertjaan zo lanj zijn oovzaak dnuvd ; hetwelk ik wel zie zeeker waar te zijn *, maar \IS\ wantj, dit zo zijnde, hoe kan (Jod dan nog zijn een innerlijke oorzaak van alle dingen, daar nogtans veel dingen te niet gaan? Dog gy zult volgens uw voorige onderscheid zeggen, dat God eigenflijk een oorzaak is van die gevrofjte, die hy onmid- delijk, zondev eenige meev omstandigheeden als alleen zijne eijgen- schappen, heeft voovtgehvagt ; en dat deze dan zo lang haav oovzaak diinvt niet en konnen te niet gaan; maav dat gg God geene innevlijke oovzaak noemd van die gevvogte, welkevs wezent- lijkheid niet onmiddelijk van hem afhangen, maav van eenige andeve zaak gewovden zijn, als alleen voov zo reel haave oovzaa- ken zondev God [li: zonder en buytcn hem] niet wevken, nog konnen wevken, nog ook hngten hem, en hierom dan ook, aange- zien zy niet onmiddelijk van God zijn voortgebragt, te niet konnen gaan. Dogh dit en voldoet my niet. Want ik zie dat gy besluyt, dat het mensclielijk verstand onsterfelijk is, omdat het een gevrogt is, dat God in zig zelfs heeft voortgebragd. Nu dan, het is onmogelijk, dat 'er meer van nooden is geweest, om een zodanig verstand voort te brengen, als alleen de eigenschappen Gods ; want om te zijn een wezen van zo een uytsteekende volmaaktheid, zo moet het alzo wel, als alle andere dingen, die onmiddelijk van God afhangen, van eeuwigheid geschapen zijn. En zo ik my niet bedrieg, heb ik het u hooren zeggen. En dit dan zo zijnde, hoe zult gy dit, zonder zwarig- heid over te laaten, rondschieten [B: veretfenen]?
TiiEOPHiLUs. 't Is waar, Erasme, dat die dingen (die om haar wezentlijkheids wille geen ander ding van doen hebben, als de eygenschappen Gods), die onmiddelijk van liem, van eeuwigheid gescha])en zijn. Maar staat aan te merken, dat alschoon het noodzaakelijk is, dat er tot de wezentlijkheid van een zaak vereyscht word een IJezondere wijzing {modificatio) en [H: van] een zaake buyten de eygenschappen (iods. dat daaroni even wel God niet nalaat een zaak onmi(hlelijk te konnen voortbrengen. Want van de nootzaakelijke dingen die vereyscht worden, om de zaaken [B : een zaakj te doen zijn, zijn oenige omdat zy de zaak zouden voortbrongen, en aiidero omdat de zaak zoude konnen voortgebragt zijn. Als by voor-
" B: hit geen ik zie niet iraar te zijn.
22
KOUTE VERIIANDELINU
beeltl : ik wil in zeoker kamer ligt hebben ; ik steek het op, en dit verhgt door zi</ zelfs de kumer, oft' ik doe een venster open, welke opening wel niet zelfs het Hgt maakt, maar nog- tans te weege brengd, dat het hgt in de kamer kan in komen. * En alzo word ook tot do beweeging van een hghaam een ander hchaam vereyscht, 't welk al die beweeging moet hebben, die van hem over gaat tot liet ander. Maar om in ons een denk- beekl van God voort te brengen, en word geen ander bezonder zaak vereyscht, die daar hebbe hetgeen in ons voortgebragt word, maar alleen een zodanig lighaam in de Natuur, welkers denkbeeld noodzakehjk zij, om God onmiddelijk te vertoonen. 'T geen gy ook uyt mijne woorden hebt konnen afneemen : want God, heb ik gezeid, word alleen door zig zelfs, en niet door wat anders gekend. Dog dit zeg ik u, dat zo lange wy van God niet en hebben een zoo klaaren denkbeeld, hetwelk ons in diervoegen met hem vereenigd, dat het ons niet toe- laat eenige zaake te beminnen buyten hem, wy niet en konnen zeggen waarlijk te zijn met God vereenigd, en zo onmiddelijk van hem af te hangen. En 't geene gy nog zout mogen hebben te vraagen^ laat dat op een ander tijd zijn; tegenwoordig nodigd my de gelegentheid tot wat anders. Vaart wel.
Erasmus. Voor 't tegenwoordig niet, maar ik zal my nu met 'et geen gy my nu gezeid hebt bezighouden tot naader ge- legentheid, en u God bevelen.
CAP. III.
DAT GOD IS EEN OORZAAK VAN ALLES.
Wy zuUen dan als nu aanvangen te handelen van die eygenschappen, welke wy Eigene ^ genoemd hebben. En voor- eerst hoedanig God een oorzaak is van alles.
* '&: ik steek dit op, of ik doe een venster open, waar op de kamer tcord verligt, zoo maakt die opsteeking of opening van de kamer door zig zelf het ligt niet, maar brengt alleen te weeg dat het ligt de kamer ktint ver- ligten, of daar in kan komen.
^ Deze volgende wor.den Eigene genoemd, omdat ze niet anders als Adjectiva, die niet verstaan konnen worden zonder haar Substantiva. Dat is, God zoude wel zonder deze geen God zijn, maar nogtans is door deze geen God; want zy niet zelfstandigs, door welke God alleen bestaat, te kennen geven.
DEEL I. CAI'. II. 23
Hier te vooren dan liebben wy nu al gezeid, Ikx' <lai (Jc eene zelfstandifjheid de andere niet lcan voortbrent/en; en dat God een ivezen is, van ivelke alle ei/fjensclia/jpen (/ezeid worden ; aUvnnr uyt klaarlijk volgd, dat alle andere dingen geenzins en koiinen nog bewtaan, nog verstaan worden, zonder nog buyten liein. Weshalven wy dan met alle reeden niogen zeggen, God te zijn een oorzaak van alles.
Aangezien men dan gewoon is de werkende oorzaak in agt deelen te verdeelen *, zoo laat ik dan eens onderzoeken, hoe en op wat wijze God een oorzaak is?
1. dan zeggen wy, dat hy is een uitvloejendc ofte daar- stellende oorzaak van zijne werlcen; en in opzigt de werkinge geschied, een doendc ofte werkcnde oorzaak, hetwelk wy voor een stellen, als op elkander opzigtig zijnde.
Ten andercm is Hy een inhlijvende, en geen over(/aandc oor- zaake, aangezien hy alles in zig zelfs, en niet buyten zig en werkt, omdat buyten hem niets niet en is.
Ten derden. God is een vrye oorzaak en geen natuurlijke, gelijk wy dat heel klaar zullen toonen, en doen blijken, wan- neer wy zullen handelen van of God kan nalaatcn tc docn hetgene hy doet ? alwaar dan meteen verklaard zal worden, waar in de ivaare vrijheid bestaat.
4. God is een oorzaak door zig zelfs, en niet door een toeval; hetwelk uyt de verhandeling van de Pnedestinatie nader zal blijk(;n.
Ten vijfden. God is een voornaame (jorzaak van zijne ircr- ken, die hy oninidd(diJk geschapen hceft, als daar is de roeringe in de stof, enz. ; in welke de min voorname oorzaak geen plaats kan hebben, nadien dezelve altijd is in de bezondere dingen; als wanneer hy door een harde wind de zee droogh maakt **, en zoo voort in alle bezondere dingen, die in de Natuur zijn.
De Min voornuani-bcginHcndc oorzaak en is /// (lod niet, omdat buyten hem niet is dat hem zoude konnen prangen. Dog de voorgaande oorzaak is zijn vohnaaktheid zelve ; door dezelvo is hy en van zig zelfs een oorzaak, en by gevolgh van allo andoi-e dingen.
* Cff. BiirgcTs.licii Instilt. !.«»;,'. I. 1. cp. 17; i>ault> alitcr rjiis»!. MoUpli. 1. 1. cp. 2(5.
** li. exumpluin hoccr iu ruairgiucni lolcgjivit.
24 KORTE VEKIIANDELINU.
Ten zesden. God is alleen de eerste ofte Beyinnende oorzaak, gelijk blijkt by onze voorgaande botooging.
Ten zevende. God is ook een Algenieene oorzaak, dogh alleen in opzigt dat hy verscheide werken voortbrengt, andors kan zulks nooit gezeid worden: want hy niemand van doen heeft, om uytwerkselen voort te brengen.
Ten Aghtsten. God is de naaste oorzaak van die dingen, die oneyndelijk zijn, en onveranderlijk, en de welke wy van hem zeggen onmiddelijk geschapen te zijn, dog de laatste oorzaak is hy en eenig zins van alle de bezondere dingen.
CAP. IV.
VAN GODS NOODZAKELIJKE WEEKEN,
Dat God het geene hy doet zoude konnen laten te doen, ontkennen wy, en zuUen het meede bewijzen, handelende van de Prjedestinatie ; alwaar wy betonen zullen, dat alle dingen noodzaakelijk van hare oorzaaken afhangen. Dog ten andere dit word meede bewezen door de volmaaktheid Gods; want het is buyten alle twijffel waar dat God als eeven zo volmaakt kdnTitytwerken, als het in zijne Idea is hegreepen; en gelijker- wijs dingen die van hem verstaan worden, van hem niet vol- maaktsr konnen verstaan worden, als hy die verstaat, alzoo konnen van hem alle dingen zo volmaaktelijk worden uytge- werkt, dat ze van hem niet volmaakter en konnen voortkomen. Ten anderen [B: doch], als wy besluyten, dat God niet heeft konnen nalaten te doen 't geene hy gedaan heeft, zo ontleenen wy dat van zijne volmaaktheid ; dewijle het in God, te konnen nalaten 't geen hy doet, een onvohnaaktheid zoude zijn ; zon- der nogtans in God te stellen een min voornaam-beginnende oorzaak, die hem zoude bewoogen hebben te doen, want als- dan en waar hy geen God.
Dog nu valt wederom het geschil, namentlijk, of God al dat welk in zijn Idea is, en hy zo volmaaktelijk kan doen, of hy dat, zeg ik, zoude konnen nalaten te doen? en of zulk nalaten in hem een volmaaktheid is? Wy zeggen dan, dewijl alles dat 'er geschied van God gedaan wort, alzo by hem noodzaakelijk moet voorbepaalt zijn, andersins waar hij ver- anderUjk, dat dan in hem een groote onvolmaaktheid zoude
DKEL I, CAl'. IV. 25
zijn. En dat dozo voorbepaaldheid by lioni van eeuwigheid moet zijn, in welke eeuwigheid geen voor of na is, zo volgt daaruyt kragtelijk, dat Uod te vooren op geen ander wijs de dingen heeft konnen voorbepaalen, als die nu van eenwigheid bepaald zijn, en dat (iod nog voor, nog zonder deze }>epaiinge heeft konnen zijn. Voorder, als God iets zoudo nalaten te doen, zo niost dat voortkomen uyt een oorzaak in hem, of uyt geen ; ja, dan is 't noodzaakelijk dat hy het raoet nahiten te doen ; zo neen, zo is 't noodzakelijk dat hy het niet moet nahiten; dits in zig zelfs klaar. Alvoorder: in de geschape zaake is het een volmaaktheid datze is, en datze van God is veroorzaakt, want van alle onvohnaaktheid is de grootste onvohnaaktheid liet niet zijn ; en dewijle het heyl en de vol- maaktlieid van alles is de wille Gods, en als God dan zoude willen dat deze zaake niet en waar, zo zoude immers liet heil en de vohnaaktheid van dezelfde zaak bestaan in het niet zijn, hetwelke in zig zelfs tegenstrijdig is. Alzoo dat wy dan ont- kennen, dat God kan nalaten te doen, hedjeene hi/ doet. Het- welk zommige voor laster en verkleininge Gods acliten; dog dit zeggen komt hervoort, omdat niet regt begreepen wort, waarin de ware vryheid bestaat; dewelke geenzins en is, zo zy waanen, namentlijk in iets goets of kwaats te konnen doen of laten, maar de ware vrijheid is alleen of niet anders als de eerste oorzaak, dewelke geen zins van iets anders geprangt of genoodzaakt wordt, en alleen * door zijne vohnaaktheid oor- zaak is van alle volmaaktheid : en dat dien volgende, zo God dit konde laten te doen, iiy niet vohnaakt zoude wezen : want het goet doen of vohnaaktheid te konnen hiten in lietgeene hy uytwerkt, en kan in liem gcen phiats liebben, als door gebrek **.
Dat dan God alleen de eenigste vrye oorzaak is, is niet aneen uyt iietgeene nu gezeid is klaar, maar ook liierdoor, nament- lijk, dat er buyten liem geene uytwendige oorzaak is, die hem zoude dwingen of noodzaaken ; al iietwelk in de geschapo dingen geen plaats heoft.
Hier teegen werd op deze wijze geargumenteert. Het goet is daarom alleen goet, om dat (iod liet wil, en dit zo zijnde, zo kan hy immers wel maaken dat het kwaad goet wordt.
* B : viaar de irarr rri/Iirid is atleen hier in fjeleyen, dat d^eemtt zaak', ran wiV/.v andrrs f/rjtnini/d of genoodzaakt, alleen . . . *• B : alft sluytendr (jehrrk in.
26 KOUTE VKRIIANDELINO.
Dog zodanig jirgumenteeren sluyt alzo wol, als of ik zeide: omdat God wil dat hy God is, daarom is hy God, ergo 't is in zijn magt geen God te wezen, 't welk de ongerijmtheid zelve is. Voorders als de menschen iets doen, en nien haar vraagt waarom zy dat doen, de antwoord is, omuat de recht- vaardigheid het alzo vereischt. Vraagt men dan waarom de rechtvaardigheid of liever de eerste oorzaak van alles dat regtvaardig is, [Monnikh. add. het alzoo vereischt?] zo moet de antwoord zijn, omdat de rechtvaardigheid dat zo wil. Maar eyheve, zoude de Rechtvaardigheid, denk ik, wel konnen nalaten rechtvaardig te zijn? geenzins, want alsdan en kond' ze geen Rechtvaardigheid wezen. Maar die geene de welke zeggen, dat God alles 't geen hy doet, daarom doet, omdat het in zig zelfs goet is, deze, zeg ik, zuUen mogelijk denken, dat ze met ons niet verschillen. Doch 't is verre daaraf, want zy al voor God * iets stellen te zijn, aan hetwelk hy verpligt of verbonde zoude zijn, namelijk een oorzaak, die een begeerte heeft van dat dit goet, en dat wederom rechtvaardig is, en zoude zijn **.
Nu valt dan voorder het geschil, namelijk of God, schoon alle dingen van hem op een andere wijze waren geschapen van eeuwigheid, of geordonneert en voorbepaald als die nu zijn, of hy dan, zeg ik, eeven volmaakt zoude zijn? Waarop het antwoord dient, dat byaldien de Natuur van alle eeuwigheid op een andere wijze als die nu is, ware geschapen geweest, zo zoude noodzakelijk moeten volgen na de stelUnge der geener, die God wille en verstand toeschryven, dat dan God beide, en een ander wille en een ander verstand, als doen [B: als nuj gehad heeft, volgens dewelke hy het anders gemaakt zoude hebbe ; en zo is men dan genoodzaakt te achten, dat God nu anders gesteld is als doen en [has septem voces omitt. B] anders gesteld was als nu; alzo dat, indien wy stellen, hy nu de aldervolmaakste is, genoodzaakt zijn te zeggen, hy het alsdoen niet en was, zo wanneer hy alles anders schiep. Al het welke als dingen zijnde, die tastelijke ongerijmtheeden in zig besluyten, en geenzins aan God, die nu, te vooren, en in alle eeuwigheid, onveranderlijk is, geweest, en blijven zal, kan toegepast worden. Dit word van ons verder bewezen uyt
* Monnikhoff, addita litera e: qoed; quod et in ipsius apographo (B). ** B : . . . of verbonden zou tvezen, uyt oorzaak van en hegeerten otn dat dit goed en dat wee.der rechtveerdlg is.
DEEL I. (JA['. IV. J/
(le beschryvinge, die wy vun de vrye oorzaak geniaakt liebben : dewelke niet en is iets te konnen doen of kiten, niaar alleen dat ze niet van iets anders afhangt, alzo dat alles wat God doet, dat word van heni als van de aUlervryste [A ct ^rrijiturd B prior: aMerwijsteJ oor/aak gedaan en uytgewerkt. (^l ddd. fndien hy dan de dingen te vooren anders, als die nu zijn, gemaakt hadde, zo moet immers volgen, dat hy t' eeniger tijd onvolmaakt geweest is, 't welk dan valsch is.] Want aange- zien God de eerste oorzaak is van alle dingen, zo moet dan in hem iets zijn, door het welke hy doet dat geene, het welke hy doet en niet nahiat te doen. Dewijl wy zeggen dat de Vryheid niet bestaat in iet te doen of niet te doen, en omdat wy mede getoond hebben, dat dat geene, hetwelke liem iets doet doen, niet anders kan zijn, als zijne eige vohnaaktlieid zelve, zo besluyten wy, dat, indien het zijne volmaaldheid niet en icas, die het hem dede doen, dat de dingen nict en zouden zijn, of in het ivezen konnen (jekomen Jiebbcn, om te zijn }iel(jeent' die nu zijn. [A add. Hetwelke evenveel is, als of men zeide: indien God onvolmaakt icas, zo zouden de dintjen nu anders zijn, als die nu zijn.]
Dus veel van de eerste; nu zullen wy dan overgaan tot do tweede eigenschap, die wy in God eifjen noemen, en zien wat ons daaraf te zeggen valt, en zo voort ten eynde.
CAP. V.
VAN GODS VOORZIENIGHEID.
De twede eigenschap die wy {propriutn of) eigen noemen is de Voorzienigheid, welke by ons niet anders is als die p0(/in</e, de wy en in de geheele Natuur, en in de bezondere dingen ondervinden, strekkende tot behoudenisse en bewaringe van haar zelfs wezen. Want het is openbaar. dat geen ding door zijn eige natuur zoude konnen tragten tot zijn zelfs ver- nietinge, maar integendeel dat ieder dink in zig zelfs een poginge heeft, om zig zelfs [A add. enj in zijn stand te be- waaren, en tot beter te brengen. Zo dat wy dan volgens deze onze beschryvinge stellen een aU/emeene en een hczimdu-e voorzieni(/heid. I )e ((h/cniecne is (H(». door dewelke ieder zaak voortgebragt en ond(!rhouden word voor zoveel zy zijn deelen
28 KOKTE VEIIHANDELING.
vaii tle geheele Natuur. De hezondere voorzienigheid is die poginge, die ieder ding bezonder tot het bewaren van zijn wezen heeft, voor zoveel ze niet als een deel van de Natuur, maar als een geheel aangemerkt vvord. Hetwelk met dit navol- gende exempel verklaart word : Alle de leeden van de mensch worden voorzien ende voorzorgt, voor zo veel zy deelen van de mensch zijn, hetwelk de algemeene voorzienlgheid is: en de hezondere is die poginge, die ieder bezonder ht (als een geheel, en geen deel van de mensch) tot het bewaren en onderhouden van zijn eygen welstand heeft.
CAP. VI.
VAN GODS PR^DESTINATIE.
De derde eigenschap is, zeggen wy, de goddelijke praedes- tinatie.
1. Al voorens hebben wy bewezen, dat God niet en kan laten te doen het geene hy doet ; namelijk, dat hy alles zo volmaaktelijk heeft geschapen, dat het niet volmaakter kan zijn.
2. En daarby, dat geen dink zonder hem en kan bestaan nog ook verstaan worden.
Staat nu aan te merken off er dan in de Natuur eenige gebeurlijke dingen zijn, namentlijk off er eenige dingen zijn, die konnen gebeuren, en ook niet gebeuren. Ten anderen, of er eenige zaake is, van dewelke wy niet konnen vrageri waarom ze is?
Maar datter geen gebeurlijke dingen zijn, bewijzen wy dus- danig :
lets dat geen oorzaak heeft om te zijn, is onmogelijk dat het zij ; iets dat gebeurlijk is heeft geen oorzaak ; Ergo.
Het eerste is buyten alle dispuyt; het tweede bewijzen wy aldus :
Indien iets dat gebeurlijk is, een bepaalde en zeekere oor- zaak heeft om te zijn, zo moet het dan noodzakelijk zijn ; maar dat het en de gebeurlijke en de noodzaakelijke tegelijk zoude zijn ^'s strijdig; Ergo. —
Misschien zal iemand zeggen, dat iets geheurlijk wel geen bepaalde en zekere oorzaak heeft, maar een gebeurlijke. Als dit dan zodanig zoude zijn, zo moet het zijn of in sensu diviso,
DEEL I. CAl'. VI. 29
of in sensii compfmto, to weton, of dat do wo/.entlijkheid van die oorzaak niet, al.s oorzaak zijndo, gobeurlijk is ; of w«'l dat het gebourlijk is dat dat iots ('t wolk wel noodzakolijk in de Natuur zoude zijn) een oorzaak zal wezen dat dat gobeurhjko iets voortkomt. Edog en het een en het ander, beide zijn zy valsch.
Want, wat het eerste aangaat, indien dat gobeurlijke ietH daarom gebeurlijk is, om dat zijn oorzaak gebeurlijk is, zo moet dan ook dio oorzaak gebourlijk zijn, omdat dio oorzaak die haar veroorzaakt liooft, ook gebouriijk is, et sic In in/inilian.
En dewijl nu al te vooren bowozon is, dat van een ecnige oorzaak alles afhangt, zo zoudo dan dio oorzaak ook gebeurlijk moeten zijn : 't welk oi)onbaar valsch is.
Aangaando het twode dan : byaldien die oorzaak niot moer bcpaald en was, om het eene of om het ander Voort te brengon, dat is om deze iets voort to brengen of natelaten voort to brengon, zo waart t' eenemaal onmogolijk, en dat hy het zoude voortbrengen, en dat hij het zoude laten voort- tebrengen, 't welk regt streidig is.
Wat dan ons voorige tweedo belangt, van datter in de Natuur geen zaak en is, van dewelke nien niet kan vragen waarom dat ze is; welk ons zoggon to kennen geeft, dat by ons te onder- zoeken staat, door welko oorzaak iots wezentlijk is; want dio niet zijndo was 't onmogelijk dat het iets zoudo zijn. Doze oorzaak dan moeten wy of in do zaak of buyton do zaak zoekon. Dog, zo men na den regul vraagt, om dit onderzoek te doen, wy zoggon, dat er alheel geen sohijnt van nooden te zijn. Want indien de wezentlijkheid aan do natuur van de zaak behoort, hot is zeker, dat wy dan de oorzaak niet buyton haar moeten zoeken; dog indien het zoodanig niot en is met dit iet, zo mooten wy immers de oorzaak buyten haar zookon. Maar nadomaal hot oorsto alloon aan (Jod toobehoort, zo word daardoor botoond (golijk wy zulks mi ook als to vooron \iy}- daan liobben), dat (rod namontHJk alleon do eersto oorzaak van allos is. En liior uyt dan ])lijkt mkmhIo. dat dozo en goono willo van don monscli (want (b; wozontlijkhoid van do wil on luOioort niet aan zijn wozon) ook oon uytorlijko oorzaak, van dowidko zy noodzaakolijk voroorzaakt word, moot lud)l)on : hotwolk ook zoodaanig blijkt to zijn uyt allo hot goono wy in dit Cap. gezeit hobbon ; on ook nog moor zal blijkon, zo wannoor wy in het twodo deol vaii do vrylioid dos mensclien zullon handolon on spreokon. ^,
30 KORTE VEKIIANDELING.
Tegeii dit alle word van aiidere tegengeworpen : hoe is 't mogelijk dat God, die gezeid word ten hoogsten volmaakt, en de eenigste oorzaak, beschikker en voorzorger van alles te zijn, toelaat, dat des niet tegenstaande allomme zulk een venvarringe word gezien in de Natuiir? En ook, waarom hy den mensch niet lieeft geschapen, dat hy niet en konde zondigen?
^Vooreerst dan, datter venvarringe in de Nattmr is, kan met regt niet gezeid worden, aangezien dat niemand alle de oor- zaken van de dingen bekend zijn, om daarvan te konnen oor- deelen. Dog deze tegenwerping ontstaat uyt deze onkunde, van dat zy algemeene Ideen gesteld hebben, met dewelke zy meinen, dat de bezondere, om vohnaakt te zijn, moeten over een komen. Deze Ideen dan stellen zy te zijn in het verstand van God, gelijk veel van Platoos Navolgers gezeit hebben, dat namenthjk deze algemeene Ideen (als Redelijk, Dier, * en diergehjke) van God zyn geschapen ; en die Aristotelem volgen, alschoon zy wel zeggen dat deze dingen geen daadelijke, maar zaaken van Reeden zijn, nogtans worden die by haar veeltijds als zaaken aange- merkt, aangezien zy klaarlijk gezeyd hebben, dat zijne voor- zorge zig niet over de bezondere, maar alleen over de geslagte uytstrekt; e. g. noyt heeft God zijne voorzorge gehad over Bucephalum enz., maar wel over het geheele geslagte van Paard. Zy zeggen ook dat God geen wetenschap heeft van de bezondere en vergankelijke dingen, maar wel van de alge- meene, die na haar meeninge onvergankelijk zijn. Dog wy hebben dit met regt in haar voor een onwetenheid aange- merkt [J5: aan te merkenj, want eerst de byzondere alle alleen hebben oorzaak, en niet de algemeene, dewijle die niets zijn.
God dan is alleen een oorzaak en voorzorger van de bezon- dere dingen. Zo dan de bezondere dingen zullen moeten over- eenkomen met een andere Natuur, zoo en zullen zy dan niet met haar eigen overeen konnen komen, en volgens dien niet zijn die zy waarlijk zijn. E. g. by aldien God alle menschen zo als Adam voor den val had geschapen, zo hadde hy dan ook alleen Adam, en geen Petrus nog Paulus geschapen; ne maar dat is de rechte volmaaktheid in God, dat hy alle dingen, van de minste tot de meeste, haar wezentheid geeft^ of, om beter te zeggen, dat hy alles volmaakt in hem zelfs heeft.
Wat het andere aangaat, van waarom dat God de menschen
B : Reedelvjk-Dier.
DEEL I. CAl'. VI. :jl
niet en heeft ge.srhapen dat ze niet en zondUjen, daarop dient, dat allos watter van do zondo ook gezeid word, zulks alioen maar gezeid word in opzigt van ons, te weeten, als wanneer wy twee dingen met den anderen off onder versclieide opzigten vergelijken. E. g. indien iemand een uurwerk om te slaan en de uuren aan te wijzen net gemaakt heeft, en dat dat werk- stuk met het oogmerk van den maker wel overeenk(jmt, zo zegt men het goet te wezen, en zo niet, zegt men het kwaa^ te zijn, niet tegenstaande het dan zelfs ook goet zoude konnen wezen, zoo maar zijn oogmerk was geweest het verwart en buyten tijds te doen shian te maaken.
Wy })esluyten dan te zeggen, dat Petrus met de Idea van Petrus, gelijk 't noodzakelijk is, moet overeenkomen, en niet met de Jdea van Mensch ; (joet en kiraat, of zonden, en zijn \^A add. dat| niet anders als wijzen van denken, en geenzins eenige zaaken off iets dat wezentlijkheid heeft, gelijk wy dat wel ligt in het navolgende nog breeder zullen betoonen. Want alle dingen en werken die in de Natuur zijn, die zijn volmaakt.
CAP. VII.
VAX I)E EKJENSCHAPPEN DIE TOT GOD NIET BEHOOREN.
Alhier zullen wy dan nu aanvangen te spreken van die eigensclia])pen ' welke gemeenlijk aan God toegej)ast worden. en echter nogtans aan hem niet en behooren ; als mede van die door welke nion poogt God te bewijzen, dog vruchteloos : en meede van de wetten der warcr beschrijvinge.
• Aaii},'jiandc de oigenscrhappoii van dewelke God bestaat, die zijn niot als onoyndige zelfstandighoodon, van dewelke een iedor des zelfs onoin- dig volniaakt moet zijn. Dat dit nood/.aakelijk zo nioot zijn, daarvan overtuygt ons do klaro on onderschoidolijke roodon. Docli ilatter van allo dozo onoindigo tot no-,' too niaar twoo (h)or liiiar zolf wozon ons hokond zijii, is waar; on dozo zijn do di-nkin;,' on nytKol^roidhrid. Voorts allos dat gcniooiilijk aaii God word tooK'osc'hrovon, en zijn goen oyj^on- Hchappon, inaur aUoon zo(>kero wijzon, (lewolko hoin toegooigont inoj,'en wi>r(lon of in aamnorkingo van allos, dat is aUe zijne eigenschapprn, of in aaninerking(" van ven oigonschap. In aaninorkiiiKo van alte, als dat hy is een e«>nwig, door zig z«>Ifs hosfaand<>. onoindig, oorzaak van allos, onvoraM(l(>rlijk. Iii aHnmorkiiigo van ee}u\ uls dat hy is alwetonde, wijs, oiiz., Iictwtik tot d»> (loiiking, eii wodor dal hy is overal, alles vorvult, «'11/., li. lu.jk tot do uvtgohroidheiil toehohoort.
32 KORTE VERHANDELING.
Om (lit te doen, zullen wy ons niet zeer bekommeren met (lie verbeeklingen, die de menschen gemeenlijk van God hebben, maar wy zuUen alleen kortehjk onderzoeken, wat de Philosophi ons daarvan weten te zeggen. Deze dan hebben God beschre- ven te zijn een ivezen uijt of van zkh zelfs hestaande, oorzaak van alle dingen, Ahveetende, Almachtiy, eeiavig, eenvoudig, on- eindig, H opperste goet, van oneindige barmhartigheid, enz. Dog aleer wy tot dit onderzoek toetreden, laat oem vooraf gezien worden, wat zy ons al toestaan.
Eerstelijk zeggen zy, datter geen ware of wettelijke beschrij- vinge van God en kan gegeven worden, aangezien geen beschrij- vinge, na haar waan, als van geslacht en onderscheit bestaan kan, en God dan geen gedaante van eenig geslagt zijnde, zo en kan hy niet regt of wettelijk worden beschreeven.
Ten anderen zeggen zy, dat God niet en kan beschreven worden, omdat de beschrijvinge de zaak naakt en ook beves- tigende moet uytbeelden; en na haar stelUnge en kan men van God niet bevestigender maar alleen ontkennender wijze weten ; ergo zo en kan er van God geen wettelijke beschrijvinge gegeven worden.
Daarenboven wort nog van haar gezeyd, dat God nooyt a priori en kan bewezen worden, omdat hy geen oorzaak heeft, maar alleen waarscheynlijk, of door zijne uytwerkinge.
Dewijl zy ons dan met deze haare stellinge genoegzaam toe- staan, dat zy een zeer kleene en geringe kennisse van God hebben, zo mogen wy dan nu eens hare beschrijvinge gaan onderzoeken.
Eerstelijk wy en zien niet, dat zy ons hier eenige attributa of eigenschappen geven^ door dewelke de zaak (God) gekend word wat ze is, maar alleen eenige propria of eigenen, welke wel aan een zaak behoren, edog nooit en verklaren wat de zaak is. Want alhoewel van zig zelfs bestaande, oorzaak te zijn van alle dingen, opperste goedt, eemvig en onveranderlijk, enz. aan God alleen eigen zijn, zo en konnen wy nogtans door die eygenheeden niet weten, wat dat wezen is ende wat eigenschappen het heeft, aan welke deze eigenheden behooren.
Het zal dan nu ook tijd zijn, dat wy eens bezien die dingen dewelke zy God toeschrijven, en nochtans aan hem ^ niet en behooren, als daar is alwetende, barmhertig , ivijs, en zoo voort,
* Verstaat hem genomen in aanmerking van alles wat hy is, of van alle zijn eigenschappen; ziet hiervan pag 31 n.
DEEL I. CAP. VII, 33
welke dingen onichit ze maar zijn zeekere wijze van de denkende zaak, en geenzins en l^estaan noch verstaan konnen worden zonder die zelfstandiglieeden van dewelke zy wijzen [yl : wezensj zijn, en hierom dan ook aan hem, die een Wezen is zonder icts als Wjt Iiem zelfs hestaande, niet en koinien toegepast worden.
EyndeHjk noemen zy Hem liet opperste yoed; doch indi<'n zy daarby iets anders als zy alreeds gezeid hebben verstaan, te weten dat God onveranderlijk is, en een oorzaak van alle dinyen, zo zijn zy in haar eigen begrip verward geweest, of hebben hun zelfs niet konnen verstaan, hetwelk hervoort geko- men is uyt haare dohnge van goet en kwaad, meynende, de mensch zelfs, en niet God, oorzaak is van zijn zonden en kwaad — hetwelke, volgens 't geene wy nu alreede bewezen hebben, niet en kan zijn, of wy zijn genoodzaakt te stellen, dat de mensch dan ook oorzaak is van zijn zelfs. Doch dit zal, zo wanneer wy van de wille des mensclien hierna liande- len, nog klaarder blijken.
Nodig zal het dan nu zijn, dat wy haar schijnredenen, waar- mede zy haar onwetenheid van (Jods kennis zoeken te ver- schoonen, ontknoopen.
Zy zeggen dan vooreerst, dat een wettige heschrijvinye hestaan moet van een yeslayt en onderscheid. Evenwel alschoon alle de Logici dit toestaan, ik en weet niet van waar zy dit liebben. En zeker zo dit waar moet zijn, zo en kan men niets niet weten. Wajit indien wy vohnaaktelijk een zaak door de ])esc]irij- vinge van geslagt en ondersc]ieid bestaande, moeten al vooren kennen, zo en konnen wy dan nooyt volmaakt kennen liet opperste ges]agt, hetwelk geen ges]agt boven ]iem ]ieeft. Xu dan : Indien daii het opperste ges]agt, lietwelk een oorzaak is van de kennisse a]]er andere dingen, niet gekeiit word, vee] minder dan koiinen de andere dingeii, die door dat ges]agt verklaart worden, verstaan noc]i gekend worden. Edoc]i, aan- gezien wy vry zijn en geenzins en achte verbonden aan Jiaare stel]ingeii te zijn, zo zul]en wy volgens de ware logicam andere wetteu van beschrijvinge voortl)rengen, te weteii volgens de schiftinge die wy van de Natuur maaken.
VVy hebben nu al gezicn, dat de eigeiiscliappen (of, zo andere di(^ iioemen, zelfstandiglieden) zaaken, of oin hcter en eigeiit- lijker te zeggeii, een door zig zelfs l^estaaiulc wezeii is. cn derlialven door zig zelve, zig zelfs te keiinen gecft en vertoond.
i)(i andere dingen zien wy dat maar wijzeii van die eigen- scliappen zijn, en zoiidcr dewelke zy ook niet en koniien l)estaan.
III. " :;
34 KORTE VEKHANDEMNG.
nocli verstaan worden. Dienvolgende dan moeten de beschrij- vinge zijn van twee geslagten (of soorten) :
1. namelijk van de eigenschappeii, die van een zelfsbestaande wezen zijn, en deze behoeven geeii geslagt, of iets waardoor ze meer verstaan off verkh\art worden : want, aangezien zy als eygenschappen van een wezen door zig zelfs zijnde zijn, zo worden zy ook door hun zelfs bekent.
De twede zijn die, die niet door hun zelfs bestaau maar alleen door de eigenschappen, van dewelke zy de wijzen zijn, en door dewelke zy, als haar geslagt zijnde, verstaan moeten worden.
En dit is wat aangaat op haar stelling van de beschrijvinge. Wat het andere aangaat, van dat God niet [A B particulam omittuntl van ons gekend zoude konnen worden met een even- matige kennisse, hierop is door D. des Cartes genoegzaam antwoord gegeven in de beantwoordinge op de tegenwerpingen deze zaake aangaande pag. 18.
En op het derde, van dat God niet en zoude konnen a^jy^o^-^* bewezen worden, daarop is mede van ons hier vooren al ge- antwoord. Aangezien dat God oorzaak is van zig zelfs, zo is 't genoeg dat wy hem door zig zelfs bewijzen, en is zulk be- wijs ook veel bondiger als dat a posteriori, 't welk gemeenlijk niet als door uytwendige oorzaaken geschied.
CAP. VIII.
VAN DE NATURENDE NATUUR.
Alhier zullen wy nu eens, eer wy voortgaan tot iets anders, kortehjk geheel de Natuur schiften — te weten in ISlatura naturans en Natura naturata. Door de Natura naturans ver- staan wy een wezen, dat wy (door zig zelfs, en zonder iets anders als zig zelfs van doen hebbende, gelijk alle de eigen- schappen {attrihuta) die wy tot nogh toe beschreven hebben) klaar ende onderscheidelijk begrijpen, hetwelk God is. Gelijk ook de Thomisten by het zelve God verstaan hebben, dogh haare Natura naturans was een wezen (zy zo noemende) buyten alle zelfstandigheden.
De Natura naturata zullen wy in twee verdeelen, in een
DEEL I. CAP. VIII. 35
algemeene en in een bezondere. De aUjemeene bestaat in alle die wijzen die van God onmiddelijk afhangen, waarvan wy in het navolgende Cap, zullen handelen; de hezondcn' bestaat jn alle die bezondere dingen dewelke van de algemeene wijze veroorzaakt werden. Zoodat de Natura ndfurata, om wel be- grepen te worden, eenige zelfstandigheid [A : zelfstandigheden] van noden heeft.
CAP. IX.
VAN DE GEXATUURDE NATUUR.
Wat dan nii aangaat de alijeuiene Natura Xaturafa, of die wijzen of schepzelen die onmiddelijk van God afhangen ofte geschapen zijn, dezer en kennen wy niet meer als twee, name- lijk de hewejimje in de stoffe ^ ende het verstaan in de denkende zaak. Deze dan zeggen wy dat en van alle eeuwigheid zijn geweest, en in alle eeuwigheid onveranderlijk zullen bhjven. Een werk waarlijk zoo groot als de grootheid des werkmeesters betaamde.
Wat dan bezonderlijk aangaat de Bewejinge, aangezien die eigentlijker tot de verhandeHng van de Natuur-weet, als wel hier behoord; gelijk als daar is dat ze van alle eeuuijlieid is yeweest, en in eeuivigheid onveranderlijk zal hlijven; dat z on- eyndiy is in haar yeslajt; dat ze noch door ziy zelfs hestaan noch verstaan kan worden, maar alleen door middel van de Uytgebreidheid ; — van deze alle, zeg ik, en zullen wy hier niet handelen, maar alleenlijk zeggen wy er dit af, dat ze is een Zone, Maaksel, of Uytwerksel onmiddelijk van God ge- schapen.
Het aangaande het Verstaan in de denkende zaak, deze zowel als het eerste is mecde een Zone, Maaksel, of onmiddelijk Schej)zel van God, ook van alle eeuwiglieid van hem geschapen, en in alle eeuwigheid blijveiido onvoranderlijk. Deze zijne eigenschap is maar een, namenlijk, alles klaar en onderscheiden
M Xota. 't Goen hior Viiii tU> l(f\vt'uiii^'i> iii ilo st()tV»> go/.fitl woril is liior niot in ornst gozoid. Want (ioii AutlKUir inoont tlaiiraf do oorzaak nog to vinilcn, gelijk hy u posteriori al oonigzins goihian hoott. Doch dit kan hier zo wel staan, dowijl op het zelvo niots gobonwd is of (hiarvan al- hnngig is.
36 KOllTE VERHANDELING.
in alle tijden te verstaan ; uyt het welke spruyt een oneindelijk of aldervolmaakst genoegen onveranderlijk, niet konnende na- laten te doen 't geen het doet. Hetwelke alhoewel genoegsaam door zig zelfs khiar zijnde 't geen wy hier nu gezeyd hebben, zo zullen wy het nogtans hierna in de verhandelinge van de Aandoeningen van de Ziele klaarder bewijzen, ende daarom hier niet meer daar af zeggen.
CAP. X.
WAT GOED EN KWAAD IS. '
Om nu eens kortelijk te zeggen, wat dat in zig zelfs goet en kwaad is, zuUen wy aldus aanvangen :
Eenige dingen zijn in ons verstand en niet in de Natuur, en zo zijn dan deze ook alleen maar ons eigen werk, en zy dienen om de zaaken onderscheidelijk te verstaan ; onder welke wy begrijpen alle betrekkingen, die opzigt op verscheide zaaken hebben; en deze noemen wij Eniia Rationis. Zo is dan nu de vrage, of goet en kwaad onder de Entia Rationis of onder de Entia Realia behooren. Maar, aangezien dat goet en kwaad niet anders is als betrekkinge, zo ist buyten twijffel dat ze onder de Entia Rationis moeten geplaatst worden ; want nooyt zeid^men dat iets goet is, tenzij in opzigt van iet anders, dat zo goet niet en is, of ons niet zo nuttelijk als iet anders. Want zo zeid men, dat een mensch kwaad is, niet anders als in opzigt van een die beter is, of ook dat een appel kwaad is, in opzigt van een ander die goet of beter is.
Alle het welke onmogelijk niet en zoude konnen gezeid worden, byaldien dat beter of goet, in welker opzigt het zoda- nig genoemt word, niet en was.
Alzo dan, als men dan zegt dat iets goet is, dat en is dan niet anders te zeggen, als dat het wel overeenkomt met de algemene Idea die wy van zodanige dingen hebben. En daarom, gelijk wy nu al voorens gezeid hebben, de dingen moeten overeenkomen met haare bezondere Ideen, welkers wezen een volmaakte wezentheid moet zijn, en niet met de algemene,^ dewijl ze alsdan niet zouden zijn.
DEEL I. CAP. X. 37
Nopende de bevestinge van 't gene wy nu gezeid hebben, de zaake is by ons klaar; dog evenwel, tot een besluyt van 't gezeidc, zullen wy deze volgende bowijzen daar nog bydoen :
Alle dingen, die in de Natuur zijn, die zijn of zaaken of werkingen. Nu goet en kwaad en zijn noch zaaken nog wer- kingen. FjVfjo en zijn goet en kwaad niet in de Natuur.
Want, indicn goct en kwaad zaaken of werkingen zijn, zo moeten zy dan hare beschrijvinge hebben. Maar goct en kwaad (als exemp. gr. de goetheid van Petrus en de kwaadheid van Judas) en hcbben gcen beschryvingc buyten de wezentheid Juda? en Petri, want dic is allecn in de Natuur, en zijn niet buyten haare wezcntheid te bcschrijven. Krgo, iit supra — volgt, dat goet en kwaat geen zaaken zijn of werkingen, die in de Natuur zijn.
TWEDE DEEL
VAN
IDE MEHSrSCH
EN
'T GEEN TOT HEM AANHORIG IS.
Dewijl wy nti m liet eerste deel van God, en van de alge- meene en oneindige dingen hehhen gesprooken, zo zidlen tvy nu in dit tweede deel tot de verhandeling van de hezondere en he- paalde dingen komen; doch niet van alle, dewijle die ontallijk zijn, maar wy zullen alleenlijk handelen van die de mensch aangaan; en daarin aanmerken, 1. wat de mensch is, voor zoveel hy hestaat van eenige ivijzen (hegreepen in die tivee eigenschappen die wy in God hehhen aangemerkt). Ik zegge van eenige wijzen, omdat ik geenzins versta dat de mensch, voor zo veel hy uyt geest, ziele ^, of lichaam hestaat, een zelfstandigheid /5. Want ivy hehhen nu alvoorens in het hegin dezes hoeks ge-
^ 1. Onze ziel is of een zelfstandigheid of een wijze; geen zelfstandig- heid, want wy hebben al beweezen, dat er geen bepaalde zelfstandigheid in de natuur kan zijn; ergo dan een tvijze.
2. Een wijze dan zijnde, zo moet ze dat zijn of van de zelfstandige uytgehreidheid of van de zelfstandige denJcing; niet van de uytgehreidheid, om, etc. ; ergo dan van de denJcing.
3. De zelfstandige denking, dewijl ze niet bepaald kan zijn, is oneindig volmaakt in zijn geslacht, en een eigenschap van God.
4. Een volmaahte denhing moet hebben een hennisse, Idea, wijze van denken van alle en een ieder zaah tvezentlvjh zijnde, zo van zelfstandig- heeden als van wijzen, niet uytgezondert.
DEKL II. VOOKUKKDEN. 39
toond, 1. dat geeno zolfstandigheid boginnen kan ; ten 2. dat de eene zelfstandigheid de andere niet kan voortbrengen ; en eyndelijk ten 3. dat geen twee gelijke zelfstandigheeden kon- nen zijn.
5. Wy zeggen wezentlijk zpjnde, omdat wy hier iiiet spreeken van een kennisse, Idea, ctc, die gchool de natuur van allc wezcn gcschakcld in liaar wczcn kend, zondcr haar bczondcrc wczcntlijkhcid, maar allcen van de kennisse, Idea, ctc. van de bczondcre dingcn, dic tclkens komen te existeren.
G. Dcze kennisse, idea, etc. van ieder bezonder ding 't welk wezentlijk komt te zijn, is, zeggcn wy, de ziel van dit ieder bezondcr ding.
7. All en een ieder bczondcr ding dat wczentlijk komt te zijn, dat word znlks door beweging en stilto, en zo zijn alle de wijzen in de zelf- standigc uytgcbrcidheid, die wy lichaam noemen.
8. Dc verschcidenhcid dcrzclver ontstaat alleen door andere en andere proportic van bewcginge en stilte, waardoor dit z6, en niet z6, — dit dit, en niet dat is.
0. Uyt deze proportie dan van beweginge cn stilte konit ook wezentlijk tc zijn dit ons lichaain ; van 't welk dan, niet min als van aHc andere dingen, een kcnnissc, Idea, enz. moet zijn in de denkende zaak, en zo voort dan ook dc ziel van ons.
10. Doch in andcrc proportie van beweginge en stilte was dit ons lichaara, ecn ongeboren kind zijnde; en in gevolge daarna, en in andere, zal 't bestaan als wy dood zijn, en niet te min zal dan, en was docn, zo wel ecn idea, kcnnisse, etc, van ons lichaam, in de dcnkende zaak, als nn; maar geenzins dezelve, dewijl het nu anders geproportioneerd is in Ijewcging cn stilte.
11. Om dan zo een idea, kennisse, wijze van denken in de zelfstandige dcnking tc veroorzaaken, als nu dezc onze is, wort vercisclit, nict cven eens wat lichaam (dan most het anders gekent worden als 't is), maar ook zulk cen lichaam dat zo gcproportioncert is van beweging cn stilte, cn geen ander : want zoo 't lichaani is, zo is dc Ziel, Idea, Kcnnis, ctc.
12. Zodanig ecn lichaam dan, dczc zijnc proportic als c. g. van 1. tot 3, heb])cndc cn l)choudcndc, zo zal dc zicl en 't lichaam zijn gclijk het onze nu is, zijndc wel gestadig verandcring onderworpen, maar nict zo groot dat zc buyten de palen van 1. tot 3. gaat; doch zo vcel het vcr- andcrt, zo vccl vcrandcrt ook tclkcns do zicl.
13. En dczc veandcring van ons, ontstaande uyt andere lichaamen, die op ons wcrkcn, en kan niet zijn, zondcr dat de Ziel, die alsdan gcstadig verandert, dezc vcrandcring gcwaar word. En doze vcrandcring \liahiuer : het gewaarwordcn van dczc verandcring| is eigentlijk dat, 't wclk wy gevoel noemcn.
14. Maar zo andcre lichamc zoo geweldig oj) hct onzc wcrkcn, dat do proportie van bcwcgingc van 1. tot 3. nict kan blijvcn, dat is de dood, en ecn vcrnictiging dcr ziclc, zo zc maar allccn is ccn Idca, kennisse, ctc. van dit zo gcproportionccrt llchaam, in bcwcging cn stiltc.
15. Doch, dcwijl hct cen wijzc is in de dcnkcndc zcllstandiglicid, zo had ze ook dczc, benctVcns dic van dc nytgestrckthcid, konncn kenncn, bcminnen, en niet zclfstandighccdcn vcreonigcnd(> (dic altijd dczclvo blijvcn) had ze haar zelvc konnon ccuwig maakcn.
40 KORTE VERHANDELING.
De mensch dan niet geweest hebbende van eeuivigheid, bepaald en met veele menschen gelijk, en kan geen zelfstamligheid zijn ; zo dat alles 't geene hy van denken heeft, zijn (dleen maar wijzen van die denkende eigenschap die wij aan God toegepast hebbe^i. En wederom, alles 't geen hij heeft van gestalte, bewe- ginge, en andere di)igen, zijn desgelijks van die andere eigen- schap die God toegepast is.
En alhoeivel eenige hier uyt, dat de Natuur van de mensch zonder die eige^ischappen, die wy zelfs toestaan zelfstandigheid te zijn, niet bestaa?i noch verstaan kan worden, pogen te be- wijzen, dat de mensch een zelfstandigheid is, zo heeft dat echter geen ander grondvest, als valsche onderstellingen. Want, dewijle de natuur van de stoffe of H lichaam geweest heeft, alvoor dat de gestalte van dit menschelijk lichaam was, zo en kan die natuur niet eigen zijn aan H menschelijk Uchaam, deivijl het klaar is, dat in die tijd als de mensch niet en was, het altijd niet aan de natuur van de mensch heeft konnen behoren.
En dat zy voor een grondregul stellen, dat dat aan de natuur van de zaak behoort, zonder hetwelk de zaak noch bestaan noch verstaan kan worden, dat ontkennen wy. Want wy hebben alreeds bewezen dat zonder Grod geen ding bestaan noch ver- staan kan worden. Dat is, God moet alvooretis zijn en verstaan tvorden, alleer deze bezondere diitgen zijn en verstaan worden. Ook hebben wy getoond, dat de geslachten niet aan de natuur van de beschrijving behooren, maar dat zidke dingen, die zonder andere niet bestaan konnen, ook zonder die niet verstaan worden. Dit dan zo zijnde, wat voor een regul stellen wy dan, daarby men zal weten, tvat aan de natuur van een zaak beJioort?
De regul dan is deze: Dat behoort aan de natuur van een zaak, zonder hetwelk de zaak niet bestaan noch verstaan kan worden; doch dit niet zo alleen, maar op zoodanig een wijze, dat de voorstelling altijd ivederkerig is, te weten dat het gezegh ook niet zonder de zaak bestaan noch verstaan kan worden. Van deze wijzen dan, uyt dewelke de mensch bestaat, zullen wy dan nu in den aanvang des volgenden eersten Capittels beginnen te handelen.
DEEL II. <AI'. I. 41
CAl». I. VAN WAAN, GELOOF, EN WEETEX.
Om (lan aantevangen te spreeken van de wijzen uyt dewelke de mensch bestaat, zo zullen wy zeggen, 1. wat zy zijn, ten anderen hare uytwerkingen, en ten 8. haare oorzaak.
Belangende het eerste, zo laat ons beginnen van die die ons het eerste bekend zijn : namelijk ecnlf/e hefjrippen of het medefjeweten van de kennisse onzes ze/fs^ en van die dinjen die huijten ons zijn.
Deze begrippen dan verkrijgen wy (1) of enkelijk door geloof (welk geloof hervoortkomt of door ondervinding, of door hooren zeggenj, (2) of ook ten anderen wy bekomen die door een waar geloof, (3) of tcn derden wy hebben het door klare en onderscheide bevatting.
Het eerste is gemeenlijk dooHng onderworpen.
Het tweede en derde, alschoon die onderling verschillen. zoo en konnen die echter niet doolen. Doch om dit alles wat duydelijker te verstaan, zo zullen wy een voorbeekl stellen genomen van de Regul van drien aklus. lemand heeft allecnlijk horen zeggen, dat als men in de Rcgul van drien het twede getal met het derde vermcnigvuklight, en dan met het ecrstc deikl, dat men alsdan een vierde getal uytvind, dat dezelfde gelijkmatigheid heeft met het derde, als het twede met het eerste. En niettegenstaande deze die hem dat zo voorstekl liegen konde, zo heeft hy echter zijne werkingen daar na gc- richt, en dat zonder cenige kcnnisse meer van den regul van drien gchad tc hcbbcn, als de bhnde van dc vcrwe, en hecft alzo alles wat hy daarvan ook zoude mogen gezeyd he})bcn, daarvan gckkipt^, als de papcgaay van 't geen men hcm gc- leert heeft.
Een ander, van gaauwcr bcgrip zijndc, dic cn kiat zicli zoo niet payen mct liooren zcggcn, maar ncemt 'er ccn procf aan eenige bezondere rcckcningcn, cn dic dan bevindendc daar mede overeen te komen, alsdan geoft liy daaraan 't gcloof. Maar to recht hcbbcn wy gczeyt, dat ook dezc de dooling onderwurpcn is; want lioe kan hy doch zeekcr zijn, dat dc ondcrvinding van ccnigc Ix^zondcri! licni ccn rcgul kan zijn van allc?
Ecn dcnk^ dan noch mct \\(\{ hoorcn zcggcn, omdat lict bodricgen kan, noch mot de ondorvinding van ccnige bczon-
42 KORTE VEHHANDELING.
(lere, omdat die oiimogelijk een regul is, tevreden zijnde, die ondervraagt het aan de waare Reeden, dewelke nooyt, wel gebruykt zijnde, bedrogen heeft. Deze dan die zecht hem, door de eigenschap van de gelijkmatigheid in deze getallen het alzo, en niet anders, heeft konnen zijn en komen.
Doch een vierde, hebbende de alderklaarste kennisse, die heeft niet van doen noch horen zeggen, noch ondervinding, noch kunst van reden, dewijle hy door zijne deurzigtigheid terstond de gelijkmatigheid in [A : en] alle de rekeningen ziet.
CAP. II.
WAT WAAN, GELOOF, EN KLARE KENNIS ZIJ.
Wy zullen dan nu komen te verhandelen de uytwerkingen van de verscheide kennissen waarvan wy in 't v©orgaande Capittel gezeid hebben, en als in 't voorbygaan weer zeggen wat Waan, Geloof en klaare Kennisse is. [A add. De eerste dan word by ons genoemt Waan, de tweede Geloof, maar de 3. die is 't die wy een klaare Kennisse noemen.J
Waan dan noemen wy die omdat ze de dooHng onderwurpen is, en nooyt plaats heeft in iets daar wy zeker van zijn, maar wel daar van gissen en meynen gesprooken word. Geloof dan noemen wy de tweede, omdat die dingen die wy alleen door de rede vatten van ons niet en worden gezien, maar zijn alleen aan ons bekend door overtuiginge in 't verstand dat het zoo en niet anders moet zijn.- Maar klaare Kennisse noemen wy dat, 't welk niet en is door overtuyging van reden, maar door een gevoelen en genieten van de zaake zelve, en gaat de andere veiTO te boven.
Dit dan vooraf, zo laat ons nu koomen tot haare uytwer- kingen, waarvan wy dit zeggen: dat namelijk uyt de eerste hervoorkomt alle de lijdinge (jMSsien) die daar streydig zijn tegen de goede reden; uyt de tweede de goede begeerten; .en uyt de derde de waare en oprechte Liefde met alle haar uytspruytzels.
Alzo dat wy dan de naaste oorzaak van alle de lijdingen in de Ziele, de Kennisse stellen. Want wy t' eenemaal onmo- gelijk achten, dat, zo iemand op de voorgaande grond en
DEEL II. CAP. III. 43
wijzen noch begrijpt noch kent, hy tot Liefde ofte Begeerte of eenige andere wijzen van Wille zoude konnen bewogen worden.
CAP [Tf.
LIJDINGS OORSPRONK. LIJDING UYT WAA\.
Alhier dan laat ons nu eens zien. hoe dat, gelijk wy gezeid hebben, de (passien) lijdinge uyt de waan komen te ontstaan. En om dit wel en verstaanlijk te doen, zo zullen wy oenige van de bezondere derzelve voorneemen, en daarin dan als in voorbeelden betonen 'tgeene wy zeggen.
Laat dan de verivonderiny de eerste zijn, dewelke gevonden wordt in die geene die de zaake op de eerste wijze kent * ; want, dewijl hy van eenige bezondore eon boshiyt maakt dat algemeen is, zo staat hy als verbaast, wanneer hy iet ziet dat tegen dit zijn besluyt aangaat; gohjk iemand, noit eenige schapen gezien hebbende als niet korte staarten, zig verwon- derd over de schapen van Marocquen die ze lang hebben. Zoo zeit men van een Boer, die zig zelfs hadde wijsgemaakt datter buyten zijn velden geen andere en waren, maar een koe komende te vermisson, en genoodzaakt wordende die elders verr te gaan zoeken, viol in vorwondering, van dat buyton zijn weynig velds noch zo groote meenigten van andore velden waren. En zooker dit moot ook phiats lieb})on in veelo Philosophen, die hun zolfs hebben wijs gemaakt, dat er buyton dit veldje of aardklootje daar op zy zijn (omdat zy niet anders
* Dit is juyst niet te verstaan, dat altijcl voor de verwondcring een formeel besluyt moet gaan, maar ook isse zonder dit, nanielijk als wy, stilzwijgende, de zake zoo en niot anders meenen te zijn als wy die gewent zijn te zicn, lioren of verstaan, etc. AIs e. g. Aristotoles zegt, Cantn est anifnal fafrans, ergo liy l)esloot, al dat baft is cen liondt ; maar als een Boer zeid een hond, zo verstaat liy stilzwijgent al "t zelve dat Aristoteles met zijn besclirijving. Zoodat als de boer hoort l)alVen, oen hond, zeyil hy ; alzoo dat, als zy eens e(>n aiider dier hoorden batlen, de Boer die get>n besluyt geniaakt hadde zoutl al zo wel vt>rwoiulerd staan als Aristoteles, die een bosluyt gomaakt hadde. Yoonlors als wy iets komen gowaar t(> wordon, daarop wy nooyt godaoht h(>bbon van to voren, zo is dat eevcnwel niot zulks of wy hobbi>n dit golijks in 't g«>hool of ten deol al to vooren bokont, maar niet in allos zo gcsteld, otV wy zijn nooyt daarvan zo aangedaan geweest, eto.
44 KOKTE VERlIANDELINCi.
besclioiulon) geen andere meer en zijn. Maar nooyt en is ver- wondering in die geene die ware besluyten maakt; dit's een.
Het tweede zal zijn de Liefde: deze aangezien dat ze ont- staat of uyt ware begrippen, off uyt opinien, of ook eyndelyk uyt hooren zeggen aileen *, zullen wy eerst zien, hoe uyt de opinien, daarna hoe uyt de begrippen; want de eerste strekt tot ons verderf, en de tweede tot ons opperste heyl; en dan van het laatste.
Het eerste dan aangaande, 't is zulks, dat zo dikwils iemand iet goets ziet, off waant te zien, hy altijd geneegen is zig met hetzelve te vereenigen, en, om 't goets wille dat hy in 'tzelve aanmerkt, zoo verkiest hy 't als 't beste, buyten het- welke hy niet beter noch aangenaamer alsdan en kend. Doch zoo wanneer het komt te gebeuren dat hy (gelijk in deze meest gebeurt) iets beter als dit nu bekende goet korat te kennen, zo keerd terstond zijne liefde van het eene (eerste) tot het ander (tweede), hetwelk wy alles klaarder zullen doen blijken in de verhandelinge van de vryheid des menschen.
Van liefde uyt ware begrippen ** ; alzoo 't de plaats om daarvan te spreeken hier niet is, zo zullen wy dat nu hier voorby gaan, en spreeken van het laatste en derde, namelijk van de Liefde die alleen van hooren zeggen komt. Deze dan bespeuren wy gemeenlijk in de kinderen tot hun vader, dewelke omdat de Vader dit of dat zeyd goet te zijn, zo zijn zy daar toe zonder iets meer daar af te weten geneegen. Dit zien wy mede in zulke die voor 't Vaderland uyt Liefde haar leven laten, en ook in die, die door horen zeggen van iets op het- zelve komen te verlieven.
De Haat dan, het rechte tegendeel van de liefde, ontstaat uyt die dooling die uyt de opinie voortkomt. Want zo iemant een besluit gemaakt heeft van iets dat het goet is, en een ander komt tot nadeel van datzelve iets te doen, zo ontstaat in hem tegen dien doender haat, hetwelk nooyt in hem zoude konnen plaats hebben, indien men het ware goet kende, gelijk wy dat hierna zuUen zeggen. Want alles watter ook is off bedagt wort, in vergelijkinge van 't ware goet, 't is niet als
* B habet : of 1. uyt hooren zeggen, of 2. ugt tvaan, of 3. uyt tvaare hegrippen; ideoque paragraphorum quae sequuntur ordinem mutavit.
** Kecte interpres in margine : Van de Liefde uyt ware begrippen off klare kennisse word hier niet gehandeld, alzo die niet uyt waan komt; doch daarvan zie Cap. XXII.
DEKL II. CAP. 111. 45
maar de ellendigheid zelve ; en is dan zo eon ellendbeminner niet veel eer erbarmens als haat waardig?
De haat dan eyndelijk komt ook voort uyt hooren zeggen alleen, gelijk wy dat zien in de Turken tegen Joden en Chns- tenen, in de Joden tegen de Turken en Christenen, in de Christenen tegen de Joden en Turken, etc. Want wat is den hoop van alle deze onwetend d'een van d anders godsdienst en zeden !
De Befjeerie; — het zy dat ze bestaat of alleen (zo eenige willen) in de lust of trek van 't geene men ontbreekt te bekomen, of (zo andere willen ^) in de dingen te behouden die wy nu alreeds genieten, 't is zeeker dat ze in niemand en kan gevonden worden gekomen te zijn als onder de gedaante van goet. Alzo dan is 't klaar, dat Begeerte, gelijk ook de Liefde waarvan hiervoor gesprooken is, uyt de eerste manier van kennen voortkomt. Want iemand gehoort hebbende van een dink dat het goet is, krijgt kist en trek tot hetzelve, gelijk gezien word in een zieke, die alleen door hooren zeggen van den Doctor, dat zo of zo een remedie voor zijn kwaale goet is, terstond tot dezelve geneegen wordt.
Begeerte komt ook uyt bevindinge, gelijk datt gezien word in de practyk van de doctors, die zeeker remedie eenigemaalen goet gevonden hebbendc, hetzelve als een onfeylbaar dink gewoon zijn te houden.
AUes 't geene wy nu van deze gezeyt hebben, 'tzelve kan men van alle andere passien zeggen, gelijk dat voor ieder een klaar is. En dan omdat wy in 't volgende zullen aanvangen te onderzoeken, welke die zijn die ons redehjk, en welke die, die onredelijk zijn, zo zullen wy, het dan hierby latende. niet meer daar toe zeggen.
[A add. 't Geene nu van deze weinige doch voornaamste gezeyt is kan mede van alle andere gezeyt worden :] en liier- mede word geeyndigt van die Passien die uyt de Waaii voort- komen.
' De eerstc bcschrijvinf,'o is dc bcstc ; wunt uls dc /nak gcnootcn wonl 7.0 houd dc bcf^certo op; dic gcstiiltc dnn, dic nlsdnn in ons is oni die znnk tc bchoudon, is goen begocrte, ninnr vrezc vnn dc gcliefdc znnk te verlic/on.
46 KOHTE VERIIANDELING.
CAP. IV.
WAT UYT GELOOF VOORTKOMT ; EN van't GOET EN KWAAD DES MENSCHE.
Dewijl wy dan in het voorige Cap. hebben getoont, hoe uyt tle (looling van de Waan de Passien voortkomen, zoo laat ons dan hier eens zien de uytwerkingen van de twee andere manieren van Kennen. Ende vooreerst van ('ie welke wy het Waare Geloof genoemt hebben ^
Deze dan vertoond ons wel, wat de zaake behoort te zijn, maar niet wat zy waarlijk is. En dat is de reeden, waarom zy ons nooyt en kan doen vereenigen met cle geloofde zaak. Ik zeg dan, dat zy ons leert alleen wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zy is ; in welke twe een groot onderscheid is. Want, gelijk wy in ons exempel van de regul van drien gezeid hebben, dat als iemant door gelijkmatigheid kan uyt vinden een vierde getal, dat met het derde overeenkomt, gelijk het tweede met het eerste, zoo kan hy (de deilinge en vermee- nigvuldiging gebruykt hebbende) zeggen dat de vier getallen moeten evengelijkmatig zijn; en die zo al zijnde spreekt hy niet te min daar af als van een zaak die buyten hem is. Maar als hy de gelijkmatigheid komt te beschouwen zo als wy in het vierde [A : derde] exempel getoond hebben, alsdan zegt hy in waarheid, dat de zaak zodanig is, aangezien die alsdan in hem en niet buyten hem is. Dit's van de eerste.
De tweede uytwerkinge van 't ware geloof is, dat ze ons brengt tot een klaar verstand, door 't welk wy God Kef hebben, en ons alzoo verstandelijk doet gewaar worden die dingen die niet in ons maar buyten ons zijn.
* Het Gelove is een krachtige betuiginge van Kedenen, door welke ik in mijn verstand overtuygt ben, dat de zaak waarlijk en zodanig is buy- ten mijn verstand, als ik in mijn verstand daaraf overtuygt ben. Een krachtig heiuyg van Eedenen, zeg ik, om het daardoor te onderscheiden, en van de Waan, die altijd twijffelachtig en doling onderworpen is, en van 't Weeten, dat niet bestaat in overtuyging van Redenen, maar in een onmiddelijke vereeniginge met de zaak zelve. Dat de zaake tvaarlijk en zodanig is huyten mijn verstand, zeg ik waarlijk, omdat my de redenen in dezen niet en konnen bedriegen; want anders en verschilden ze niet van de waan. Zodanig: want het kan my maar alleen aan zeggen, wat de zaake behoort te zijn, en niet wat zy waarlijk is, anderzins verschilde ze niet van 't weten. Buyten: want het doet ons verstandelijk, niet het- geen in ons, maar 't geene buyten ons is, genieten.
DEEL II. CAI'. IV. 47
\)e (lerdo uytwerkinge is, dat ze aun ons verschaft de ken- nisse van goet en kwaad, en ons aanwijst allo passien, die te vernietigen zijn. En omdat wy nu te vooren gezeid hebben, dat die passien die uyt de waan voortkoomen groot kwaad onderworpen zijn, zo ist de pijne waart eens te zien, hoe dezelve ook door deze twcede kennisse gezift worden, om te zien wat in dezelve goet, wat kwaad is.
Om dit dan mede bekwamelijk to doen, zo laat ons, dezelve maniere als vooren gebruykende, dezelvo eens van naby bezien, om daardoor te konnen kennen, welkc het zijn die van ons verkooren, welke verworpen mocten worden. Doch, eer wy daartoe komen, laat ons eens kort vooraf zeggen wat daar is het goet on kwaad des menschen.
Wy hebben nu te vooren al gezeyd, dat allo dingen genood- schikt zijn, en dat in de Natimr (jeen f/oet en <jeen Iwaad is. Zo dat al 't geen dat wy van de menscli willen, dat zal moetcn van het geslacht deszelfs zijn, hetwelk niet anders is, als een wezen van Beden. En wanneer wy dan ecn Idea van een volmaakt mensch in ons verstand bcvat hobben, dat zoude dan konnon ccn oorzaak zijn, om zicn (als wy ons zclfs onderzoekon ) oflfer in ons ook eenig middel is om tot zo een vohnaaktheid komen.
En daarom dan, alles wat ons tot die volmaaktheid voorderd. dat zullen wy goet noemen, en in tegendecl dat verhinderd, off ook daartoe niet en vordert, kwaad.
Tk moet dan, zeg ik, ecn vohnaakt mensch begrijpen, zo ik iets aangaande hct goet en kwaat des mcnschen verhaalen wil, en dat daarom, omdat ik, handelcndc van 't goet en kwaad, als e. g. van Adam, ik alsdan ecn dadelijk wezen (fns reale) met ocn wczcn van Jvcden (ens Rationis) verwarron zoudc, hctwelk wcl naauwkcurig van ccn regtschapcn J*/iilosoopli moet gemijd worden, en dat om redcncn die wy int vcrvolg dezes off by andere gelegentheden zullen stcllen. Voorder, omdat het eynd van Adam of van eenig ander byzonder schepzel ons niet bewust is, als door de uytkomst, zo []i add. volgt) dat ook 't geen wy van 't eynd des menschen konnen zeggen gegrond moet zijn op hct bcgrip van ccn vohnaakt mensch in ons verstand ', wolkors oynd, dowijl hot oon ms
' Waut uyt geeii byzonder scbcpzel kaii iiiiii t>on Idoa die volniaakt is hobbon; want dozo haro volmaakthoid zdvo, of ze waarlijk vohnaakt is ol' niot, on kan niot algononion wordcn, als nyt eon algoineone vol- maakto Idea, of Kns Rationis.
48 KORTE VEKIIANDELING.
Ratiotm is, wy wel konnen weten : en ook, als gezeyt is, zijn goet en kwaad, al hetgeen maar wijzen zijn van denken.
Om dan nu allengskens ter zaak te komen : Wy hebben nu al te vooren aangewezen hoe dat uyt het begrip de beweging, tochten en werkingen van de ziel ontstaan, en hetzelve begrip hebben wy in vierderlij verdeeld, als in hooren zeggen alleen, in ervarentheid, in geloof, in klare kennisse. En aangezien wy nu de uytwerkinge dezer aller hebben gezien, zo is daaruyt openbaar, dat de vierde, namelijk de klare kennisse, de alder- volmaaktste is van alle; want de waan brengt ons dikwijls in dooling. Het ware geloof is alleen daarom goet, omdat het de weg is tot ware kennis, ons tot die dingen, die waarlijk beminnenswaardig zijn, opwekkende; zo dat dan het laatste eynde dat wy zoeken, en het voornaamste dat wy kennen, is de waare kennisse. Doch ook deze ware kennisse is na de voorwerpen, die haar voorkomen, ook verscheiden : zo dat, hoe veel beter daar is het voorwerp, met hetwelke het komt te vereenigen, zo veel beter is ook deze kennisse. En daarom dat is de volmaaktste mensch, dewelke met God (die het aldervol- maaktste wezen is) vereenigt en hem zo geniet.
Om dan te ondervinden wat in de lijdingen of passien goet en kwaad is, zo laat ons die, als gezeid is, bezonder voor- neemen. Ende vooreerst van de Verivondering . Deze dan, dewijl die off uyt onwetenheid of vooroordeel komt te ontstaan, is een onvolmaaktheid in den mensch, die deze ontroering onderworpen is. Ik zeg een onvolmaaktheid, omdat de ver- wondering, door zig zelfs, niet tot eenig kwaad brengt.
CAP. V.
VAN DE LIEFDE.
De Liefde, die niet anders is, als een zaak te genieten en daarmede vereenigt te worden, die zuUen wy verdeelen na de hoedanigheeden van haar voorwerp ; welk voorwerp de mensch zoekt te genieten, en daarmede te vereenigen.
Sommige voorwerpen dan zijn in haar zelven vergankelijk ; andere wel niet vergankelijk door haar oorzaak. Doch een derde isser alleen door zijn eigen kracht en mogentheid eeuwig en onvergankelijk.
DEEL II. CAT. V. 49
Do vergankelijke daii zijii alle de byzondere dingen, dio niet van allo tijd gevveest zijii, of \B : niaar 'n ) begin genoomen hobben.
\)(i andero dat zijn alle die [B: zijn dio algenieenej itijze/i, dio wy gezeid liobbon oorzaak te zijn van de bezondore wijzen.
Maar de derde is (iod, off, 't welk wy voor een on 't zelfde noomen, do Waarlieid.
De Jjiefde dan ontstaat uyt het begrip on kennisse die wy van een zaake hebben; ende nadat de zaake zig groter en heerlijker vertoond, daarna is ook de liefde grooter in ons.
Op twederley wijzen isser magt, om ons van de liefde te ontslaan : of door kennisse van een beter zaak, of door ondor- vinding dat de beminde zaak, die voor wat groots ende heerlijks gohouden is, veel onheil on ramp met zig sleept.
Mot de liefde is 't ook zoodanig, dat wy nooyt en trachton van dezelve (golijk van de vorwondering en andore passien) verlost te zijn; en dat om dozo twee redenen : 1. omdat liet onmogolijk is, do tweedo omdat liot noodzakelijk is, dat wy nict van do zelve verlost werden.
OnnKxjclijk dan is 't omdat het niet van ons afhangt, maar alleen van het goet en nut, dat wy in het voorwerp aanmer- ken ; hetwelke, zo wy 't niet en wilden bominnen; noodzaakelijk van ons to vooren niet en most gokend zijn ; hetwelk niet in onze vrylieid bestaat, of aan ons hangt, want zo wy niets kenden, voorzooker wy en waaren ook niet.
Noodzaaliclijlc dan is 't niet van dezelve verlost te zijn, omdat wy, vormids de zwakhoid onzos natuurs, zonder iets te genieton, waarmodo wy voreonigt wordon cn vorsterkt, niet en zoudon konnon bestaan.
Wolke dan van dczo drie'erley voorwerpen liobbon wy te verkiezen of te verwerpon V
Wat de verijankelijkc aangaat (dowijle wy, als gezeid is. om de zwakhoid onzer natuur noodzakolijk iet mooten beminnon, en daar mede vcreenigen om te bostaan), het is zeker dat wy door 't beminnon en veroonigon met dezolve geen zins in onze natuur vcrstorkt on wordcn, aangozion zy zolve zwak zijn, en d'eene krcupc^lo d'andor niot kan draagen. Kn niot aUocn dat ze ons niot on vordoron, maar zijn ook zolfs ons schadclijk. Want wy liebbcn gozoyd do Hofdo tc wozon vcn vervcnijinjv met het voornrr/), dat ons rvrsfdnd oordvvld livvrlijk vn jovt te zijn ; on daar})y vcrstaan wy zo ecn vereenigingc, door dewrlkc
I i 1 . 4
50 KOllTE VEHlIANDEIJNCi.
en (lo liefde en het geliefde een en dezelfde zaak komen te zijn, of t' zamen een gelieel maaken. Zoo is hy dan immers wel ellendig, die met eenige vergankelijke dingen vereenigt word. Want deze dewijl ze buyten zijne macht zijn, en veel toevallen onderworpen, zo is't onmogelijk dat, als die komen te lijden, hy daarvan zoude konnen bevrijd zijn. En zo byge- volg beshiyten wy: By aldien deze, die de vergankehjke din- gen die eenig zins noch wezen hebben, beminnen, zoo ellendig zijn, wel wat zullen die dan, die de eere, rijkdommen, en wellusten, die al heel geen v/ezentheid hebben, beminnen, ellendig zijn !
Laat ons dit dan genoeg zijn om te betonen, hoe ons de Reden aanwijst, om van de zo vergankelijke dingen af te scheiden. Want door 'tgeene wy nu gezeyd hebben, wort ons klaar aangewezen het vergif en het kwaad dat in de bemin- ninge dezer dingen steekt en verborgen is. Doch noch onver- gelijkelijk klaarder zien wy dit, als wy aanmerken, van wat een heerlijk en voortreffelijk goet wy door de genietinge dezes worden afgescheiden.
Hier voor hebben wy gezeid, dat de dingen, die vergankelijk zijn, buyten onze macht zijn. Opdat men ons wel verstaa: wy en willen niet zeggen, dat wy eenige vrye oorzaak zouden zijn, van niets anders afhangende ; maar, als wy zeggen dat eenige dingen in, andere buyten onze macht zijn, zo verstaan wy door die welke in onze macht zijn zulke, die wy uytwerken door ordre of te zamen met de Natuur waarvan wy een deel zijn ; door die welke niet in onze macht zijn zulke, die, gehjk als buyten ons zijnde, door ons geene veranderinge onderwor- pen zijn, aangezien zy zeer verre van onze dadelijke wezent- heid, door de Natuur zoodanig gesteld, afzijn.
Vervolgende dan zo zullen wy nu komen tot de tweede maniere van voorwerpen, welke alhoewel eeuwig en onver- gankelijk, zoo zijn zy nogtans niet zoodanig door haar eigen kragt. Edoch een weynig onderzoek hier maar toe brengende, zo zullen wy terstond gewaar worden, dat deze niet en zijn als maar wijzen alleen, die onmiddelijk van God afliangen. En dewijle de natuur dezer zodanig is, zo en zijn zy voor ons niet om te begrijpen, tenzij wy met eenen een begrip van God hebben. In welke, omdat hy volmaakt is, noodzaakelijk onze Liefde moet rusten. En om met een woort te zeggen, het zal ons onmogehjk zijn, dat, als wy ons verstand wel gebruyken, wy zouden konnen nalaten God te beminnen.
DEEL II. CAP. V. 51
De Reedenen waaroni zijn klaar. Vooreerst omdat wy onder- vinden, dat God alleen maar weezen heeft, en alle andere dingen geen wezens, maar wij/.en zijn. Ende aangezien de wijzen niet reclit konnen vorstaan worden zonder het wezen, van 't welke zy onmiddelijk afhangen ; en wy nu al vooren getoond hebben, dat als wy iets beminnende, een beter zaak, als die wy dan beminnen, komen te kennen, wy altijd ter- stond op dezelve vallen, en de eerste verlaten ; zo volgt onwedersprekelijk : dat, als wy God komen te kennen, die alle volmaaktheid in hem alleen heeft, wy hem noodzakelijk moeten beminnen.
Ten tiveeden, als wy ons verstand wel gebruyken in de kennisse van zaken, zo moeten wy die dan kennen in haar oorzaaken. Nu dan, aangezien God van alle andere dingen een eerste oorzaak is, zo is dan de kennisse Gods en zy staat, {ex reriim natHra) volgens de natuur van de zaak, voor de kennisse van allo andere dingen : dewijl de kennisse van aller andere dingen volgen moet uyt de kennisse van de eerste oorzaak. En de waare liefde komt altijd hervoort uyt kennisse van dat de zaake heerlijk is en goet. Wat dan kander anders volgen, als dat ze op niemand geweldelijkor zal konnen uytstorten als op den Here onse God? Want hy is alleeii heerlijk, en een volmaakt goed.
Zo zien wy dan nu, hoe wy de liefde krachtig maaken, en ook, hoe dezelve alleen in God moet rusten.
Het gene wy dan van de liefde noch meer hadden te zeg- gen, dat zullen wy trachten te doen als wy handelen van de laatste manier van kennisse. Hier vervolgens zullen wy nu onderzoeken, gelijk wy hiervoor hebben toegezeid, aangaande welke van de passien wy hebben aan te neemen, wolkc wy hebbeii te verwerpen.
CAP. VI.
V A N I) E It A A T.
De Haat is eeii neiginge, om iets van ons af te weeren, dat ons eenig kwaad veroorzaakt heeft. Zoo komt dan nu in aanmerkinge, hoe dat wy oiize werkinge op tweederley wijze komen te bedrijven, of namolijk met of zonder jnissitn? Met
52 KORTE VERIIANDELING.
passien, gelijk men gemeen ziet aan de heeren tegen haare knechten die iets misdaan hebben, dat doorgaans dan niet zonder toorne en geschied. Zonder passien, gelijk men zegt van Socrates, die als hy was genoodzaakt zijn knecht tot betering te castyden, zulks alsdan niet en heeft gedaan, zo wanneer hy ondervond in zijn gemoed tegen deze zijne knecht ontsteld te zijn.
Dewijl wy nu dan zien, dat onze werken van ons of met, of zonder passien gedaan worden, zo achten wy dat het klaar is, dat zulke dingen, die ons hinderen of gehindert hebben, zonder onze ontsteltenisse, als 't nodig is_, konnen weg gedaan werden; en daarom, wat is beter, of dat wy de dingen met afkeer en haat vlieden, of dat wy dezelve door kracht van reden, zonder ontsteltenisse des gemoeds (want dat achten wy dat wezen kan) ondergaan? Vooreerst is 't zeeker, dat als wy de dingen, die ons te doen staan, zonder i^assien doen, daeruyt alsdan geen kwaad en kan komen. En alzo tusschen goet en kwaad geen midde is, zo zien wy, dat, zoo 't kwaad is met passie te werken, dat het dan goet moet zijn zonder die te werken.
Doch offer eenig kwaad in is geleegen, de zaaken met een haat en affkeer te vHeden, laat ons hetzelve eens bezien.
Wat de haat belangt die uyt opinien voortkomt, 't is zeeker die en mag in ons geen plaats hebben, dewijl wy weten dat een dezelve zaak op d'eene tijd ons goet, op de ander tijd ons kwaad is, gelijk dat in de geneeskruyden altijd zo is.
Het komt dan eyndelijk daarop aan, of de haat alleen door waan, en ook niet door ware redenering in ons ontstaat. Doch om dit wel te ondervinden, dunkt ons goet duydehjk te ver- klaren, wat de haat is, en die wel van de afkerigheyd te onderscheiden.
De Haat dan zeg ik te zijn een ontsteltenisse van de ziel tegen iemand, die ons misdaan heeft met wille ende weten. Maar de afkerigheid is die ontsteltenisse, die in ons is tegen een zaak ontstaande uyt ongemak of leed, hetwelk wy of ver- staan of waanen van natuure in dezelve te zijn. Ik zeg van natuuren; want als wy het zo niet en waanen, zo zijn wy, alschoon wy eenig hinder of leed daarvan ontfangen hebben, van dezelve niet afkeerig, omdat wy integendeel eenig nut van dezelve hebben te verwagten. Gelijk iemand van een steen of mes gekwest zijnde daarom van 't zelve geen afkerigheid heeft.
DEEL II. CAP. VI. 53
I)it (lan aldus aangemerkt, zo laat ons eens kortelijk zien de uytwerking van deze beyde. Van de haat dan komt hervoort droefheid ; en de liaat groot zijnde, zo werkt ze uyt toornig- heid, dewelke niet alleen, als de haat, tracht te vheden van 't gehatene, maar ook lietzelve te vernietigen zo liet doenlijk is : uyt deze groote haat komt ook voort de Nijt. Maar van de afkeerigheid komt eenige droefheid, omdat wy ons trachten te beroven van iets 't welk, wezentlijk zijnde, zo ook aUijd zijne wezentheid en volmaaktheid hebben moet.
Uyt dit gezeide kan dan ligtelijk worden verstaan, dat wy, onze Reden [A B : reedenen] wel gebruykende, geen haat of afkeer tot eenige zaake en konnen hebben, dewyl wy ons zo doende van de volmaaktlieid, die in ieder zaak is, beroven. Ende zo zien wy ook door de Reeden, dat wy heel geen haat ooyt tegen iemand en konnen hebben; omdat alles wat in de Natuur is, indien wy iet daarvan willen, wy het altijd tot beter verandere moeten, of voor ons of voor de zaake zelve. En omdat een vohnaakt mensch liet alderbeste is, dat wy tegenwoordig of voor oiize oogen hebbende kennon, zo is dan en voor ons en voor ieder mensch in 't bezonder verre het beste, dat wy hun t' allen tijde tot die volmaakten stand trachten op te kweeken. Want alsdan eerst konnen wy van haar, en zy van ons, de meeste vrucht hebben. Het middel hiertoe is, haar geduurig waar te neemen zodanig als wy van onze goede Conscientie zelve gestadig geleerd en vermaand werden ; want deze ons nooyt tot ons verderf, maar altijd tot ons heil aanport.
Tot een besluyt zeggen wy, dat de Haat en Af keer in liaar hebben zo veel onvohnaaktheeden, als in het tegendeel de Liefde vohnaaktlieeden heeft. Want deze werkt altijd verbete- ring, versterking en vermeerdering, hetwelk de vohnaaktheid is; daar de Haat integendeel altijd uyt is op verwoesting, verzwakking en vernietiging, lietwelke de onvohnaakthoid zelve is.
CAP. VIT.
VAN BLIJDSCIIAr EN DKoErilElD *.
Gezien liebbende hoe dat de Haat en de Verwoiulerinij;
* B: Vgn de liegeertv en lilijdschup.
54 KORTE VERHANDELING.
[B: de Haat en Afkeerigheid] zodanig is, dat wy vrijelijk mogen zeggen, dat dezelve nooyt plaats konnen hebben in die geene die haar verstand gebruyken zoo 't behoort; zo zullen wy dan op dezelfde wijze voortgaan, en spreeken van de andere passien. Om den aanvang te maaken, zo zullen de eerste zijn de Begeerte en de Blijdschap. Deze aangezien zy ontstaan uyt dezelve oorzaaken, uyt welke de liefde voortkomt, zoo en hebben wy van deze niet anders te zeggen, als dat wy ons moeten erinneren en in geheugenisse brengen 't geen wy als doenmaal zeyden; waarby wy het hier dan laten.
By deze zullen wy voegen de Droefheid, van dewelke wy derven zeggen dat ze ontstaat alleen uyt de opinien en waan uyt dezelve : want zy komt voort van 't verHes van eenig goed.
Nu te vooren hebben wy gezeid, dat alles wat wy doen strekken moet tot bevordering ende verbetering. Doch 't is zeker dat zo lang als wy bedroeft zijn, wy ons zelven onbe- kwaam maaken tot zulks te doen; derhalven is nodig dat wy ons van dezelve ontslaan. 't Welk wy doen konnen met te denken op middelen van het verloorne weder te bekomen, zo het in onze macht is. Zo niet, dat het evenwel nodig is ons die kwijt te maaken, om niet te vervallen in alle die ellenden die de droefheid noodzakelijk met zig sleept. En dit beyde met blijdschap ; want 't is zottelijk, een verlooren goet door een zelfsbegeerende en opkweekend kwaad te willen herstellen en verbeteren.
Eyndelijk, die zijn verstand wel gebruykt, moet noodzakelijk God 't eerste kennen. Nu God, als wy bewezen hebben, is het opperste goet en alle goet. Ergo zo volgt onwederspreekelijk, dat iemand die zijn verstand wel gebruykt, in geen droefheid kan vervallen. Want hoe? hy rust in dat goet, dat alle goet is, en in het welke alle blijdschap en vernoeginge der vol- heid is.
[A add. Uyt waan dan of onverstand komt de droefheid, als gezeid is, voort.J
CAP. YIII.
VAN DE ACHTING EN VERSMADING, ENZ.
Nu vervolgens dan zullen wy spreeken van de Achting en Versmading, van de Edebnoedigheid en Nedrigheid, van Yer-
DEEL II. CAI'. vni. 55
waantheid en van de Strafbare Needrigheid. Om het goet en kwaad in deze wel te onderscheiden, zulk'n wy die voor voets opneemen.
De Achting en Vcrsmading dan zijn maar in opzigt van iets groots off kleins, als dat wy eenige zaake kennen, het zy dit groots of kleins in ons of buyten ons is.
De Edelmoedigheid strekt zig niet uyt buyten ons, en werd alleen toegepast zoo eenen, die na de regte waarde, zonder passien noch gemerk op de achting zijn zelfs te hebben, zijne volmaaktheid kend.
De Nedrigheid is, als iemand zijne onvolmaaktheid; zonder gemerk te hebben op dc verachting zijns zelfs, kend ; strek- kende de Nedrigheid niet uyt buyten den nedrigen menscli.
De Verwaantheid is, als iemand zig zelfs komt toe te eigenen eenige vohnaaktheid die niet in hem te vinden is.
De Strafbare Nedrigheid is, als iemand aan zig toepast eenige onvolmaaktheid die aan hem niet behoort. Ik en spreeke niet van de gcveysde, die om andere te bedriegen, zonder te meenen haar verneederen; maar van zulke die de onvohnaaktlieden, die zy hun toepassen, ook zodanig meenen te zijn.
Dit dan aklus aangemerkt zijnde, zo blijkt dan daaruyt ge- noegzaam, wat voor goet en kwaad ieder van deze /xissien in zich heeft. Want wat belangt de Edehnoedigheid en Nedrig- heid, deze geven door hun zelfs haar voortrettehjklieid te kennen. Want wy zeggen dat deii })czitter deszelfs zijne volmaaktheid en onvolmaaktheid na waarde kend. Hetwelk het voornaamste is, zo ons de Keeden leerd, waardoor wy tot onzc vohnaakt- heid geraaken. Want wy te recht onze macht en vohnaaktheid kennende, zo zien wy daardoor klaarlijk, wat het is dat ons te doen staat om tot ons goct einde tc geraaken. En wederom, als wy ons gebrek en onmacht kennen, zo zien wy wat ons te vermijden staat.
Wat de Verwaantheid en Strafbaare Nedrigheid angaat, do be- schrijving deszelfs geeft ook te kennen dat zij ontstaan uyt zekerc waan ; want wy zeiden, dat zy toegepast word aan zulk een, dcwc^lke ecnige volmnaktheid, dic aan licm niet belioord, nochtans zig zclfs toeschrijft, cn dc strafbarc ncdrighcid bet rechte tegendecl.
llyt dit gczeidc dan blijkt, (hit, zo goct cn hcylzaam als daar is de Edchnocdigbcid en Ware Ncdrigheid, dat daar en tegen de Verwaanthcid en Strafbare Nedrigheid ook zo kwaad en vordervende is. Want geene en steUl niet alloen den bezit-
56 KORTE VKRIIANDELING
ter in een zeer goede stant, maar ook daarby is zy de rechte trap, door dewelke wy opklimmen tot ons opperste heyl. Maar deze en belet ons niet alleen om tot onze vohnaaktheid te geraaken, maar brengt ons ook geheel tot ons verderf. De Strafbare Nedrigheid is 't die ons belet te doen, 't geene wy anders mosten doen om vohnaakt te werden; gelyk wy dat zien in de Twijffelaars {Scepticis), die, doordien zy loochenen dat de mensch eenige waarheid kan hebben, haar zelfs daar van door deze ontkenning beroven. De Verwaantheid is 't die ons doet dingen ter hand neemen, die regeh*egt tegen ons verderf strekken ; gelijk men ziet in alle die, die gewaant heb- ben en wanen, met God wonder wel te staan, en door dezelve vuur en water braveren en zo vast ellendig ter dood geraaken, geen gevaar ontziende, alles getroost zijnde.
De Achting belangende en Verachting, van deze is niet meer te zeggen, als ons wel indachtig te maaken hetgeene wy hier te vooren van de Liefde gezeid hebben.
CAP. IX.
VAN DE HOPE EN VREEZE, ENZ.
Van de Hope en Vreze, van de Verzekerdheid, Wanhoop en Wankehnoedigheid, van de Moed, Stoutheid, en Volghyver, van de Flaauwmoedigheid en Vervaartheid zuUen wy nu aan- vangen te spreeken, en een voor een na onze gewoonte voor- neemen, en dan, welke van deze ons hinderhjk, welke ons vor- derlijk konnen zijn, aanwijzen. Al hetwelke wy zeer hcht zul- len konnen doen, indien wy maar wel opmerken op de begrip- pen, die wy konnen hebben van een zaake die toekomende is, het zij die goet het zij die kwaad is.
De begrippen die wy ten opzigt van de zaake zelve hebben, zijn, of dat die zake van ons als gebeurlijk word aangemerkt, dat is of kan komen of niet kan komen ; of, dat ze nood- zakeUjk moet komen. Dit ten opzigt van de zaak zelve.
Ten opzigt dan van die de zaak begrijpt is dit: of dat hy iets moet doen om te bevorderen dat de zake komt, of om dezelve te beletten.
Uyt deze begrippen dan komen hervoort alle deze tochten, aldus: zo wy een zaake die toekomende is begrijpen goet
DKEL II, CAP. IX. 0(
te zijn en dat ze zoude konnen geschieden, daaruyt krijgt de zielo zo eon gestalto die wy hope noemen, dewelke niet anders is con zekere slag van blijdschap, gomengt nochtans met eenige droefheid.
En wodorom als wy do mogehjk komende zaako oordelen kwaad te zijn, daar uyt komt de gestalte in onze zielo, dio wy vreze noomen.
Dog als de zaake van ons begreopon word goot, en daarby noodzakohjk to zuHen komen, daarvan dan komt in de ziole die gerustheid, die wy noemen verzekerdheid ; hetwelk eon zeekere blydschap is, niet vermengt met droefheid, gelijk in de hope.
Dog indien wy de zaake begrijpen kwaad te zijn, en nood- zakelijk te zullon komon, liior van daan komt in de ziole wan/ioop; dowelke niet andors is als eon zeekere slag van droofhoid.
Tot hiertoo dan van de passien in dit kapittel vervat ge- sprooken hobbonde, en de boschrijvinge derzolver gomaakt op een bevestigendo wijze, en alzo gozoid wat eon icdor deszolfs is; zo konnen wy ook dezclve, omkorondo, boschrijvon op een ontkonncnde wijze, namentlyk ahlus : Wy hoopen dat liot kwaad niet en zal komen, wy vreezen dat het goet niet en zal komen, wy zijn verzeekerd dat het kwaad niet zal komcn, wy ivan- hoopen dat het goed niet en zal komen.
Dit dan nu gezeid hebbende van de passien, voor zoveel dio komen uyt de bogrippen tcn opzigt van do zaakc zelvo, nu hcbben wy te spreken van die dcwolko ontstaan uyt dc bc- grippen ten opzigt van die do zaako begrijpt ; tc weten :
Als men ict moet doen om de zakc voort te brcngcn, en wy daaraf gccn besluyt en maakcn, zo krijgt de ziel ecn ge- stalte dic wy ivank('lmoedif//i('id noomon. Maar als zy tot hot voortl)rcngcn van do zaako mannchjk boshiyt, en dic voort- brengchjk is, alsdan word hot niocd gcnoemd ; en, die zaakc bczwaarHjk om voort te brengen zijnde, zo word liet kloek' moedi(j/ieid genoemd of dttpper/teid.
Dog als icmand oon zaako beshiyt te doen, omdat het een ander (hem voorgcdaan hobbondc) wel gehikt is, zo nocmt mon h(*t vobpjver.
Als icmand wcct wat bcshiyt hy moct maakcn, om ccn gocde zaakc tc bcvordcron, en ecn kwadc iv bclcttcn, ziilks nogtans nict cn do(^t, dan zo nocmt mcn hQt/hi(n(inovdi(j/i(id;cni]v7AA\'v hccl groot zijndc, nocmt het vervaarthvid. KyndcHjk de hvlif-
58 KORTE VEKHANDELING.
zuclit of jaloiisie is een zorge die men heeft, om iets dat nu verkregen is alleen te mogen genieten en behouden.
Dewijl ons dan nu bekend zyn waaruyt deze togten komen te ontstaan, zo zal ons heel hgtelijk zijn te betogen, welke van die goet, welke kwaad zijn.
Wat dan de Hoope, Vreeze, Verzekerdheid, Wanhoop en Belgzugt aangaat, het is zeeker dat zy uyt een kwaade opinie ontstaan. Want, gelijk wy nu alvooren bewezen hebben, alle dingen hebben haar noodzaakelijke oorzaaken, en moeten, zo- danig als zy geschieden, noodzakeHjk geschieden. En alhoewel de Verzekerdheid en Wanhoop in die onverbrekelijke ordre en gevolg van oorzaaken plaatse scheynd te hebben \^B add. of dezelve vast te stellen], zo is 't nogtans (de waarheid daarvan wel ingezien zijnde) verre daar van daan. Want Verzekerdheid en Wanhoop en zijn nooyt, ten zij zy als vooren Hoop en Vrees (want van deze hebben zy haar zijn) geweest hebben. Als by exempel, als iemand het gene hy nog te verwagten heeft, goet waant te zijn, zo krijgt hy die gestalte in zijn ziele die wy Hoope noemen ; en van dat gewaande goet ver- verzekerd zijnde, zo krijgt de ziele die gerustheid die wy Verzekerdheid noemen. Hetgene wy dan nu van de verzekerd- heid zeggen, hetzelve moet ook van Wanhoop gezeid worden. Dog volgens 't geen wy van de Liefde gezegt hebben, zo en konnen ook deze in geen volmaakt mensch plaatze hebben: dewijle zy dingen veronderstellen die wy door haar verander- lijke aard (gelijk in de beschryving van de Liefde is aange- merkt), welke zy onderworpen zijn, niet moeten aanhangen; nog ook van dewelke (als in de beschryvinge van de Haat getoond is) wy moeten afkerig zijn. Welke afhanginge en afkerigheid nogtans de mensch onderworpen is, die in deze passien staat, tot alle tijd.
Wat de Wankelmoedigheid, Flaaumoedigheid, en Vervaard- heid belangen, door haar eigen aardt en natuur geven zy hare onvolmaaktheid te kennen: want alles wat zy t' onzen voordeel doen komt niet uyt de werkinge van haar natuur als negative. E. g. iemand die iets hoopt dat hy waant goet te zijn, 't welk nogtans niet goet is, en nogtans door zijn wankelmoedigheid of flaaumoedigheid de moed die tot de uyt- voeringe vereischt \adde: word], komt te gebreeken, zoo is 't dat hy van dat kwaad 't welk hy waande goet te zijn negative of by geval bevrijd word. Deze dan en konnen ook geenzins in de mensch die door de ware Reeden geleid word plaats hebben.
DEEL II. GAP. IX. .59
Eyndelijk belangende de Moed, Stoutheid, en Volgyver, van dezelve en is niet anders te zeggen als 't geene wy van dc Liefde en Haat nu al gezeit hobben.
CAP. X.
VAN KNAGING EN BEROUW.
Van de kncujing en het herouw zullen wy voor tegenwoordig, dog kortelijk spreeken. Deze dan en zijn nooyt als door ver- rassing; want de knaginy komt alleen liier uyt, dat wy iets doen vant welk wy dan twijffelen of het goet is, of het kwaad is; ende het herouw hier uyt, dat wy iets gedaan hebben dat kwaad is.
En omdat veel menschen (die haar verstand wel gebruyken) somtijds (vermids haar die hebbelijkheid, die vereischt werd. om het verstand altijd wel te gebruyken, ontbreekt) afdwaalen ; zo zoude men misschien mogen denken, dat haar deze Knaging en IJerouw verder zoude te regte brengen, en dan daaruyt })esluyten, gelijk zo de geheele wereld doet, dat ze goet zijn. Dog zo wy dezelve te regt willen inzien, wy zullen bevindcn dat ze niet alleen niet goet en zijn, nemaar in het tegendoel dat ze schadelijk, en dienvolgende dat ze kwaad zijn. Want het is openbaar, dat wy altijd meer door de Eeeden en liefde tot do waarheid, als door knaging en berouw te rechte komen. Schadolijk zijn zy dan en kwaad, want zy zijn een zeekor slag van droof lieid, dowelke van ons nu te vooren bewezen is scha- dolijk to zijn, en die wy derlialvon daarom als kwaad mooton trachten van ons af te woren, golijk wy dan dionvolgonde ook deze als zodanig moeten schuwen en vliedon.
CAP. XI.
VAN HKsroTTING EN nOHltTEU Vi:.
De bespotting on boerterye steuncMi op oou valsilu' waan, 011 govoii iii do liespotter oii Boortor iv koiinoii ooii onvol- iuaakthoid.
60 KORTE VEHHANDELING.
Op een valsche waan ist dat zy steunen, omdat nien meind dat dengeenen die bespot word, de eerste oorzaak is van zijne werken, en dat ze niet noodzaakelijk (gelijk de andere dingen in de Natuur) van God afhangen. In de Bespotter geven zy een onvohnaaktheid te kennen ; want of hetgeene zy bespotten is zodanig, dat het bespotteHjk is, of het is niet zodanig. Indien niet zodanig, zo betonen zy een kwaden aard, bespot- tende hetgeene niet te bespotten is; indien ja zodanig^ zo be- tonen zy daarmede, in die geene die zy bespotten eenige onvol- maaktheid te kennen, dewelke zy niet met bespottinge, maar veel eer met goede redenen gehouden zijn te verbeteren.
Het lachgen heeft geen opzicht op een ander, maar alleen op die mensch, die eenig goet in zig zelfs bemerkt; en omdat het is een zeeker slag van de Blijdschap, zo valt ook niet anders van de zelve te zeggen, als van de Blijdschap nu al gezeyd is. Ik spreek van zulk lachgen, veroorzaakt door zeekere Idea die hem daartoe anport, en geenzins van zulk lachgen, veroorzaakt door beweeginge der geesten; van het zelve (dewijl het nog op goet, nog op kwaad eenige opzicht heeft) hier te spreeken waar buyten ons oogmerk.
Van de Nijd, Gramschap, Euvelneeming en zal hier niet anders te zeggen zijn, als ons eens te herinneren 't geene wy alvoorens van de haat gezeyt hebben.
CAP. XIL
VAN DE EERE, BESCHAAMTHEID EN ONBESCHAAMTHEID.
Van de eere, beschaamtheid, en onbeschaamtheid zullen wy nu mede kortelijk spreeken. De eerste is een zeeker slag van Blijdschap, die een ieder in zig zelfs gevoeld wanneer hy ge- waar word, dat zijn doen bij andere geagt en geprezen word, zonder opzigt van eenig ander voordeel of profijt dat zy beoogen.
Beschaamtheid is zeekere droefheid die in iemand ontstaat als hy komt te zien, dat zijn doen by andere veracht word zonder opzigt van eenig ander nadeel of schaade dat zy beoogen.
De Onbeschaamtheid is niet anders als een ontbeering of uytschudding van schaamte, niet door de Reeden, maar of
DEEL II. CAP. XII. 61
door onkundo van schaamte, gelijk in de kinderon, wilde nien- schen, etc, of doordien men, in groote versmaadheden geweest zijnde, nu overal zonder omzien heen stapt.
Kennonde nu dan deze togten, zo kennen wy ook meteen de ydelheid en onvolmaaktheid die zy in haar hebhen. Want de Eere en Scliaamte en zijn niet allcon niet vorderlijk volgens het geene wy in hare beschrijvinge liebben aangemerkt, maar ook (voor zo veel zy op eigen liefde, en op een waan van dat de mensch een eerste oorzaak is van zijn werk, en dien- volgende lof en laster verdiend, geboud zijn) zo zijn zy schade- lijk en verwerpelijk.
Dog ik wil niet zeggen, dat men zo by de menschen moet leven, als men buyten haar, daar Eer en Schaamte geen plaats heeft, leeven zoude ; no maar integendeel staa ik toe dat ons die niet alleen vry-staan te gebruyken, als wy die tot nut van de menschen en om haar te verbeteren aanwenden, maar ook hetzelve mogen doen met verkoriinge van onze (anderzins volkomen en geoorlofde) eigen vryheid. Als by exempel : zo iemand zig kostelijk kleed, om daardoor geaclit te zijn, deze zoekt een Eere die uyt de liefde zijns zelfs her- voorkomt, zonder enige opzigt op zijn evenmensch te hebben ; maar zo iemand zijn wijsheid (daar door hy aan zijn eeven- naasten konde vorderlijk zijn) ziet verachten, en met de voet treden, omdat hy een slecht kleed an heeft, deze doet wel dat hy (uyt beweging om haar te helpen) zich met een kleed, daar aan zy haar niet en stooten, verziet, wordende alzo, om zijn evenmensch te winnen, zijn evenmensch gelijk.
Wat voorder de Onbeschaamthoid belangt, deze die toont zich zelfs aan ons zodanig, dat wy, om haare mismaaktlieid te zien, alleen maar haare beschryving van noden hebben, en zal 't ons genoeg zijn.
c.vp. XI rr.
VAN DK OIINSTE, DANKHA A lUlKID K\ ONDANKHA AIJIIKID.
Zo volgt nu van do (junslc, ddnklxKirhciil en onddnkhmit'' hcid. Wat de twee eersto aangaat, zy zijn die noigingt» die do zielo heeft, van zijn evennaasten eonig goet te giiniirn on to doen. Te gunnen, zeg ik. als aaii hem die oenig goot godaan
62 KOKTE VERHANDELING.
heeft, weder goet gedaan wordt ; te doen, zeg ik, als wy zelve eenig goet verkregen of ontvangen hebben.
Ik weet wel dat meest alle menschen oordeelen deze togten goet te zijn; doch niet tegenstaande dat zo derf ik zeggen, dat ze in een vohnaakt mensch geen plaatse konnen hebben. Want een vohnaakt mensch word maar alleen door de nood- zakehjkheid zonder eenige andere oorzaak bewogen, om zijn evenmensch te helpen, en daarom vind hy zig om te helpen aan den aldergodlooste zo veel te meer verphgt, als hy ziet, zoo veel te grooter ellende en noodt in hem te wezen.
De Ondankbaarheid is een verachtinge van de Dankbaarheid, gelijk de Onbeschaamtheid van de Schaamte, en dat alleen zonder eenig opzicht van reeden, maar alleen voortkomende door of gierigheid, of een al te groote hefde tot zich zelfs ; en daarom dan en kan die in geen volmaakt mensch plaats hebben.
CAP. XIV.
VAN HET BEKLAGH.
Het bekiagh dan zal zijn het laatste, waarvan wy in de verhandehnge der passien zuUen spreken, en met hetwelk wy zuUen eyndigen. Beklag dan is zeeker slag van droefheid, uyt overweginge van eenig goet dat wy verlooren hebben ont- staande, en dat zodanig datter geen hoope is, het zelve zo weder te hebben. Zy geeft ons haar onvolmaaktheid alzo te kennen, dat wy haar maar beschouwende de zelve terstond kwaad keuren. Want wy nu alvooren hebben bewezen, dat het kwaad is zig zelve te verbinden en vast te maaken aan dingen die ons HchteHjk, of ooyt, konnen komen te gebreken, en die wy niet en konnen hebben als wy willen. En dewijl het een zeeker slach is van droefheid, zo hebben wy die te schuwen, gelijk wy zulx voor dezen, van de droefheid hande- lende, hebben aangemerkt.
Zoo meen ik dan nu genoegzaam aangewezen en betoogt te hebben, dat alleenlijk het Waare Geloof of de Reeden dat geene is, hetwelk ons tot de kennisse van 't goede en kwaade brengt. En zo wanneer wy zuUen betoonen, dat de eerste en voornaaamste oorzaak aller dezer tochten is de Kennisse, zo
IJLEL II. ( AI'. XIV. 63
zal kliiarlijk hlijkcn, dat \vy, ons verstand en Keeden \vel gehruykende, nooyt in een van deze die van ons te verwerpen zijn, zullen konnen komen te vallen. Ik zeg ons Verstand, want ik niet en meyne, dat de Keeden alleen maghtig is, ons van alle deze to bevrijden : gelijk wy dan zulks hier na op zijn phiatse ook zuUen bewijzen.
Doch als een voortreffelijke zaake hebben wy nopende de passien hier aan te merken, hoe dat wy zien en bevinden, dat alle die passien, welke goet zijn, van zoodanigen aard en natuur zijn, dat wy zonder dezelve niet en konnen zijn noch bestaan, en gelijk als wezentlijk tot ons behoren ; als daar is Liefde, Begeerte, en alles wat aan de liefde eigen is.
Maar geheel anders is 't geleegen met die, dewelke kwaad en van ons te verwerpen zijn; aangezien wy zomler de zelve niet alleen zeer wel konnen zijn, maar ook dan eerst reght zijn die wy behooren te zijn, als wy ons van de zelve hebben vry gemaakt.
Om dan nog meer klaarheid in alle deze to geven, diend aangemerkt, dat het fundament van alle goet en kwaad is dt Liefde vallende op zeker voonverp : want zo wanneer men niet en bemind het voorwerp, hetwelk {nota hene) alleen waardig is bemind te worden, namelijk (lod, gelijk wy alvoo- rens gezeid hebben, maar die dingen die door eigen aart eii natuur vergankelijk | li add. en veele toevallen onderworpen] zijn, zo volgt daarop dan noodzakelijk \A add. (dewijl het voorwerp zo veel toevallen, ja de vernietinge zelve onder- worpen is)] de haat, droefheid, enz., na veranderinge van het gehefde voorwerp. Haat, als iemand hem het beminde ont- neemt. Droefheid, als hy het komt te verliezen. Eere, als hy op Liefde zijns z.elfs steunt. Gunste ende Dankbaarheid, als hy zijn evenmensch niet en bemind om Godt.
Docli in tegendeel van alle deze, zo wanneer de mensch God komt te beminnen, die altijd onveranderlijk is en blijft, zo is 't liem onmogelijk in deze j^oel van /Hissicn te vervallen. En daar om zo stellen wy voor een vaste on onvrikbare regul, dat ({od is de eerste en eenige oorzaak van al ons goedt, en een vrymaaker van al ons kwaad.
Zoo komt mede in aanmerkingc, (hit alleen (h' Licfde, enz. oul)(>paahl zijn : namentlijk lioe die me(»r en ineer toeneemt. hoe die ook alsdan voortretfelijker word ; aangezien die is vallende op een voorwerp dat onc^yndig is; waarom ze dan alle tijd kan toeneemen, hctwelk in geene andere zaake als
64 KORTE VERHANDELING.
alleen in deeze en kan plaatze grijpen. En dit zal ons misschien hier na een stoffe zijn waaruyt wy de onsterffelijkheid van de ziel zuUen bewijzen, en hoe off op wat wijze die zijn kan.
CAP. XV.
VAN 'T WAARE EN T VALSCHE.
Nu dan laat ons eens zien van het waare en valsche, het- welk ons de vierde en laatste uytwerkinge van dit waare ge- loof aanwijst. Om dit dan te doen, zo zuUen wy eerst de beschry vinge van Waarheid en Valsheid stellen. Waarheid dan is een bevestiginge (of ontkenninge) die men doet van eenige zaak, overeenkomende met de zelve zaak; en Valsheid een bevestiginge (of ontkenninge) van de zaake^ die niet met de zaake zelve overeenkomt. Doch dit zo zijnde, zal het schijnen datter geen onderscheid is tusschen de valsche en ware Idea, ofte, dewijle dit of dat te [adde: bevestigen ofj ontkennen ware wijze van denken zijn, en geen ar.der onderscheid heb- ben *, als dat de eene met de zaak overeenkomt, en de ander niet; dat ze dan ook niet dadelijk, maar alleen door reeden verschillen; en als dit dan dus zoude zijn, konde men met regt vraagen, wat voordeel doch d'eene met zijn Waar- heid, en wat schade doch d'ander door zijn Valsheid heeft? en hoe de eene weten zal, dat zijn bevatting of Idea meer met de zaak overeenkomt als de ander? eyndelijk, van waar het komt dat de eene doold en de ander niet?
Waarop vooreerst tot antwoord diend, dat de alderklaarste dingen en zig zelfs, en ook de valschheyd te kennen geven, in zulker voegen, dat het een groote dwaasheid zoude zijn, te vraagen hoe men van haar bewust zoude wezen : want dewiile zy gezeid worden de alderklaarste te zijn, zo en kanner immers geen andere klaarheid wezen, door dewelke zy zouden konnen verklaart worden; zo dat dan volgt, dat de waarheid en zig zelfs, en ook de valsheid openbaard [A add. want de waarheid word door de waarheid, dat is door zig zelfs klaar, gelijk ook
* B : Doch dewiji dit of dat te hevestigen of te ontkennen waare uijzen van denken zijn, zo schvjnt 'er tusschen het waar en valsch denkbeeld geen ander onderscheid te zijn, enz.
i)i:i;i. II. cAi'. XV. G5
de valshoid door dezelve klaar is]; inaar nooyt word de Vals- heid door zii; zelfs geopeii}>aard of aangewezen. Zoo dan iemand die de waarheid lieeft en kan niet twijffelen dat hy ze heeft, dog ieniand die in valslieid of in doHng steekt, die kan wel waanen dat hy in waarheid staat ; gelijk als iemant die drooint wel denken kan dat hy waakt, maar nooyt kan iemand die nu waakt denken dat hy droomt.
Met dit gezeid dan word ook eenigzins verklaard hetgeene wy gezeid hebben, van dat God de VVaarheid, of dat (/c ]l'aar- heid God zelve is.
Nu de oorzaak, waarom de eene van zijne waarheid meer bewust is als de ander, is omdat de Idea van bevestiging (of ontkenning) met de natuur van de zaak geheel overeenkomt, en (lienvolgende meer wezentheid heeft. Om dit beter te be- grij]M3n, diend aangemerkt dat het Verstaan (schoon het woord anders hiyd) is een zuyvere of pure liJditKj; dat is, dat onze ziel in dier voegen veranderd word, dat ze andere wijze van denken krijgt, die zy te vooren niet en haddc;. Als nu iemand, doordien het geheele voorwerp in hem gevrogt heeft, diergelijke gestalte of wijzen van denken krijgt, zoo is het klaar, dat die een geheel ander gevoel van de gestalte of hoe- danigheid van het voorwerp bekomt, als een ander die zo veel oorzaaken niet gehad heeft, en zo, tot zulks of te bevestigen, of te ontkennen, door een ander lichter werking (als door weinige of minder toevoeginge in [B: toevoegingen van dien] 't zelve gevvaar wordende) bewogen w^ordt. Hier uyt ziet men dan de vohnaaktlieid van een die in Waarheid staat, gesteld tegen een die in de zelve niet en staat. Dewijl dan de eene lichteHjk, de ander niet HchteHjk verandert, zo volgt daaruyt dan, (lat de eene meer bestandiglieid en wezentheid heeft als de ander; en zo ook om dat die wijzen van denken, welke met de zaak overeenkomen, meer oorzaaken gehad liel)ben, zo hebben zy ook in haar meer bestandigheid en wezentheid: en dewijl zy geheel met de zaak overeenkomen, zo is 't onmoge- lijk dat zy in eenige tijd van de zaak anders konnen aange- daan worden, of eenige veranderinge lijden, dewijl wy nu al vooHMis gezien he))})en, dat de wezentheid van cvn zaak on- veranderlijk is. Al hetwelke in de valsheid geen plaats heeft. Kn met (Ht gezeide zal al liet vorige gevraagde genoegzaam beantwoord zijn.
111
66 KORTE VEHHANDKMNG.
CAP. XVI.
V A N D E AV 1 L L E.
Wetende dan nu wat Goet en Kwaad, Waarheid en Valsheid is, en ook waarin de welstand van een vohnaakt mensch bestaat, zal 't nu tijd zijn om tot onderzoek onzes zelfs te komen, en eens te bezien of wy tot zo een welstand vrijwilhg of genoodzaakt komen ?
Hier toe is van nooden, eens te onderzoeken wat by diegene, die de Wille stellen, de Wille is, en waar in die van de Begeerte onderscheiden word. De Begeerte hebben wy gezeid die neiginge te zijn die de Ziele heeft tot iets 't geen zy als goet keurt; zo dat dan daaruyt volgt, dat eer onze begeerte zich uyterlijk tot iets uytstrekt, in ons alvoorens een besluyt is gegaan, van dat zulk iet goet is, welke bevestiging dan, of algemeen genomen de magt van bevestigen en ontkennen, de Wille ^ genoemt word.
Zoo komt het nu dan daarop aan, of deze Bevestiging van ons vrijwilhg of genoodzaakt geschied, dat is, of wy iets van een zaak bevestigen of ontkennen, zonder dat eenige uytwen- dige oorzaak ons tot zulks dwingt. Doch by ons is al bewezen, dat een zaak, niet door zig zelfs wordende verklaart, of wel- kers ivezentlijkJieid niet aan zijn wezentheid is behorende, nood- wendig een uyterlijke oorzaak moet hebben ; en dat een oorzaak, die iets zal voortbrengen, zulks noodzaakelijk moet voortbren- gen; zo dan ook moet volgen dat dit of dat bezonderlijk te willen ^, dit of dat van een zaak bezonderlijk te bevestigen of
* De Wille dan genomen voor de Bevestiging of het Besluyt, die vei'- schilt hier in van het Waare Geloove, dat ze zig uytstrekt ook tot hetgeen niet waarlijk goet is; en dat daarom, omdat het overtuyg niet zodanig is, dat het klaar gezien wort niet anders te konnen zijn ; gelijk dit alles in het ware geloof zodanig is, en moet zijn, de wijle uyt het zelve niet als de goede begeerte voortkomen.
Maar van de Waan verschilt zy ook hier in, dat zy wel t' eeniger tijd zoude konnen onfeylbaar en zeeker zijn; dat in de Waan, die van gisse en meyne bestaat, geen plaats heeft.
Alzoo dat men die een Gelove zoude konnen noemen, in aanzien zy zoo zeker zoude gaan [B: gaan kan], en Waan in aanzien zy de dooling onderworpen is.
- 't Is zeeker dat het Byzonder willen moet hebben een uyterlijke oor- zaak door dewelke dat ze zij ; want aangezien tot het wezen des zelfs de wezentlijkheid niet en behoord, zo moet ze noodzakelijk zijn door de wezentlijkheid van iets anders.
Te zeggen, [A add. de Idea van] de uytwerkende oorzaak des zelfs en is geen Idea, maar de Wille zelve in de mensch, en het Verstand is een
di:i:l ii. cap, xvi. 0<
te ontkennen, dat zulks, zeg ik, dan ook door eenige uytwen- (lige oorzaak nioet voortkomen : gelijk ook de bescliry ving die \vy van de oorzaak gegeven liebben is, dat ze niet vry kan zijn.
oorzaak, zonder welke de wil iiiet en kan ; ergo de Wille onbepaalt ge- nomen, on ook het Ver.<ttand, f<oen wezens van Reden maar dadolijke wezens; do^ iny aangaande, wunneer ik die aandagtig wil bevatten, zo schijnen zy algenieene, en ik kan haar niet dadelijks tooeigenen. Dog 't zy zo, nogtans moet nien toestaan dat de Willing een modificatie in van de Wil, en do Ideen een wijzing van 'tVerstand; ergo zo zijn dan nootzakelijk het Verstand en de Wil verscheideno en dadelijke onder- scheidene zellstandigheden, want do zelCstandigheid word gemodiJiceert, en niet de wijze zelve. Zoo de ziel gezeid word deze twee zelfstandig- heden te bestunren, zoo isser dan oen derde zelfstandigheid. Altemaal dingen zo verward, dat het onmogelijk is, een klaar en onderschoiden begrip daar af te hebben. Want dewijl de Idoa niet en is in de Wille, maar in 't Verstandt, en volgens dezen zotregul, dat de wijze van de eene zelfstandigheid niet en kan ovorgaan in de andor zelfstandigheid, zoo en kan hioraf in dc wii ij;eou liefde ontstaan : want het wikkeld zich in tegenstrijdigheid, dat men iet.s- zoiuh ivillen uelker zaak:-< idea niet is in de uillende mogentheid. Zegt gy, dat de Wil, van wegen do vereeni- ginge die zy heeft met het Verstand, ook gewaar word 't zelve 't geen het Verstand verstaat, en daarom dan ook bemindt {li add. zoo dient daar'n tegen aangemerktj : maar dewijl gewaarworden ook is een ])egrip [A add. en een verwarde Idoa]. zoo is 't dan ook een wijze van verstaan; dogh volgens het voorige en kan dit in de Wil niet zijn, schoon or al zodanige vereeniging van ziel on lichaam was. Want neemt dat het lichaam met do ziel vereenigt was, na de gemeene stelling der philosophen, noch- tans zo en gevoelt het lichaam nooyt, nog do ziol wordt niet uytgebroyd. [A add. Want dan zoude een Chimera, waarin wy twee zelfstandigheden begrijpen, een konnen worden ; dat is valsch.j Als men zogt, dat de Ziel en 't Verstand on de Wil bestuurd, dat is niet to bogrijpen [B : zulks is niet alleon onmogelijk om te begrijpen, maar zolfs ook teegon haarj, want zo doende schijnt men te ontkennen, dat de w^il vry is. dat tegon hun is. Om dan hier te eyndigen, zo en lust my niet alles ])y to brongen, dat ik heb tegen de stelling van een geschapen eyndige zelfstandigheid. Maar alleen zal ik toonon kortelijk, dat de Vryheid van de Wil geenzins past op zo eon geduurige schoppinge, naincntlijk, dat in God vereyscht word een zolve werk, om in 't wezen te behonden als om te scheppen, en dat anders zins de zaake niet ecn oogenblik zoude konnen bestaan : als dit zo is, zo en kan haar genes dings [li : zoo en kan aan die zaak ook niets oorzakelijksj toegeoygent worden. Maar men moet zeggen, dat God die geuchapen heeft gelijk ze is: want aangezien zo geon kragt heeft om zig te behouden, terwijl ze is, veel min dan zal zy door zig zelfs iets konnen voortbrengon. AIs mon dan zoudo zoggen, ilat do ziol do willing van zig /elfs voortbrengt, zo vraago ik, uyt wat kracht V niot uyt die welko geweest is, want dic is niet moor; ook niet uyt dio wclke zy nu heoft, want zy heeft er hool goen door welko zy do minste ogonblik zoudo konnon bestaan of duuron, dowijl zo goduurig geschapcn word. Zoo dan, dewijl 'er gcon zaako is, die conige hracht hceft om zig tc bohouden, of om iots voort te brongon, zo rost niot anders als to bcsluy- ton, dat God dan alleon is en moct /ijn do uytwtMkonde oorzaak aller dingon, on dat allo WilJingen van hcm bopaald wordon.
68 KOKTi^ VKKllANDELIiNG.
Dit zal inogelijk ceuige niet voldoen, die gewent zijn haar verstand meer bezig te houden op de entia liaiionis als op de Byzondere dingen die waarlijk in de Natuur zijn; en zo doende aanmerken zy het ens liationis niet als zodanig maar als een ens reale. [A add. Want, omdat de mensch nu deze dan die wil heeft, zo maakt hy in zijn ziele een algemeene wijze, die hy Wille noemt, gelijk hy ook zo uyt deze man en die man een Idea maakt van mensch;] en omdat hy de dadelijke wezens niet genoeg van de wezens van Reden en onderscheid, zo gebeurt het dat hy de wezens van Reden aan- merkt als dingen die waarlijk in de Natuur zijn, en zo zig zelfs als een oorzaak stelt van eenige dingen. Gelijk in de verhaudehng van de zaak waaraf wy spreeken niet weinig en
gebeurt. [Hic B: Want omdat de mensch denkbeeld
maakt van mensch.] Want als men iemand vraagt, waarom de mensch dit of dat wil; men antwoord, omdat zy een wil hebben. Doch, aangezien de Wil, gelijk wy gezeid hebben, maar een Idea is van dit of dat te willen, en daarom maar een wijze van denken, een ens Rationis en geen ens reale, zo en kan dan van haar niets veroorzaakt worden ; nam ex nihilo nihil fit. En zo meen ik ook als wy getoond hebben, dat de wille geen zaak is in de Natuur, maar alleen een verzieringe^ men niet en behoeft te vraagen of de wil vry of niet vry is.
Ik en spreeke dit niet van de algemeene wille, die wy getoond hebben een wijze van denken te zijn, maar van bezonder dit of dat te willen, welk willen eenige in het bevestigen of ontkennen gesteld hebben. Aan een yder dan, die maar let op 't geene van ons al gezeid is, zal dit klaar blijkelijk zijn. Want wy hebben gezeid *, dat het Verstaan een pure lijdinge is; dat is een gewaarwordinge in de ziel van de wezentheid en wezentlijkheid der zaaken; alzo dat wy het nooyt en zijn, die van de zaak iet bevestigen of ontkennen, maar de zaak zelfs is het, die iets van zigh in ons bevestigt of ontkent.
Dit en zuUen eenige mogelijk niet toestaan, om dat haar toescheynt, wel iets anders van de zaak te konnen bevestigen of ontkennen, als haar van de zaake bewust is. Doch dit komt maar, omdat zy geen begrip hebben van het concept 't welk
* In cod. B hujus paragraphi exordium ita legitur: Om nu te bevatten of wy in dit of dat hizonderlijk te ivillen, dat is te hevestigen of te ont- hennen, waarlijk vry of niet vry zijn, zoo hehhen wy ons te herinneren,/t geen tvy alreede hehhen gezegd, enz.
DEEL II. CAP. XVI.
69
ile ziele heoft van de zaak, zonder of buyten do woorden *. Wel is waar (als 'r reeden zijn, die ons daartoe bewegen), dat wy aan andere door woordon of andere werktuigen van de zaak anders te kennon geven, als er ons van bewust is ; maar echter en zullen \vy nooyt, noch door woorden, noch door eenige andere werktuygen, zo veel te weeg brengen, dat wy van de zaaken andors zouden gevoelen als wy er af gevoelen ; dats onmogelijk, en klaar aan alle die welke ten eenen maale buyten gebruyk van woorden of andore beduydtekenen, alleen op haar verstand acht neemen.
Doch hier tegen zouden misschien eenige konnen zeggen : Indien niet wy maar alloen de zaake het is, die van zig in ons bevestigt en ontkent, zo en kan 'er dan noch bevestigt noch ontkend worden als 't geene met de zaak overeenkomt ; en dienvolgonde isser geen valschheid. Want de valsheid heb- ben wy gezeid te zijn iets van een zaake te bevestigen fof te ontkennen), dat met de zaak niet overeenkomt: dat is dat de zaake niet van zig zelfs dat bevestigt of ontkend. Doch ik meene, als wy maar wel acht hebben op 't geene wy nu al van de Waarheid en Valsheid gezeit hebben, wy dan met een deze tegenwerpinge genoegzaam beantwoord zullen zien. Want wy liebben gezeid, dat het voorwerp de oorzaak is van 't geene waar af iets bevestigt of ontkent word, hetzij dan waar of vals : te weten, omdat, wy iets van 't voorwerp komende gewaar te worden, wy ons inbeohlen dat het voorwerp (schoon wy zeer weinig van het zelve gewaar worden) zulks nochtans van zig zelfs in 't geheel bevestigt of ontkent; hebbendo dit nieest plaats in zwakke ziele, die door een Hchte werkinge van liet voorwerp in haar een wijze of Tdea ontfangon zeer hclitolijk, en buyten dit en is in haar geen bevestigen of ont- kennen meer.
Eyndelijk zoude men ons ook nog konnen tegenwerpen, datter veol dingon zijn, dio wy willen on niet willen, als daar is iots van eon zaak te bevestigen of niet te bovestigen, de waarlioid to sprookon on niot \o sprookon, en zo voort. Doch (ht komt voort, omdat do IJogoorte niot gonoog van do Willo on word ondorsclioidon. Waiit do Wil by dio, dio do Willo stellen, is aUoon dat woik van hot vorstand, daardoor wy van oen zaak iets bevostigon of t^ntkonncn zomiUm- opziclit van 'j^in^i
■* V. : (l(i( zij t/rcn (ni(lrrsr/it id ni(tk( n tiissr/nn fn f hegrip hcttcelk de ziel luift nin rrn Z(i(tk\ rn dr inunuim irnnrnirdr hri zrlre iconit iiiitijedrukt.
70 KORTE VEKIIANDELING.
of kwaad. Doch de Begeerte is een gestalte in de ziele, om iets te verkrijgen of te doen ten opzigt van goet of kwaad, dat daarin beschout word ; alzo dat de Begeerte, ook na de bevesting of ontkenning die wy van de zaake gedaan hebbe, nog blijft, te weeten na dat wy ondervonden of bevestigt hebben, een dink goet te wezen ; 't welk volgens haar zeggen de Wil is, en de Begeerte die neyginge die men eerst daarna om dat te bevorderen bekomt, alzo dat ook, na haar eigen zeggen *, de Wille wel zonder de Begeerte, maar de Begeerte niet zonder de Wille, lA add. die voorgegaan moet zijn,] wezen kan.
Alle de werkinge dan, waaraf wy hier boven gezeit hebben (aangezien zy gedaan worden door Reden onder schijn van goet, of belet worden door Reeden onder schijn van kwaad) konnen tilleenlijk onder die neiginge die meii Begeerte noemt,. en geen zins als heel oneygentHjk onder de benaming van Wille begreepen worden.
CAP. XVII.
van't onderscheid tussghen de wil en begeerte.
Dewijl het dan nu kennelijk is, dat wy tot bevestigen of ontkennen geene [B inter uncinos add. vrye] wille en hebben ; laat ons dan nu eens zien het rechte en ware onderscheid tusschen de wille en hegeerte, of wat eigentlijk die Wille mag zijn, die by de Latinen genoemt wordt voliintas.
Na AristoteHs beschrijving, scheynt Begeerte een geslacht te zijn, onder zig twee gedaanten bevattende. Want hy zeit de Wille te zijn die lust of trek, die men heeft onder schijn van goet. Waar uyt het my toe schijnt, dat hy de Begeerte (of cupiditas) alle de neiginge, hetzij tot goet, hetzij tot kwaad, meent te zijn ; dog als de neiginge alleen tot \^B add. of onder
* In cod. B ita se habet paragraphus : Doch dit komt voort, . . . onder- scheiden. Want, hoewel ze betde de hevestiging of ontkenning van een zaaj zijn, zoo verschillen ze nochtans hier in, dat de laatste zonder eenig ojjzigt, en d( eerste met betrekking tot het goed of kicaad geschied, dat in die zaak heschomvd wordt: invoegen de Begeerten zelf na de bevestiging of ontken- ning die wy van een zaak geiaan hebhen blijlt. naniendlijk om dat te ver- krijgen, of te doen, hetivelk ivy ondervonden of bevestigd hehben goed ie zijn,. zodat de Wil, enz.
DKKL 11. CAP. XVII. 71
'n scliijii vaii] het goede is, of dat de mensch die zulke neiginge heeft, de zelve onder schijn van goet heeft, zo noeint hy die voluntas of goede wille ; niaar zoo zy kwaad is, dat is, als wy in een ander een neiginge zien tot iets dat kwaad is *, dat noenit liy vohtptas of kwade wille. Zo dat de neiginge van de ziel niet iets is, oin* to bevestigen of fontkennen, maar alleen een neiginge om iets te hekomen-onder sclieyn van goet, en [7i; ofj te vlieden onder scheyn van kwaad.
Zoo is dan nu overig te onderzoeken, of deze iiegeerte vry of niet vry is. Behalven dan dat wy alreeds gezeid hehben, dat de Beyeerte van het heyrip der zaaken afhanfjt, en dat het verstaan een uyterlijke oorzaak moet hehhen, en behalven ook 't geene wy van de wille gezeid hebben. [A add. zo is dan nog overig te betoonen dat de liegeerte niet vry isj. Veele menschen schoon zy wel zien. dat de kennisse die de mensch van verscheide zaaken heeft, een middel is waar door zijn lust of trek van het eene tot liet ander overgaat, zoo en aanmer- ken zy nochtans niet, wat het mag zijn, dat de lust zoo van het eene tot het ander komt te trekken.
Maar wy dan, om te betonen dat deze neiginge by ons niet vrywillig is, zo zullen wy (om ons eens leevendig voor oogen te stellen, wat het zij, van liet eene tot het ander over te gaan, en getrokke te worden) ons verbeelden een kind dat voor de eerste maal tot het gewaar worden van zeeker ding komt. Ex. g. ik houde het een Belletje voor, hetwelke in zijn ooren een aangenaam geluyd maakende, daardoor lust tot het- zelve krijgt; ziet nu eens of het wel zoude konnen laaten, deze lust off begeerte te krijgen? Zo gy jaa zegt ; hoe, vraag ik, door wat oorzaak V Immers niet door iets dat hot beter kend, want dit is het al dat het kend ,- niet ook onulat het kwaad by hem is, want hy kend niets anders, en die aange- naamheid is het alderbeste, dat hem ooyt is voorgekomen. Doch het zal misschien een vryheid hebben, om die lust dio het heeft van hem te doen ; waar uyt dan volgen zoude dat deze lust in ons, zonder onze vryheid, wel zoude konnen be- ginnen, maar dat wy eevenwel in ons een vryheid zoiiden he})b(ui om die van ons te doen. Doch deze vryheid kan geen proef houden ; want wat /oude het doch zijn, dat de lust zoude komen te vernietigeny I )(» Inst zelve? Neen zeeker, waiit iiiets
• B: zoo ze (hiar 'n ti;t/,ti Lir,t,,<l nf (,,i l,,i kiKtil,'
72 KORTE VEKHANDELING.
en isser dat door zijn eigen natuur zijn zelfs verderf zoekt. Wat mag het dan eyndelijk zijn, dat hem van de lust zoude konnen afbrengen? niet anders voor waar alsdat hy door de schik en loop van de Natuur aangedaan word van iets dat hem aangenaamer is, als het eerste. En daarom, gelyk wy in de verhandehng van de Wille gezeid liebben, dat de Wille in de menschen niet anders is, als deze en die Wil, alzoo is ook in hem niet anders, als deze en die Begeerte, die van dit en dat begrip veroorzaakt word ; zijnde deze Begeerte niet iets dat dadelijk in de Natuur is, maar zy is alleen, van dit of dat bezonder te begeren, afgenomen. De Begeerte dan niet waarlijk iets zijnde kan ook niet dadelijk veroorzaaken *. Zo dat als wy zeggen dat de Begeerte vry is, zo is 't eeven zo veel als of wy zeyden, dat deze of geene Begeerte een oorzaak is van zig zelfs, dat is, dat eer dat zy was, heeft zy gemaakt, dat ze zoude zijn ; 't welk de ongerymtheid zelve is en niet zijn kan.
CAP. XVIII.
VAN DE NUTTIGHEEDEN VAN 't VOORGAANDE.
Zoo zien wy dan nu, dat de mensch, als zijnde een deel van geheel de Natuur, van welke hy afhangt, van welke hy ook geregeert word, uyt zijn zelve niet iets kan doen tot zijn heil en welstand ; zo laat ons dan eens zien, wat Nuttigheeden uyt deze onze stelUnge voor ons ten besten zijn. En dat te meer daarom, omdat wy niet en twijffelen, of zy zullen eenige niet weinig aanstotelijk schijnen.
Vooreerst volgt daaruyt, dat wy waarlijk dienaars, ja slaven Gods zijn, en dat het onze grootste volmaaktheid is, zulks noodzakelijk te zijn. Want dog, op ons zelven aangemerkt zijnde en zoo niet van God afhangig, zeer weinig is 't, of niet, dat wy zouden konnen verrigten, en met recht daar uyt
* Cod. B. hseo in capitis fine habet: En de Begeerte algemeen aange- merkt, niet anders als van dit of dat in't hizonder te begeeren afgenomen, en hiiyten dit niet dadelijk in de Natmir zijnde, kan als zoodanig ooh niets veroorzaahen.
1)i:kl II. (;ai'. xviii.
73
oorzaak neemen, oni ons zelfs te bedroeven; voor al in tegen- stellinge van 't geone wy nu zien : dat wy namelijk van dat geene, 't welk li(;t aldervolmaaktste is, zoodanig nfliangen, dat wy mede als een deei van 't geheel, dat is van Hem, zijn; en, om zo to zeggen, meede het onze toebrengen, tot uytwer- kingen van zoo veel geschikt<'lijk geordineerde en volmaakte werken, als daarvan afhangig zijn. *
Ten anderen zoo maakt ook deze kennisse, dat wy na het verrigten van een voortreftelijke zaake ons daar over niet en verhovaardigen (welke verhovaardiginge een oorzaak is, dat wy, meenende nii al wat groots te zijn, en als of wy niets verder behoefden, staan blijven ; strijdende regelregt aan tegen onze volmaaktheid, die daarin bestaat, dat wy altijd verder en verder moeten trachten te geraaken) ; maar dat wy daar- entegen alles wat wy doen Gode toeeigenen, die daar is de eerste en alleene oorzaak van alles wat wy verrigten en komen uyt te werken.
Ten derden, behalven de ware liefde des naasten die deze kennisse in ons te weeg brengt, maakt zy ons zo gesteld, dat wy hun nooyt nog haaten, noch daarop vertorent zijn, maar geneegen worden liaar te helpen, en tot beter standt te bren- gen. Al hetwelke werkingen zijn van zoodanigo menschen, die een groote volmaaktheid of wezentheid hebben.
Ten vierden diend ook deze kennisse tot bevordering van 't Gemeen Best, want door haar zal een rechter nooyt meer partye van de eene als van de ander konnen werden, en ge- noodzaakt zijnde om te straffen den eenen, om te belonen den anderen, zal hy dat doen met inzigt, om zo wel den eenen te helpeii en te verbeteren als den anderen.
Ten vijfden zo bevrijd ons dozo kennisse van de Droefheid. van de Wanhoop, van de Nijdighoid, van de Schrik, en andere kwado jjdssien, dowelko, gelijk wy hier na zeggon zullen, do wezentlijko Iiello zelve zijn.
Ten zesden eyndelijk zo brengt ons deze kennisse daartoe. dat wy voor God niet en zullen vrezen, gelijk andere voor de Duyvel die zy verzierd hebben, ten eynde hy haar geen kwaad
• 15: \'<)or eofit tltKir iti/t, ddl irij run lnt i/tinr 7 //•»7A- het uldfrrul- nKittklstr is ztiodttnit/ ti/linn;/en, dttt iri/ inrttlr ti/s ceti (hel rtin 't pelitfl, dat is ran lirin, zijnde, oiih liel tmze toehrent/en tot iii/tirerhini/e ran zo reel yeschik-telijk i/eordoneerde en rolindtihte werken, als daar mn ajhankelijk zijn, zoo roltjd dat ui/ dientiiirs Cods bennen, en dat het onse (jrootnte vol- matiktheijd is van zulks noodzakelijk te zij».
74 KOKTE VEHIIANDELING.
zoude doen. Want lioe dog zouden wy God konnen vrezen, die het opperste goet zelve is, van dewelke alle dingen, die eenige wezentlieid liebben, zijn het geene zy zijn? en ook wy die in hem leven.
Ook brengt ons deze kennisse daartoe, dat wy alles aan God toe eigenen, hem alleen beminnen, omdat hy de heerHjkste en aldervohnaaktste is, en ons zelven alzoo hem geheel op- oiferen: want hierin bestaat eigentlijk en de waare godsdienst en ons eeuwig heil en gelukzahgheid. Want de eenigste vol- maaktheid en het Laatste einde van een slaaf en van een werktuig is dit, dat ze haar opgeleiden dienst behoorlijk vol- voeren. E. g. als een Timmerman in het maaken van eenig stuk werks zigh van zijnen Bijl op het beste gediend vind, zoo is dien Bijl daar door gekoomen tot zijn eind en vohnaakt- heid ; dogh indien hy zoude willen denken, dezen Bijl heeft my nu zoo wel gediend, daarom wil ik hem rusten laaten, en geen dienst meer van hem neemen, even alsdan zoude dien Bijl afgeraaken van haar eynde, en geen Bijl meer zijn. Alzoo ook de mensch, zoo lange hy een deel van de Natuur is, zoo moet hy de wetten van de Natuur volgen, hetwelk de gods- dienst is; en zo lange hy zulks doet, is hy in zijn welstand. Doch indien God (om zo te spreeken) zoude willen, dat den mensch hem niet meer en zoude dienen, 't waar even zo veel, als hem van zijn welstand beroven en te vernietigen; dewijle alles 't geene hy is, daarin bestaat, dat hy God diene.
CAP. XIX.
VAN ONZE GELUKZALIGHEID.
De nuttigheeden van dit Ware Gelove gezien hebbende, zoo zuUen wy nu vervolgens onze gedane beloften trachten te vol- doen: namentlijk te onderzoeken, of wy door de kennisse, die wy nu al reeds hebben (als, van wat goet is, wat kwaad is, wat waarheid is en wat valsheid is, en wat in 't gemeen de nuttigheeden van alle deze zijn), of wy, zeg ik, daar door tot onze welstand, namentlijk de Liefde Gods (die wy hebben aangemerkt onze hoogste Gelukzahgheid te zijn) konnen ge- raaken ? en ook, op wat wijze wy van dic passlen, die wy kwaad hebben geoordeeld, vry konnen worden?
DEEL II. CAI'. XIX. 75
Oiii (liui vaii liet laatste, iKinieiitlijk van het vry wordeii cler jxtsHien ', eerst te spreekcn, zo zeg ik, indien wy onder- stellen, dat ze geen andere oorzaaken en hebben, als wy daar van liebben gesteld, dat, als wy ons verstand niaar wel ge- bruyken, gelijk wy (hebbende nu een niaate van waarheid en valsheid) zeer Hgtelijk konnen doen ^, wy nooyt in dezelve ziillen komen te vervallen.
iJoch dat ze geen andere oorzaakcn hebben is 't geene ons nu te betoonen staat; tot hetwelke niy dunkt vereischt te wor- den, dat wy ons geheel, zo ten aanzien van 't hchaam als ten aanzien van den geest, onderzoeken.
En voor 1. te wijzen, dat in de Natuur een Hcluiam is, door welkers gestalte en uytwerkinge wy aangedaan, en alzoo 't zelve gewaar worden. En dit doen wy daarom, omdat, als wy de uytwerkingen van het lichaam, en wat die komen te ver- oorzaaken, komen te zien, wy dan ook de eerste en voornaamste oorzaak van alle deze tochten zullen vinden : en met een ook dat geene, door 't welke alle deze tochten zullen konnen ver- nietigt worden. Waar uyt wy dan mede konnen zien, of zulks door de Reeden mogelijk is te konnen doen. En dan zuUen wy mede vervolgen te spreeken van onze Liefde tot God.
Om dan nu te toonen datter een lichaam is in de Natuur, dat kan ons niet zwaar om te doen zijn, nu wy al weeten dat God, en wat God is : dewelke wy hebben beschreven te zijn een wezen van oneindelijke eigenschap])en, waar van ieder des zelfs oneindelijk en volmaakt is. En aangezien de uitge- breidheid een eigenschap is die wy oneyndelijk in haar geslagt betoond hebben te zijn, zoo moet dan noodzaakelijk dit meede
' .\lle passien die tej^en de goedc Roden strijdig zijn (;ils vooren is aangewezen) ontstaan uyt do Waan. Alles wat in dezelvo goet of kwaad is, dat is ons a;in<,'ewo/,on door hot Ware (iolool'; niaar dozo beydo, nog geen van beydc is inagtig, ons daar af te bcvryilon. Allccn dan de derde manier is 't, nainelijk de Waare kennis die ons hier van vry maakt. En zonder dcwelko hct oninogelijk is, dat wy ooyt hieraf vry gemaakt konneu wordon : gelijk nu govolglijk i)ag. 8.') zal aangewozen wordon. Zoudedithet niet wol zijn daar andoro ondor andore bonaainingc, zo veol van zcggon on schryven V " Waiit wie en ziot niot, lioe gevoeglijk wy onder de waan de zondc; ondor het gclovo d(> wct, dic ilo zondf aanwijst; en ondor de waare kennisse do gcnaadc, dic ons van ile zoinlc vry maakt, konnen vcrstaan ?
'■" Verstaat, als wy giondigc konnisso hobbcn van goot cii kwaad. waar- hcid on valshoiil: waiit dan is 't oninogclijk dat ondcrworpon tozijn,uyt hctwclk dc passicn ontstaan: want hct bcste kenncndc on gcnietonde, heett hot slogtstc op ons gccn magt.
76 KORTE VERHANDELrNO.
een eigenschap zijn van dat oneyndig wezen. En dewijl wy nu mede al bewezen hebben, dat dit oneyndig wezen is wezentlijk, zo volgt dan met eenen, dat deze eigenschap ook wezentlijk is.
Daar en boven, aangezien wy ook getoond hebben, datter buyten de Natuur, die oneyndig is, geen wezen meer is oif zijn kan, zoo is dan klaar blijkelijk dat deze uytwerking van het Uchaam, door het welke wy gewaar worden, van niets anders kan komen, als van de uytgebreidheid zelve en geen- zins van iets anders dat eminenter (als eenige willen) die uytgebreidheid heeft : want dit (gelijk wy nu al vooren in het eerste Cap. bewezen hebben) en is niet.
Zoo staat dan nu aan te merken, dat al de uytwerkingen, die wy zien van de uytgebreydheid noodzaakelyk af te hangen, aan deze eigenschap moeten toegeygent worden ; gelijk de Beweginge en Ruste. Want by aldien deze kragt van uytwer- kinge niet in de Natuur en was, het zoude onmogelijk zijn (schoon ook in dezelve veel andere eigenschappen mogten zijn), dat de zelve zouden konnen wezen. Want als iet weder iets zal voortbrengen, zoo moet dan in die fiet wat wezen door hetwelke Hy meer als een ander dat iets kan voortbrengen.
Hetzelve dan dat wy hier nu zeggen van de uytgebreidheid, dat willen wy ook gezeid hebben van de denking, en van alles watter is.
Staat verder aan te merken, datter in ons niets niet en is, of de mogelijkheid is by ons om hetzelve bewust te zijn : alzoo <iat, als wy ondervinden niets anders te zijn in ons, als de uytwerkingen van de denkende zaak en die van de uytge- breidheid, wy dan ook met verzekeringe mogen zeggen, niet meer in ons te zijn.
Om dan eens klaar de werkingen van deze beyde te ver- staan, zoo zullen wy een yder deszelfs, eerst op zig zelfs alleen, en daar naa beyde te zaamen, voorneemen; als mede de uyt- werkinge, zoo van de eene als van de ander.
Zoo wanneer wy dan aanschouwen de uytgebreydheid alleen, zoo is 't dat wy in dezelve niet anders gewaar worden, als Beweeging en Ruste, uyt de welke wy dan alle de uytwerkingen, die daar af herkomen, vinden. En zoodanig zijn deze twe ^ wijzen in het lichaam, dat geen ander zaak en kan zijn die haar veranderen kan, als alleen zy zelve. Gelijk e. g. zoo wan-
Twee wijzen: omdat de Ruste geen JSliet is.
DfcEL II. ('AI'. XIX. / /
neer een steen stille leyd, zoo is 't onmofi;elijk dat die door de kracht van denken of iets andcrs zal konnen bewoogen worden, maar wel door de beweginge, als wanneer een ander steen, grooter beweeginge hebbende als zijne ruste, hem doet beweegen. Gelijk ook alzo de bewegende steen niet en zal komen te rusten, als door lets anders dat minder beweegt. Alzoo dat dan volgt, dat geen wijze van denken in het Hchaam, of beweginge of ruste zal konnen brengen. Doch eeven wel, volgens 't geene wy in ons gewaar worden, zoo kan het wel geschieden, dat een hchaam het welk, nu zijn beweginge heb- bende na de eene zijde, nogtans na de andere zijde komt te wijken; gelijk als ik mijn arm uytstrekke, daar door te wege breng, dat de geesten, die al reeds liaare beweeginge niet en liadden zoodanig *, nu nochtans dezelve derwaarts hebben, niet altijd nochtans, maar na de gestalte der geesten, zo hier na gezeid word.
De oorzaak hiervan is, en kan geen andere zijn, als om dat de ziel, zijnde een Idea van dit Hchaam, met het zelve zoodaa- nig vereenigt is, dat en zy en dit Kchaam zoo gestelt te zaamen een geheel maaken.
De voornaamste uytwerkinge van de andere [B add. of denkende] eigenschap, is een Begrip van zaaken, zoodanig dat, nadat zy die komt te bevatten, daar uyt hervoortkomt of Liefde of Haat, etc. Deze uitwerkinge dan, aangezien zy geene uyt- gebreidheid met zig brengt, zo en kan ze ook aan dezelve niet toegepast worden, zonder alleen aan de denkinge ; zo dat alle de veranderinge, die in deze wijze komen te ontstaan, de oorzaak van dezelve en moet geen zins in de uytgebreidheid, maar alleen in de denkende zaake gezogt worden. Gelijk wy dit in de Jiiefde zo konnen zien, de welke of zullende vernie- tigt, of zullende opgewekt worden, zo moet zulks veroorzaakt worden door het begrip zelve, het welk, gelijk wy nu al hebben gezeid, geschied, of om dat het begrijpt in het voorwerp iets kwaads te zijn, of omdat liet iets beters komt te kennen **. Zo wanneer nu dan deze eigenscha})pen do oene in de andere komt te werken, zoo ontstaat daar uyt Hjdinge, de eene van de ander; namelijk door (K» bi'pahnge van beweeginge, die wy alzoo werwaart wy wiUen vermogen
* H: (lie (i/ reeds hanr beicecffiMf/c hadden, srhoon niet zoodanig ** li: of oni ddt hvt in '/ hcniinde voorwerp iets (/oeds, of oni dal hrt in 't (/chaate ronrircrp itt fi'U(i<ids l-cnd.
/O KOUTE VERirANDELING.
hebben te doeii gaan. De werkingen dan, waardoor de eene van de ander komt te lijden, die is aldus: te weete de ziele in het hchaam, gehjk nu al gezeid is, kan * wel maaken dat de geesten, die ander zins na de eene, nu nochtans na de ander zijde haar bewegen ; en omdat ook deze geesten door oorzaak van het hchaam beweegt, en alzoo bepaald konnen worden, zoo kan het dikwijls gebeuren, dat zy, door oorzaak van het lichaam haare beweeginge na de eene plaats hebbende, en weederom door de oorzaak van de ziele na een ander plaats, alzo in ons te weeg brengen en veroorzaken die zoodanige benaauwtheden, als wy te mets in ons gewaar worden, wan- neer wy de reeden daar af, als wy die hebben, niet en weten. Want anderzins gewoonhjk zijn ons de redenen wel bekend.
Voorder zoo kan ook de ziele wel belet worden in de macht die zy heeft, om de geesten te beweegen, of om dat de bewe- ginge van de geesten veel zijn verminderd, of omdat ze veel zijn vermeerderd. Verminderd, zoo wanneer wy, veel hebbende geloopen, veroorzaken dat de geesten door 't zelve loopen aan het hchaam zoo veel meer als gewoone beweginge gevende^, en de zelve missende **, noodzaakelyk zo veel verzwakt zijn ; zoo kan dit ook geschieden door het nuttigen van al te weinig voedzeL Vermeerderd, zoo wanneer wy te veel wijn ofandere sterken drank drinkende, daar door of vroolijk of dronken wordende, maaken dat de ziel geen magt heeft het hchaam te bestieren.
Zoo veel dan nu gezeid van de werkinge die de ziele heeft in het hchaam; laat ons nu eens zien van de werkinge die het hchaam heeft in de ziele. De voornaamste van deze stehen wy te zijn dat het zich [AB : ze haar] zelfs aan de ziel doet gewaar worden, en daar door ook [AB add. aan] andere hchaamen. Hetwelk door niets anders word veroorzaakt als door Beweginge en Ruste te zaame : want in het hchaam en zijn geen andere dingen, als deze, door dewelke het zoude konnen werken ; zo dat ahes dan, wat buyten deze gewaar- wordinge meer aan de ziele geschied, en kan niet door het hchaam veroorzaakt worden. En omdat het eerste hetwelke de ziele komt te kennen het hchaam is, daar uyt komt her-
* AB : de ziele en het lichaam . . . Jconnen.
** Pro en dezelve niissende, etc. B haec habet : tcaarln zy een starke in- en doorvloed hadden, die him doed versivahken.
DEEL II. (AP. XI X^
70
voort (lat do ziele het zoo bemiiul, en daar nieede vereenigt word. Doch aangezien wy nu al te vooren gezeid hebben, dat de ooi"zaak van de Liefde, Haat, en I)roet'h^'id niet en moet gezogt worden in het Hchaam maar alleen in de ziele (want alle werkingen van het licliaam moeten hervoortkomen uyt bewceginge en ruste), en dewyle wy klaar en onderscheiden zien, dat de eene liefde te niet gaat door 't begrip dat wy bekoomen van iets anders dat beter is; zo volgt daaruyt klaarlijk, hidien ivy eens God komm te kmnen, ten minsten met een zoo klaar een kennisse als daar wij ons lichaam fnede kennen, dat iry als dan ook nauwer met hem als met ons lichaam moeten vereenigt ivorden, en als van het lichaam oyit- slafjen zijn. Ik zeg naauwer, want wy liebben nu al te vooren bewezen, dat wij zonder hem noch bestaan, noch verstaan konnen worden ; en dit is daarom, onidat wy hem niet door iets anders, gelijk het zoo met alle andere diiigen is, maar alleen door hem zelfs kennen eii moeten kennen, gelijk wy dat mede nu alvoorens gezeyd hebben. Jaa ook beter als ons zelfs kennen wy hem, dewyl wy zonder hem, ons zelfs geen- zins en konnen kennen.
Uyt hetgeene wy dan tot hier toe gezeid hebben islichtelijk af te neemen, welke daar zijn de voornaame oorzaaken der passien. Want, wat aangaat het Lichaam met zijn uytwerkin- gen, de Beweginge en Rustc [/i ar^(/. of derzelver uytwerkinge]. dezelve en konnen de ziel niet anders doen, als hun zelfs, als voorwerpen zijnde, daaraan bekend maakeu; en na de vertoo- ningen zijn die zy aan dezelve voorhouden, het zij of goet of kwaad \ daarna word ook de ziele van haar aangedaan, en
' Maar waar uyt konit oiis dat, dat wy het eene goot, het aiulcr kwaail te zijii keniieV Antw.: Aanj,'Czion het do voorwerpon zijn, die ons haar zelven tloen gewaar worden, zo worden wy van de cene anders aanj^edaan \in A deleta: als van d'andero na do proportio.l Die dan van dcwelke wy aUlennaatigst (na de proportie der bcwcoginKo cn ruste waar af zy be- staan) bcwogen wordcn, /.ijn ons ahlcraanf,'cnaanist, | .1 <tdd. on hoe zy daar vcrdcr en vcrdcr atwijkcn ahlcronaan^uMiaanist.) En liici uyt is aldericy shi;^ van gevocl, ilat wy in ons gcwaar wordcn, on dat vccl tijds door dc Hchaaniclijke voorworpon werkcnde is in ons hchaani, die wy impulsus noenicn; als dat mcn in droefhcid icmand kan docn laohcn, doen vcrhcugon door kittclen. wijn (h-inkon, on/. 't wolk dc ziol wol gc- waar word, (h)ch nict cn wcrkt. \Vant dio wcrk(Mid(>, zijn dc vorlicugingon waarHjk on van ccn andcr slag; waiit dan wcrkt goon Hchaani, nmar de vcrstanilcHjkc zicl Kcbiuykt bct Hchaani als ccn W(M-ktuyg, cn govolgHjk, hoo dc zioi hicr niccr in wcrkt, l.oc hct gevoel vohnaaktor is.
80 KOKTE VKIUIANDELING.
(lat niet voor zoo veel het een lichaam is (want dan waar het hchaam de voornaamste oorzaak van de pas.slen), ne maar voor zoo veel het een voorwerp is gelijk alle andere dingen, dewelke ook de zelve uytwerkingen zouden doen zoo ze zich zoodanig aan de ziel kwaamen te vertoonen. (Doch hier meede en wil ik niet zeggen, dat de Liefde, Haat, en Droefheid, die uyt beschouwinge van onhghaamehjke dingen voortkomen, dezelve uytwerkingen zouden doen, als die welke uyt be- schouwinge van Hchaamelijke dingen ontstaan ; want deze, zoo wy hier na noch zullen zeggen, zullen noch andere uytwer- kingen hebben, gelijk de natuur van die zaak, uyt des welks bevattinge de Liefde, Haat, en Droefheid, enz. in de ziele, de onUghaamelijke dingen beschouwende, verwekt worden.) Zoo dat dan, om weder tot ons voorige te keren, by aldien iets anders zig heerlijker aan de ziel kwam te vertoonen, als wel het hchaam, het zeeker is, het lichaam alsdan geen vermogen zoude konnen hebben, zoodaanige uytwerkingen te veroorzaaken als het nu wel doet. Waar uyt dan volgt, niet alleen, dat het Hchaam de voornaamste oorzaak niet en is van de passien *, maar ook, alschoon in ons iets anders waar, behalven hetgeene wy nu aangemerkt hebben dat de passien, zoo wy meenen, zouden konnen veroorzaaken, zoo en zoude zulks, als 't al zoo waar, eevenwel niet meer, noch anders in de ziel konnen werken, als nu het Hchaam wel doet. Want immers en zoude het niet anders konnen zijn als zulk een voorwerp, dat ten eenemaal verscheide zoude zijn van de ziel, en dienvolgende zich ook zoodaanig vertoonen, en niet anders, gelijk wy op zoodanig een wijze ook van het Hchaam gesprooken hebben. Alzoo dat wy met waarheid besluyten mogen, dat Liefde, Haat, Droefheid en andere p)(^ssien, in de ziele worden veroor- zaakt anders en anders, na de gedaante van kennisse die zy telkens van de zaake komt te hebben ; en by gevolg, zoo zy ook het alder heerHjkste eens kan komen te kennen, het als dan onmogeHjk zoude zijn, dat eenige van deze passien in haar de minste ontroeringe zouden konnen veroorzaaken.
* A: niet clat het Ughaam alleen de voornaamste oorzaak is van de 2>cs- sien. — B: dat het Uchaani aUeen de voornaamste oorzaak der Ivjdingen ntet en is.
i)i;i;r, ff. ( ai'. xx. 81
CAP. XX.
HKVKSTI(iIN(; VAN 't VOOROAANDE.
Aangiiando dan 't geene wy in het voorige Cap. gezeit hebben, zouden deze volgende zwarigheden konnen tegen ge- worpen worden.
EerRtelijk, byaldien de beweginge niet en is de oorzaak van de jmssien, hoe het dan kan zijn, dat men de droefheid nocli- thans door eenige * niiddeleii uyt drijft, gelijk door de wijn zulks meenigniaal word verrigt? Waar op diend, dat ondcr- scheid gemaakt moet worden, tusschen de gewaarwordinge van de ziele, als zy eerst het licliaam gewaar word, en tusscheii het oordeel, hetwelk zy aanstonts daarop komt tc maaken van dat het haar goet of kwaad is ^
De ziel dan, zodanig als innnediate ** gezeid is, gestold zijnde, hebben wy al te vooren aangewezen dat magt heeft, de geesten te bewegen werwaart zy wil ; maar dat eevenwel nochtans deze macht haar kan benomen worden, zo wanneer, door andere oorzaaken van 't algemeen lichaam, deze haar zo gematigdo gestalte benomen of verandcrd word ; en zulks in liaar gewaar wordende ontstaat 'er droefheid, en dat na de verandering is, die de geesten als dan ontfangen. Wolke droef heid veroorzaakt word uyt de hofde en vereeniginge die ze heeft met het lichaam -.
En dat dit zodanig is kan lichtelijk daar uyt af genomon worden, om dat deze droefhoid op een van deze twee wijzen
• Sic Monnikhort' in A pro dcloto (jeene.
' Dat is tusschen verstaan alf^eineen genomen, en tussclien.^verstaan als opzigt hol)ben(lo op het goot of kwaad van de zaak.
•• A: nu inedidle. 15: nit oniniddelijf,-.
'•^ Do (Iroofhoid in dcn nionsch word veroor/aakt nyt eon waanbo-^rip. van dat honj iots kwaads ovorkonit, namoUjk van "t vorlies van eenig goet; als dit dus bevat is, brengt dit begrip te wego, dat de geosten zig omtront hot hart voegen, cn het/.elvo mot behulp van andero deehMi prang(M), cn shiyton \H: on inslnyton|, recht togondoelig als in do blijd- Hchap goschiod. De/o ])ranging word do /iel woder gewaar, on is pijnlijk. Nu wat is 't dat d(> niodiciinon ol" wijn te wcogo brongt V dit namclijk. dat /y door haar working do/(> gooston van "t hart afdrijvon. on wodor ruymte maakon, holwolk do /iolo gowaar wordonde vorkwikking krijgt. bcstaando daar in, dat het waanbogrip van kwaad, door do andor^» pro- portie van bew«ging on stiltc, dio do wijn voroor/aakt, gedivortoort. cn op wat andors valt, daar 't vorstand moor genoegen in vind. Maar dii cn kan g(M'n immcdiatc workinge /ijn van t\v wijn op do /iol, maar allcou v«n dc wijn cp dc gcoston.
III. r,
82 KORTE VEHHANDEI.ING.
kaii worde geholpen; of door herstellinge van de geeste in haar eerste gestalte, dat is hem van die pijnhjkheid te ])evrijden, of door goede redenen overtuygt te worden, om van dit Hchaam geen werk te maaken. Het eerste is en tijdelijk, en staat weder te komen [B : keeren] ; doch het tweede is eeuwig, bestandig, en onveranderlijk.
De twede tegenwerpinge kan deze zijn: aangezien wy zien dat de ziele, alhoewel geen gemeenschap hebbende met het lichaam, nochtans kan te weeg brengen, dat de geesten die haar na de eene zijde zouden bewegen, haar nochtans nu na de ander zijde bewegen ; waarom zy^ dan ook niet zouden konnen maaken, dat een lichaam, het welk geheel stil is en rust, zig zoude beginnen te bewegen? ^ alsmede waarom ze
» Hier is dan geen zwarigheid, hoe deze eene wijs, die oneindig ver- schild van de ander, in de auder werkt : want 't is als een deel van 't geheel, dewijl nooyt de ziel zonder 't lichaam, noch 't lichaani zonder dc ziel geweest is. [A hcec addit: Dit vervolgen wy aldus.
1. Daar is een volmaakt wezen pag . . . *'. 2. Daar konnen goen twee zelfstandigheden zijn pag. ... 3. Geen zelfstandigheid kau begiuneu pag. ... 4. leder is iu zijn geslacht oneyudig pag. ... 5. Daar moet ook een eygenschap ziju van denken pag. ... 6. Daar is geen zaak in de Natuur, of daar is een Idea van in de denkeude zaak, voortkomeude uyt haar wezen en wezeutlijkheid fzaamen pag. ... 7. Nu vervolgens: 8. A.augezieu dat het wezen, zonder de wezentlijkheid, begreepen wordt ouder de beteekeniugeu der zaaken, zo en kau de Idea van 't wezen dan uiet aangemerkt wordeu als iets byzonders; maar dau kau zulks eerst goschieden, zo wauneer de icezentlijkheid fzamen met het ivezen daar is, eu dat omdatter dan eeu voorwerp is, dat te vooren niet en was. Ex. gr. als de heele muur wit is, zo isser geen dit of dat in, etc. 9. Deze Idea dan. alleen, buyten alle andere Ideas aangemerkt, kau niet meer zijn als maar eeu Idea vau zo een zaak, eu uiet dat zy eeu Idea heeft vau zo eeu zaak : daarby, dat zo een Idea, zo aaugemerkt omdat ze maar een deel is, zo kau zy van haar zelfs eu haar voorwerp geen alderklaarst en onderschei- deust begrijp hebbeu, doch dit kan de denkende zaak alleeu, die alleen ge- heel de Natuur is ; want een deel buyten ziju geheel aangemerkt kau niet, enz. 10. Tusschen de Idea en 't voorwerp moet noodzaakelijk een vereeniug ziju, dewijl de een zouder de ander uiet eu kan bestaan: waut daar is geen zaak, welkers Idea uiet eu is in de deukende zaak, en geen Idea kau ziju of de zaak moet ook wezen. Voorder het voorwerp kan niet ver- audert worden of de Idea word ook verandert, et vice versa, zo dat hier geen derde vau noden is, die de vereenigiug van ziel en lichaam zoude veroorzaaken.' Doch staat aan te merkeu, dat wy hier spreeken van zulke Ideas, die noodzakelijk ontstaan uyt de wezentlijkheyd der diugen, met het wezeu zamen in God; maar niet van die Ideas, welke de dingen nu wezentlijk ons vertoonen^ uyt werken in ons, tusschen welke een groot
* Hasce sententias, in libro quem nunc habemus, non sic enuntiari, jam a Sigwarto observatum est. In cod. MS. paginarum numeri heic non dantur.
DEKF, II. CAI'. XX. 83
ilan ook iiiet allo anderc licliamen, die alreeds al beweginge hebben, niet werwaart zy wil zoude konnen bewegen?
Doch, ons eens erinnerende het geene wy van de denkende zake nu al voren gezeid hebben, zo zal dat ons deze zwarig- heid heel hcht weg konnen nemen. Namelijk doen zeiden wy, dat, schoon de Natuur verscheide eigenschappen heeft, het evenwel maar een eenig Wezen is, van devvelke alle deze eigenschappen gezeid worden. Daar benevens hebben wy mede gezeid, dat de denkende zaak ook maar een eenige in de Natuur was, dewelke in oneyndelijke Ideen is uytgedrukt, na de oneyndelijke dingen die in de Natuur zijn ; want indien 't lichaam een zodanige wijze ontfangt, als ex. gr. het hchaam van Petrus, en weder een ander als het hchaam is van Paulus, daar van daan komt het, datter in de denkende zaak zijn twee verscheide Ideen: te weete Een Idea van 't lichaam van Petrus, de welke de ziele maakt van Petrus, en een ander van Paulus, de welke de zielc niaakt van Paulus. Zo dan de denkende zaak kan wel bewegen het lichaam van Petrus, door <le Idea van 't lichaam van Petrus, maar niet door de Idea van het Hchaam van Paulus ; alzoo dat de ziele van Paulus zijn eige lichaam wel kan beweegen, maar geen zins het lichaam van een ander, als van Petrus *. En hicrom dan zo en kan ze ook geen steen, die rust off stil leyt, bewcegen : want de steen [7>: dat] maakt weder om een ander Idea in de ziel. En hierom dan is 't niet min klaar, dat het onmogeHjk is, dat een Hchaam, het welke geheel rust en stil is, zoude konnen bewogen worden door eenige manier van denken, om reden als boven.
onderscheid is : want <le Ideas in God en ontstiian nict f?elijk in ons, nyt ecn of meer van de zinnen, die <laaroni ook niet als onvolniaaktelijk van haar nieest altijd uan-^edaan wor<len; niaar nyt de we/entlykheici en 't wezen, na al wat /e /ijn. Nochtans is inijn I<iea de uwe niet, die een en ^ezelfde /aak in ons uytwerkt.)
* 't Is klaar dat in <le niensch, aan},'ezien hy ])cj,'onncn heeft, geen ander eiK(-nschai) tc vinden is, als dic alvoort>n in de Natuur was. En qademaal hy bestaat van zo<laniK ccn lichaani, van "t widk noo<l/akelijk een Idea nioct /ijn in <le <icnki'ndc /aak, en <lic I<lca noo<l/aakelijk ver- eenigt nioet zijn niet hct lichaani, /o stcllcn wy onbeschroonit, dat ziin ziel niet ainlers is als de/e Idca van dit zijn lichaam in <le <lenkendo zaak. En om<lat dit lichaam oen bcwef,'in>,'e heeft on stilto (dio ffopropor- tioneert is, cn ordinaar },'ealtcrccrt v.or<l, <loor <le uytterlijk»' vo<irwcrpen^, en oin dattt-r •^'cmmi alt<'rati<< in 't voorwfrji kan ^cschii'<l<.n, zondcr ilat ook <latclijk in <lc I<lca h<>tzclve K^f**"!»''?^^ i hicr uyt koint lu-rvoort <lat de nu'uschen Kovoclen \AH pn-pernm ttdd. (iden reflearira).] Poch ik zog om dat zij een propnrtie ran hewetjimj en stitte hetft, om <lattor ^cen workinge knu fjoschie<len in htt li<'h:uun, zoinicr tlat <l»«/.o twfc concurrcren.
84 KORTE VERHANDELING.
De derde tegenwerpinge kan deze zijn: Wy schijnen kLoar- lijk te konnen zien, dat wy nochtans in het Kchaam eenige stilte konnen veroorzaaken. Want nadat wy onze geesten een langen tijd bewoogen hebben, zo ondervinden wy moede te zijn; het welke immers niet anders is als een stilte in de geeste, door ons te wege gebracht. Doch wy antwoorden, dat wel waar is dat de ziel een oorzaake is van deze stilte, doch niet als indirecte; want zy en brengt de stilte in de beweginge niet onmiddelijk, maar alleen door andere Hchaamen, dewelke zy dede bewegen, die dan noodzakelijk zo veel stilte hebben moeten ontbeeren, als zy aan de geesten hadden mede gedeelt. Zo dat dan alomme blijkt, dat in de Natuur een en dezelve slagh van beweging is.
CAP. XXI.
VAN DE REEDE.
Zo zal ons dan tegenwoordig te onderzoeken staan, waar door het komt dat wy somtijds, alschoon wy zien een zaake goet of kwaad te zijn, nochtans geen magt in ons bevinden, om of de goede te doen, of de kwade te laaten, en somtijds nochtans wel. Dit konnen wy lichtelijk bevroeden, wanneer wy acht neemen op de oorzaaken die wy van de opinlen ge- geven hebben, die wy zeiden te zijn de oorzaken van alle toghten. Wy zeiden dan, deze zijn of door hooren zeggen, of door ondervinding. En de wijle dan all hetgeen dat wyinons bevinden meer magt op ons heeft, als het geen dat ons van buyten aankomt, zo volgt wel dat de Reeden oorzaak kan zijn van vernietinge van die opinien ^ die wy alleen van
' En het zal 't zelve zijn, of wy hier het woord opinie, of passie ge- bruyken; en zo is 't klaar waarom wy die, die door ondervinding in ons zijn, niet en konnen door de Reeden overwinnen; want deze en zijn in ons niet anders als een genieting of onmiddelijke vereeniginge van iets 't geen wy voor goet oordeelen, en de Reden, schoon zy ons dat beter is aanwijst, zy doet ons niet genieten. Nu dat geene, dat wy genieten in ons, en kan niet overwonnen worden door dat geene 't welke wy niet en genieten, en buyten ons is, gelijk zulks is 't geen ons de Reeden aanwijst. Maar zal deze overwonnen worden, zo moet er iets zulks zijn dat mag- tiger is ; hoedanig zal wezen een genietinge of onmiddelijke vereeniginge van 't geen beter gekend en genoten word als dit eerste; en dit daar
DEEL II. VAV. XX. 85
hooren zeggeii hebben (en dat omdat on.s de reeden niet van buyten aangekomen i.s), maar geenzins van die die wy door ondervindinge hebben. Want de mogelijkheid die ons de zaake zelve geeft is altijd meerder, als die wy bekomen uyt gevolge van een tweede zaak ; gelijk wy dit onderscheid zo aange- merkt liebben spreekende van de redenering en van het khiar verstand, pag. 41, en dat mot de gelijkenisse van de regel van drien. Want meer mogelijklieid is in ons uyt het verstaan van de proportie [AB : de regulj zelfs, als uyt het verstaan van de regul van proportie. En hier om is "t dat wy nu alzo dikwijls hebben gezeid, dat de eene Hefde door een ander die meerder is te niet gedaan word, omdat wy daar onder geen zins wiklen betrekken de begeerten die [B add. niet gelijk de hefde uit ware kennis, maar] uyt de redenering voort komt.
CAP. XXII.
VAN DE WAARE KENNIS, WEEDERGEBOORTE, ENZ.
Aangezien dan de Reeden geen magt heeft om ons tot onze welstand te ])rengen, zo blijft dan overig dat wy onderzoeken, of wy door de vierde en leste manier van kennisse daar toe konnen geraakenV Wy hebben dan gezeid, dat deze manier van kennisse niet en is uyt gevolg van iets anders, maar door een onmiddelijke vertooninge aan liet verstand van het voorwerp zelve. En zo dat voorwerp dan heerlijk is en goet, zo werd de ziele noodzaakelijk daar mede vereenigt, zo wy ook van ons Hcliaam gezeid hebben. Hier uyt dan volgt on- wederspreekelijk, dat de kenni.s.se die is, welke de Hefde ver- oorzaakt. Zo dat, als wy op deze manier CJod komen te konnen, wy dan noodzakelijk (want hy zicii niet anders als de aUler- heeHijkste en ahlergoetste en kan vertoneu. noch van ons gekent worden) met hem moeten vereeuigeu. lu het welke alleen, gehjk wy nu al gezeit heb])eu, ouze zaliglieid bestaat.
Ik zeg niet, dat wy hem zo liv is uioeteu keuuen, uiaar
zijnde is de ovorwiiminj^e altijd nooilzakciijk ; olV ook wol door geuiotinj^e van een kwaad dat ^MOoter Koktmd word uls 't j<enooto goet, en oiiinid- dolijk dnarop volgt. Doeh dat dit kwaad /o niot altijd noodzaakolijk volgt, loort ons do ervaringe, want, oto. ziet pag. 19, 75.
86 KORTE VERIIANDELINO.
het is ons genoeg dat wy liein, oni met heni vereenigt te zijn^ eenigzins kennen. Want ook de kennisse die wy van 't lichaam hebben, en is niet dat wy het kennen zo als het is, of vol- maaktelijk ; en nochtans wat een vereeniginge ! wat een Hefde !
Dat deze vierde kennisse, die daar is de kennisse Gods, niet en is door gevolg van iets anders, maar onmiddelijk, blijkt uyt dat geene, dat wy te vooren bewezen hebben, hem te zijn de oorzaak van alle kennisse, die alleen door zich zelfs en door geen ander zaak bekend word ; daar benevens ook hier uyt, omdat wy door natuur zodanig met hem vereenigt zijn, dat wy zonder hem noch bestaan noch verstaan konnen worden. En hier om dan, dewijl tusschen God en ons een zo naauwen vereeniginge is, zo blijkt dan, dat wy hem niet als onmiddelijk en konnen verstaan.
De vereeniginge dan, die wy met hem door de natuur en de liefde hebben, die zullen wy dan nu trachten te verklaaren.
Wy hebben alvooren gezeid, datter in de Natuur niet en kan zijn van 't welke niet een Idea zoude zijn in de ziele deszelven zaaks ^. En nadat de zaak of meer of min volmaakt is, daar na is ook min of meer vohnaakt de vereeniginge en de uytwerkinge van de Idea met die zaak of met God zelve, Want aangezien geheel de Natuur maar een eenige zelfstan- digheid is, en welkers wezen oneyndehjk is, zo worden dan alle dingen door de Natuur vereenigt, en tot een vereenigt, namelijk God. En dewijl nu het hchaam het aldereerste is dat onze ziel gewaar word (om dat, gelijk gezeid is, niet in de Natuur kan zijn welkers Idea niet en is in de denkende zaak, welke Idea de ziele is van dat dink), zo moet dat dink dan noodzaakelijk zijn de eerste oorzaak van de Idea.
Doch, omdat deze Idea geen zins kan ruste vinden in de kennisse van het hchaam zonder dat ze overgaat in de ken- nisse van dat geene zonder het welke het hchaam en Idea zelve noch bestaan noch verstaan konnen worden, zoo word zy dan ook met dat (na voorgaande kennisse) door hefde terstond vereenigt. Deze vereeniginge word beter begrepen, en afgenoomen wat die moet zijn, uyt de werkinge met het
' En hierdoor word met een verklaart het geene wy in het eerste deel hebben gezeid, van dat het oneyndelijk verstand van alle eeuwigheid in de Natuur zijn moet, en dat wy de zone Gods noemden. Want aan^ezien dat God van eewigheid geweest is, zo moet ook zijn Idea in de denkende zaak, dat is in zich zelfs zijn; welke Idea voorwerpelijk ovei-eenkomt met hem zelfs ; vide pag. 34.
DEEL II. (JAP. XXII. 87
licliiiain, in do welke wy zien hoe dat, door kennisse en tochten tot lichamolijke dingen, in ons komen te ontstaan alle die uytwerkingen, die wy in ons lichaam, door de beweeginge der geesten, gedurig gewaar worden, en alzo ook onverge- lijkelijk meerder en heerlijker (indien eens onze kennisse en lietde komt te vallen op dat geene, zonder 't welk wy noch bestaan, noch verstaan konnen worden, en dat geen zins Hcliaamelijk is) zullen en inoeten zijn de zodanige uytwerking«', uyt deze vereeniginge oiitstaande ; want deze noodzakelijk moeten mede gestekl zijn na de zaake met dewelke zy ver- eenigt word. En wanneer wy dan deze uytwerkingen gewaar worden, alsdan konnen wy met waarheid zeggen iveder (jehoren te zijti. Want onze eerste geboorte was doen als wy ver- eenigde met het Hchaam, door welke zodanige uytwerkingen en lopinge van geesten zijn ontstaan; maar deze onze andere of tweede geboorte zal dan zijii, zo wanneer wy geheel andere uytwerkingen van hefde, gestelt na de kennisse vau dit on- hchamehjk voorwerp, in ons gewaar worden, en zo veel van de eerste verschillende, als daar is het verschil van lichaamelijk en onhchaamehjk, geest en vleesch. En dit mag daarom te ineer met recht en waarheid de Wedergeboorte werde genoemt, om dat uyt deze Liefde eu Vereeniginge eerst komt te volgen een Eeuwige en onveranderlyke bestandigheid, zo wy zullen betonciu.
CAP. XXfll.
VAx\ DES ZIELS ONSTEHFELI.IKIIEII).
/o waiineer wy eens iuet aandagt aaniiierkeii wat de /iele is, en waar uyt liare verandering en geduiiringe ontstaan, zo zullen wy lichtelijk zien of zy sterfelijk of onsterfelijk zij.
l)e Ziele dan hebben wy gezeid te ziju een Idea die iu do denkende zaake is, van do wezentheid eenes zaaks, {Vw '\\\ de Natuur is, ontstaande. Waar uyt dan volgt, dat, iia do duuringe en veraudering van de zaake is, daar na dan ook de duringe en veranderiiige van de Ziele nioet zijn. Daar ])y liel)])en wy aangemerkt dat de ziele kan vereenigt worden, of met het Ur/iaam van hetwelko zy de Idea is, of mef Gnd, zonder dewelke zy noch bestaan uoch verstaau kan worden.
NVaar uyt inen dan lichlclijk kau zien, (1.) dat, l)y aldien
88 KOKTE VEKHANDELING.
zy inet liet lichaam alleen vereenigt word, en dat lichaam komt te vergaan, zy als dan ook moet vergaan ; want het lichaam, zijnde het fondament van haar Hefde, ontberende, moet zy mede te niet gaan. Maar (ten 2e), by aldien zy met een andere zaake, die onveranderlijk is en blijft, vereenigt word, zo zal zy in het tegendeel ook onveranderlijk [B add. en bestandig] moeten blijven. Want waar door zoude het als dan mogelijk zijn dat ze zouw konnen te niet gaan? * ISiet door haar zelve; want alzo weinig als zy door haar zelve heeft konnen beginnen te zijn doen zy niet en was, alzo weinig kan zy ook, nu zy zo is, of veranderen of te niet gaan. Alzo dan dat dit geene, het welke alleen de oorzaak is van haare tvezentheid, ook moet zijn (als zy komt te niet te gaan) de oorzaak van hare tiiet wezentheid, om dat het zelver komt te veranderen en te vernietigen.
CAP. XXIV.
VAN GODS LIEFDE TOT DE MENSCH.
Tot hier toe achten wy genoegzaam getoond te hebben wat onze liefde tot God is, ende de uytwerkinge des zelfs, namelijk onze eeuwigdurentheid. Zo dat wy nu hier niet nodig achten iets te zeggen van andere dingen, als van de blyschap in God, gerustheid des gemoeds, enz., aangezien men lichtelijk uyt het gezeide kan zien wat daar af is en te zeggen zoude zijn. Zo zal dan nog overig zijn eens te zien (want tot noch toe hebben wy gesprooken van de Hefde van ons tot God), olf er ook een liefde van God tot ons [adde is], [A add. dat is, of God ook de mensche Hef heeft, en dat] wanneer zy [B wy] hem hef hebben V
Maar voor eerst wy hebben gezeid, dat aan God geene wijze van denken, buyten die de welke in de schepzelen zijn, en
* Quae sequuntur, ita in cod. B scripta sunt: dewijl het geen alleen de oorzaak van de iveezendhetd eener zaak is, ook, wanneer die komt te ver- gaan, daarom de oorzaak harer niet-wezendheid moet zijn, omdat zy zelve verandert of vergaat; of hetgeen icaar van zy oorzaak is moest zig zelven konnen vernietigen; maar zoo weinig als eenig ding uyt zig zelven, doe het nog niet was, kan beginnen te zijn, zoo min kan dat ook, nu het is, uyt zig zelven veranderen of vergaan.
DEKL II. CAP. XXIII. 89
konnen toegepast wonlen ; jilzo dat niet gezeid kan worden, dat God de menschen lieft, veel min dat hy haar zoude lieven omdat zy hem lieven, haten omdat zy hem haten. \N'ant zo zoude men moeten onderstellen, dat de menschen zoodanig iets vrywillii; zoud(;n doen, dat zy niet zouden afhangen van een eerste oorzaak ; liet wolk wy al te vooren bewezen hebben valsch te zijn. Daareiiboven zoude dit ook in God niet als een groote veranderlijkheid moeten veroorzaaken ; die, daar hy te vooren nog beinind noch g(;liaat hadde, nu zoude beginnen te beminnen en te haaten, en daar toe veroorzaakt zoude worden door iets dat buyten hem zoude zijn; docli dit is de onge- rijmtlieid zelve.
Doch als wy zeggen dat God de mensch niet en bemind, dat moet zoo niet verstaan worden, als of hy de mensch (om zoo te zeggen) zo alleen liet heen loopen, maar om dat de mensch te zamen met alles watter is, zoodanig in God zijn, en God van deze alle zodanig bestaat, [/> add. zoo moet het zoo begreepen wordenj dat akhuir geeii eigenlijke liefde van hem tot iets anders kan plaats hebben : aangezien dat alles in een eenige zaake, die (iod zelve is, bestaat,
En liier uyt dan volgt mede, dat God de menschen geen wetten stekl, om wanneer zy die volbrengen te belonen. OfT om khiarder te zeggen, dat (4ods wetten niet en zijn van zo een natuur, dat ze zoude konnen worden overgetreden. Want de reguls van God in de Natuur gestekl, volgens welke alle dingen hervoort komen en duuren, indien wy die wetten willen noemen, die zijn zodanig dat zy nooyt en konnen overgetreden worden ; als daar is dat het zwakste voor het sterkste moet wijken, dat geen oorzaak meer kan voort brengen als zy in zicli heeft, en diergelijko, die vaii zoodanige aard zijn, dat ze nooyt en veranderen, nooyt begiimen, maar alles onder dezelve gescliikt en geordent is. Kn oin kortehjk hier af iets te zeggen : alle wett(*n di(^ niet en konneii overlr^^den worden, zijn godde- lijke wetten ; reeden, omdat aHes watter gescliied, niet en is tegen, maar volgens zijn eigen beshiyt. Alle wetten die over- treden konnen worden zijn menschelijke wetten ; reeden, om- dat alles wat de menschen voor liaare weLstand })eshiyten. daar uyt niet en volgt zulks ook tot welstand van gelieel de Natuur te zijn, maar in liet tegendeel wel tot verni(^tiginge van veel andere diiigeii konnen zijn.
Als de wetten van de Natiiur maclitig(M- zijii. wordeii de wctten van de menschen vernietigt; de goddelijke wetten zijn
90 KORTE VEIIIIANDELING.
het laatste eynde om het welke zy zijn, en niet geonderordend, de menschelijke niet. Want [Ji Doch] niettegenstaande de inenschen tot haar zelfs welstant wctten maaken, en geen ander eynde hebben als daar door liaar eygen welstand te bevorderen, zoo kan nogtans dit haar eynde (als zijnde geonderordend onder andere eynde, de welke een ander die boven haar is beoogt, en haar als deelen van de Natuur zijnde zoodanig laat werken) ook dienen ten eynde het met die eeuwige wetten van God van eeuwigheid gesteld, te zamen loopt, en zoo met alle andere alles helpt uytwerken. Ex. gr. wanneer de Beyen, alschoonzy, geen ander eynde beoogen met al dien arbeyd en geschikte ordre die zij onder een onderhouden, als voor de winter zekere voorraad te verzorgen, de mensch nogtans, boven hen zijnde, heeft hen onderhoudende en gaade slaande een geheel ander eynde, namehjk voor hem den honigh te bekomen. Alzoo ook de mensch, in aanzien hy een bezonder dink is, en heeft zijn oogmerk niet verder als zijne bepaalde wezentheid bereyken